Zoeken

 
 
 
Frans Prinzen werd 161 jaar geleden, op 1 oktober 1854, geboren in Helmond. In de Annalen van de H. Kindsheid was anno 1879 te lezen dat Frans zijn middelbare schooltijd doorbracht in Sittard. Vervolgens studeerde hij theologie en filosofie in Laval, Frankrijk, om tenslotte als priester toe te treden tot ‘het genootschap van Jezus’, de Jezuieten. Op 22 september 1879, bijna 25 jaar, vertrok Frans met zeven medebroeders naar China om de inwoners van het land te bekeren.
   “De jeugdige missionaris laat in het vaderland een geliefde moeder, broeders en zusters achter, die de scheiding des te meer moeten gevoelen”, aldus het missieblad, “naarmate zij in hem van kindsbeen af al datgene vonden, wat een zoon, een broeder hartelijk door de zijnen moet doen  beminnen”.
 
 
49 1 Frans Prinzen
Frans Prinzen
 
 
Gelukwens
 
 
De redacteur van de Annalen eindigde zijn artikel met: “Het zij ons geoorloofd hier een gelukwens bij te voegen aan de gemeente en in het bijzonder aan de familie, die een van haar zonen naar het veld van eer mocht zenden – weliswaar met het gevoel van weemoed (de tranen bij het afscheid gaven daarvan de welsprekendste getuigenis), maar tevens met de gevoelens, die echt christelijke moeders, broeders en zusters bezielen, als zij één van hun dierbaarsten blijmoedig met lichaam en ziel tot zulk een heilig en verdienstelijk werk aan God ten offer zien brengen.
   De Heer Jezus zal hun het gebrachte offer, wij twijfelen er niet aan, zowel hier als hiernamaals, ruimschoots vergoeden”.
 
 
Rijke en liefdadige familie
 
 
De familie Prinzen was verre van armlastig. In een boek dat Andreas van den Eerenbeemt in 1945 schreef over de Nederlandse missieactiviteiten meldde deze: “Frans was een broer van de als zo liefdadig bekend staande Willem en Antoon Prinzen”.
   Jef de Jager, uit Helmond, verduidelijkte dat nog eens in zijn dit jaar gepubliceerde boek over Willem Prinzen (1847-1919). Hij noemde het Zalig de rijke die het goud niet najaagt. Willem Prinzen, fabrikant, politicus en filantroop.
 
Over datzelfde afscheid rapporteerde De Jager: “Toen het moment van vertrek daar was werd Frans in een optocht van de H. Kindsheid [in Helmond] naar het station gevoerd, gadegeslagen door drommen mensen langs de kant van de weg”.
   De auteur schreef: “Willem trok regelmatig zijn portemonnee voor goede doelen”. In het boek, met hoofdstukken als ‘Ik heb begrepen dat niets beter is dan wel te doen in het leven’, ‘Beurzen voor China’ en ‘Rijkdom en caritas’, zijn tal van voorbeelden te vinden over de liefdadigheid van de rijke Brabantse industrieel.
   De Jager heeft lang niet alle giften kunnen achterhalen die Prinzen aanwendde voor de katholieke missie in China. Bij een foto van een zeer grote kerk in Shanghai, het gebied waar zijn jongere broer Frans als Jezuiet opereerde, is dan ook te lezen “De St. Ignatius kathedraal is in 1907 mogelijk gebouwd dankzij giften van Willem”. In dat jaar was de liquiditeit van Willem Prinzen ‘maximaal’, verduidelijkte hij.
 
 
49 2 omslag boek
omslag boek
 
 
Brieven van Frans Prinzen in de Annalen van de Heilige Kindsheid
 
 
Willem Prinzen en zijn familie moeten ook de Heilige Kindsheid financieel goed bedacht hebben. Die was in 1843 door de Franse bisschop Forbin-Janson gesticht ‘tot het dopen en vrijkopen der ongelovige kinderen in China en andere afgodische landen’.
   In het Nederlandse tijdschrift van de strak gerunde organisatie werden steeds brieven geheel of gedeeltelijk afgedrukt, die de missionarissen vanuit de missie naar het thuisfront gestuurd hadden. Daarbij werd Frans Prinzen niet vergeten. Integendeel. In sommige jaargangen vond je de ene brief na de andere van zijn hand. Frans en zijn familie waren goede bekenden van het genootschap.
 
Op 2 augustus 1881, ruim een jaar na zijn aankomst, legde de jonge Jezuiet een en ander uit over het effectieve functioneren van de H. Kindsheid in China.
   “Alle blijken van dankbaarheid, die ik u zou kunnen geven, zijn niet in staat de erkentelijkheid uit te drukken, die onze dierbare missie aan het genootschap der H. Kindsheid verschuldigd is. Ik wil u een weinig het nut doen kennen van uw ijver voor het genootschap.
   Het doel der H. Kindsheid, hier en elders, is tweevoudig: vooreerst de te vondeling gelegde kinderen en andere heidense kinderen, die in gevaar van sterven zijn, te dopen. Ten tweede, aan die, welke in leven blijven, een christelijke [katholieke] opvoeding te geven”.
 
