Zoeken

 
 
In 1966, 52 jaar geleden, liet de Nederlandse overheid een alternatief opzetten voor Radio Veronica. De bedoeling was dat ‘Hilversum 3’ zoveel luisteraars zou trekken dat de populaire zeezender zonder al te veel problemen uit de lucht gehaald kon worden. De publieke omroep slaagde er echter niet in om Veronica in aantrekkingskracht te evenaren. Desondanks moest het station verdwijnen, vond de politiek. Een kabinet onder leiding van Joop den Uyl, met minister Harry van Doorn voor mediazaken, kwam met nieuwe wetgeving. Op 31 augustus 1974 maakte het station noodgedwongen zelf een einde aan zijn uitzendingen.
   Hilversum 3 had in Nederland voortaan jarenlang een monopolie. Weldra waaide er in omroepland een nieuwe wind. In Oor liet VPRO-man Wim Noordhoek anno 1975 afdrukken: “Sinds Veronica is weggevallen hoeft Hilversum 3 niet meer te bewijzen dat het ook een popstation is. Dat houdt in dat het gesproken woord onmiddellijk juichend binnengehaald wordt”.
   Dat de zeezender de muziek uitzond die de jeugd graag wilde horen wordt in sommige kringen nog steeds betreurd. In de Volkskrant van 3 september 2016 schreef Olaf Tempelman bijvoorbeeld over ‘Veronica, de zender die de jeugd verpestte’.
 
 
 
Satellietzenders
 
 
350 1 3 FM Serious Radio
 
 
Pas met de komst van de satellietzenders werd concurrentie weer mogelijk. Hilversum 3 veranderde enkele keren van van naam en opereert nu als NPO 3 FM Serious Radio. Zeker de laatste maanden zijn de cijfers alarmerend. Het luisteraandeel is gekelderd naar 2,7 procent. Marktleiders zijn vooral de niet-publieke stations Radio 538 (11,7%), Radio 10 (9,9%), Qmusic (9,0%) en Sky Radio (8,4%).
   De afgelopen maanden zijn bij de jongerenzender nogal wat presentatoren verdwenen. Bovendien zijn de uitzendingen van het Glazen Huis, aan 3FM Serious Radio gelieerd, stopgezet. Duidelijk is dat 3FM zijn band met de luisteraars verloren heeft. Aan Sharid Alles (38) de taak om verbeteringen aan te brengen.
   In een 3voor12-interview verklaarde de nieuwe zendermanager onlangs: “3FM wordt weer de plek waar nieuw talent vandaan komt, waar nieuwe muziek begint en nieuwe ontwikkelingen te horen zijn op het gebied van media”. Het is volgens haar bovendien de taak van het station om grote thema’s te behandelen, zoals de opwarming van de aarde, racisme, de Me-Too-beweging. Een open oor voor de smaak van het (grote) publiek kwam minder aan de orde – om over radio als ‘entertainment’ niet eens te spreken.
   Met ‘nieuw talent’, zo kwam het me voor, wil 3 FM Serious Radio de overgebleven luisteraars aangeven wat ze mooie muziek moeten vinden. Nieuwe ‘serious’ talenten zijn Jason Waterfalls (december), Rimon (november), Pip Blom (oktober), Nona (september), Waltzburg (augustus), Day Fly (juli) en Jacin Trill (juni) en Boris Smith (mei, de maand nadat Alles verantwoordelijk werd voor het beleid).
   3 FM Serious Radio, het voormalige paradepaardje van de publieke omroep, is sinds enige tijd het minst beluisterde radiokanaal van die zelfde publieke omroep – minder dan radio 5, 4, 1 en zeker radio 2, die vooral succes heeft met de Top 2000, een week lang muziek, (mede) geselecteerd door de luisteraars.
 
 
Verzoekprogramma’s
 
 
Als je de geschiedenis van popmuziek op de radio bestudeert, besef je al gauw hoe belangrijk het is om in te haken op de smaak van je publiek. Zoals altijd speelde de VS een belangrijke rol. Zenders, op zoek naar een zo hoog mogelijk marktaandeel, waren voortdurend alert op reacties als ze een nieuwe plaat of een nieuw talent lieten horen. In een wereld van concurrentie moesten ze wel.
   In zijn boek The Fifties (1993) liet de Amerikaanse historicus David Halberstam zien hoe het in 1955 werkte bij Elvis Presley. Dewey Phillips in Memphis presenteerde diens eerste single in het radioprogramma ‘Red Hot and Blue’. “The switchboard started lighting up immediately”. Voor de discjockey van radiostation WHBQ was dat de aanleiding om beide kanten van de plaat steeds opnieuw te laten horen. Bovendien deed hij er – met succes – alles aan om de nieuwe artiest van Sun Records die zelfde dag nog voor een interview in zijn programma te krijgen.
   Zo maakte je een populair programma. Niet voor niets zorgden vooral verzoekprogramma’s overal in de westerse wereld steeds voor een hoge luisterdichtheid. ‘Men vraagt en wij draaien’ heeft altijd synoniem voor optimale luistercijfers gestaan.
 