Chinese ouders stonden hun kinderen aan de paters af in periodes van grote (hongers)nood. Dan was er bijvoorbeeld niet voldoende voedsel om een heel gezin in leven te houden.
   De missionaris gaf aan: “Meestal hebben die kinderen erbarmelijk veel geleden. Vandaar dat er zo velen spoedig sterven [nadat ze in de missie zijn opgenomen]. Het is alsof ze ons wilden zeggen: de goede God heeft mij nog een ogenblik van leven gegund zodat de H. Kindsheid de tijd had om de deur van de hemel voor mij te openen”.
 
 
49 3 brieven
fragmenten uit brieven van Frans Prinzen, afgedrukt in blad H. Kindsheid
 
 
Geld voor de H. Kindsheid en de missie
 
 
Pater Frans legde uit hoe het de Chinese kinderen verging als ze niet meteen kwamen te overlijden, zoals vaak het geval was.
   “De ijver van onze christenen [bekeerlingen] komt ons hierin op bijzondere wijze te hulp. Veel gezinnen van christenen beschouwen het als een grote gunst, één, twee, soms drie van die arme kinderen tot zich te nemen en als kinderen van het huis op te voeden. In het algemeen wordt hun daarvoor jaarlijks 12 ½ gulden betaald. Niet weinigen weigeren deze geldelijke vergoeding en verlangen in het hiernamaals de volledige beloning van de goede God te ontvangen”.
 
Prinzen noemde het een klein bedrag. Dat was niet helemaal juist. Met dat geld kon je op dat moment in China juist heel veel doen. Geen wonder dat hij zijn brief voortzette met: “Er zijn er ook die niet zoveel ijver vertonen. Niet zelden hoort de missionaris: ‘Maar pater, wij zijn zelf zo arm. Wij hebben moeite om aan onze eigen kinderen het nodige te verschaffen’. Hij moet dan dikwijls de som verdubbelen [tot 25 gulden per kind per jaar]”.
 
Het was derhalve van groot belang dat er in Europa voldoende geld bij elkaar gebracht werd. Dat mocht niet fout gaan. Frans Prinzen stortte zijn hart uit. “Menigmaal gebeurt het dat de beurs van de missionaris leeg is. En wat dan? Moet hij die arme wichtjes zonder doopsel aan hun lot overlaten? Moet dan de deur van de hemel voor dat ongelukkige kind gesloten blijven? Het is toch geschapen naar het beeld van God, vrijgekocht door het dierbaar bloed van Jezus Christus!
 
O, zulk een ogenblik moet hartverscheurend zijn voor de missionaris! Hoe zou hij alsdan zijn stem willen verheffen en die te laten weerklinken tot in Europa, tot in Holland, tot de kinderen van het genootschap van de H. Kindsheid en ook die kinderen die nog geen leden zijn [van dat zelfde genootschap]!   
 
 
‘Wrede Chinese moeders’
 
 
Hoe gaarne zou hij zeggen: ‘Dierbare kinderen [in Nederland], jullie zijn onze hoop en steun! Zie hoe de goede God jullie op bijzondere wijze gezegend heeft. Hij gaf jullie christelijke en brave ouders. Die hebben jullie in het water van het doopsel snel gereinigd van de smet van de erfzonde, en in je jonge jaren met de tederste zorg omringd'.
 
Ach, vergeet de arme kleine heidenen toch niet! Ze hebben een moeder, dat wel. Maar die is wreed, zonder godsdienst, zonder plichtsbesef. O, kom toch jullie ongelukkige broertjes en zusjes met jullie spaargeld te hulp!”
 
 
Weeshuizen
 
 
49 4 kind in katholieke handen
kind in katholieke handen
 
 
Frans Prinzen wist dat de kinderen in Helmond en elders een gedeelte van hun zakgeld afstonden voor de kindertjes in China. En ook dat ze elke avond voor het slapen gaan op hun knietjes baden “Maagd Maria, bid voor ons en voor de arme ongelovige kindertjes”. Bovendien gaven ze een aantal malen per jaar acte de présence bij speciale missen van de Heilige Kindsheid.
 
Het zakgeld kwam goed terecht, schreef de jonge missionaris in de brief die in het tijdschrift afgedrukt werd.
   “De missie heeft op vele plaatsen weeshuizen opgericht, waarin wij de weldadige invloed van de H. Kindsheid ondervinden. Die weeshuizen verkondigen heinde en verre de liefdadige invloed van onze [katholieke] godsdienst. In deze weeshuizen zijn die ongelukkige schepseltjes te vinden, welke ontaarde ouders om het leven gebracht zouden hebben – als de edelmoedigheid uit Nederland ons de middelen niet had verschaft om ze aan hun wrede handen te ontrukken. Enige maagden [ongehuwde vrouwen] hebben de zorg over die kinderen. Met hart en ziel ijveren ze zich voor hun lichamelijk en geestelijk welzijn.
 
Elke nacht, als een of ander kind in huilen uitbarst, wat niet zeldzaam is, springt de maagd, als een liefdevolle moeder, uit haar bed op en rust niet vóór zij de arme kleine getroost en verzorgd heeft. Is dat geen vermoeiend leven! Hoeveel nachten brengen de vrouwen hier slapeloos door. Maar de goede God zal hen [na hun leven op aarde] zeker ruimschoots belonen. Waarlijk, het is troostvol en opbeurend te zien, hoe onze godsdienst de harten van onze Chinezen zo offervaardig en edelmoedig weet te maken”.
 
 
Frans Prinzen koopt kinderen
 
 
In zijn brief legde de Helmonder uit hoe het (vrij) kopen van kinderen ging, voor iedereen die het maar weten wilde.
   “Mij dunkt dat u me vraagt: zeg eens Frans, hoe koopt u die kinderen en hoe worden er elk jaar zoveel duizenden gedoopt?”
   Die vraag vond hij makkelijk te beantwoorden. Het was vrouwenwerk. “Alweer door de vindingrijke liefde van onze maagden”. Maar er was tevens hulp van ‘boven’. “Vandaag bezigen zij dit middel, morgen weer een ander. Zeer dikwijls geeft haar goede engelbewaarder of die van de kinderen zelf het middel aan de hand”.
 
In de praktijk speelde filantropie opnieuw een rol. Met Europees geld werd een en ander in China tot stand gebracht. “Opdat ook de overige christenen aan dit verdienstvol liefdewerk deelnemen, worden er beloningen toegezegd aan iedereen die een bepaald aantal kinderen [in nood van sterven] gedoopt had. Wanneer de pater op een missiepost arriveert, dan snellen de christenen als kinderen toe met een blijde boodschap als: ‘Pater, ik heb twintig kinderen gedoopt’. De gelukkige ontvangt dan een kruisbeeld, een rozenkrans of een grote, prachtige plaat als beloning”.
 
 
Vruchtbare ijver
 
 
Pater Frans, de jongere broer van weldoener Willem Prinzen, had naar eigen zeggen het bewijs geleverd. “Zo ziet u dat uw ijver voor het genootschap van de Heilige Kindsheid vruchtbaar is. Onze missionarissen trekken dan ook onberekenbare voordelen uit de aalmoezen die de H. Kindsheid jaarlijks naar onze uitgestrekte missie opzendt.
   Moge uw ijver meer en meer toenemen! Moge weldra in iedere parochie van Nederland het genootschap der H. Kindsheid worden opgericht tot bloei en verheerlijking van de godsdienst!”
Vanuit de omgeving van Shanghai eindigde hij met:  “Laat ons voor elkander bidden en elkaar dagelijks ontmoeten in de Heilige Harten van Jezus en Maria”.
 
 
Uitvaart van Willem Prinzen
 
 
49 5 weldoener Willem Prinzen
Weldoener Willem Prinzen
 
 
Willem Prinzen, fabrikant, politicus en filantroop, overleed op 14 februari 1919. In zijn boek over hem beschreef Jef de Jager hoe het er vier dagen later in Helmond toeging. “Het weer zat niet mee. Onder een dicht wolkendek schommelde de temperatuur rond het vriespunt. Desondanks waren duizenden mensen op de been.
   De stoet van zijn huis naar de H. Hart-kerk opende met de stadsharmonie Phileutonia – met omfloerst vaandel. Daarna kwamen de schoolkinderen, die twee aan twee grafkransen droegen. Op de lijkkist lagen zijn ordetekenen (onder andere de medaille van de Heilige Familie). Achter de lijkwagen volgden te voet familie, vrienden en hoogwaardigheidsbekleders. De talrijke geestelijken bezorgden de stoet een effen kleur zwart.
 
Om tien uur begon de lijkdienst door drie heren. Neven van Willem voerden bovendien op de zij-altaren missen op. In de Lambertus-kerk werd uit dankbaarheid voor een legaat een aparte mis gelezen.
   Na de dienst ging de harmonie weer voorop door de Ameidestraat en Molenstraat, treurmuziek spelend. Op het kerkhof vond de laatste zegening plaats voor het familiegraf”.
 
Alphons Ariëns, voorman van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland was aanwezig bij de begrafenis. In de krant schreef hij: “Ieder voelde dat hier de groot-aalmoezenier van katholiek Nederland ten grave gebracht werd. Hij gaf zoveel weg dat ik een van zijn beste vrienden hoorde zeggen: ‘Wij staan niet alleen verbaasd van zijn geven, maar dat hij zoveel geven kon. Hij was toch geen Rockefeller!’”
 
Harry Knipschild
28 april 2015, 6 december 2017
 
Dit artikel verscheen eerder op de website www.katholiek.nl