 
Frans Nienhuys voor de Vara-radio
 
 
350 2 Men vraagt wij draaien
 
De slogan ‘Men vraagt en wij draaien’ is afkomstig van Frans Nienhuys (1905-1994). In 1976 schreef de presentator en samensteller zijn memoires. Bert Alting zette de tekst van vijftien hoofdstukken later op het internet.
   Nienhuys, geboren in Utrecht, raakte op jeugdige leeftijd in de ban van toneel en opera. Met zijn moeder bezocht hij een voorstelling van ‘Paljas’ (I Pagliacci) van Leoncavallo in de Amsterdamse schouwburg.
   Herman van Veen zong anno 1984 over ‘Paljas’. “Hilversum III bestond nog niet, maar ieder had zijn eigen stem. Op elke steiger klonk een lied, van Paljas of Jeruzalem”.
 
Frans: “Onmiddellijk besloot ik van deze opera een toneelstuk te maken en daarin zelf de Paljas te spelen, met vriendjes en vriendinnetjes. Het was 1917 en ik was dus pas twaalf jaren oud. Met inzet van mijn gehele zakgeld, plus nog een extraatje van mijn moeder, heb ik vanaf het schellinkje ‘Paljas’ nog driemaal gezien. Van het overgebleven kwartje kocht ik een uitgebreid tekstboekje en bewerkte de tekst”.
   Nienhuys: “De opvoering vond plaats in een feestzaal aan de Middenweg in Amsterdam Oost. De zaal was volledig uitverkocht, want alle familieleden wilden natuurlijk komen kijken en luisteren naar de prestaties van hun kinderen, kleinkinderen, neefjes en nichtjes”.
   ‘Paljas’ werd voor Nienhuys het begin van een carrière op het toneel en een plaats achter de microfoon bij het nieuwe medium in de jaren twintig, de radio. Hoorspelen werden al gauw populair bij het publiek. Onder meer de Avro zond ze uit en Frans mocht er regelmatig zijn stem laten horen.
   In 1932 werd hij naar eigen zeggen door de Vara (Vereniging van arbeiders radio amateurs) uitgenodigd te solliciteren voor een vaste plaats bij de hoorspelkern van die omroep. Na een kleine proef werd hij aangenomen. Drie jaar lang was Frans steeds van de partij. Als medewerker van de omroep fungeerde hij bovendien als visitekaartje tijdens Vara propaganda-avonden overal in het land.
 
In 1935, midden in de tijd van een enorme economische crisis, werd zijn contract echter niet verlengd. Nienhuys, toen 28 jaar: “Door publicaties in het Vara-blad en in andere media werd bekend dat ik geen deel meer zou uitmaken van het Vara-toneel. Er stak een storm van protesten op, zowel in brieven aan het bestuur als op de ledenvergaderingen.
   Al deze protesten resulteerden in een telefoontje aan mij van programmaleider Eli Bomli, met het verzoek om bij hem thuis een gesprek te hebben. Hij stelde mij voor om voor de Vara een verzoekplatenprogramma voor die omroep te gaan presenteren.
   Dat was een kolfje naar mijn hand en met vreugde accepteerde ik dit aanbod”.
   Ook om andere redenen was Nienhuys blij. Sinds 1928 was hij getrouwd. In oktober 1935 verwachtten zijn echtgenote, Janny van Oggen, en hij hun eerste kind.
 
 
350 3 Frans Nienhuys in 1937
Frans Nienhuys in 1937
 
 
Onderzoek van Leo Boudewijns
 
 
Een regelmatige luisteraar van het verzoekplatenprogramma was Leo Boudewijns, anno 1931 geboren. In 1994 schreef Boudewijns een artikel over de muziek die hij dankzij ‘Men vraagt en wij draaien’ kon horen. “Frans Nienhuys was razend populair. Zijn programma zorgde voor de enige min of meer serieuze muziek waarnaar in mijn ouderlijk huis werd geluisterd. Vanaf mijn zevende/achtste jaar mocht ik er voor opblijven. Kinderstraffen zoals niet naar het voetbal, geen snoepjes of niet op straat spelen waren voor mij niet half zo erg als niet naar ‘Men vraagt’ luisteren: dat deed echt pijn. Ik vond het de meest onrechtvaardige maatregel die mijn ouders konden treffen.
   Frans bezat een mooie, duidelijke stem, sympathiek, met een ingebouwde lach die ook hoorbaar bleef als hij troostende woorden tot zijn luistervrienden richtte. Alle muzikale termen en de namen van de meest exotische artiesten uit de wereld van opera en concert rolden uit zijn mond. Hij liet ze klinken alsof hij dagelijks met die beroemdheden omging: Amelita Galli Curci, Beniamino Gigli, Richard Crooks, Heinrich Schlussnuss, Tino Pattiera, Tito Schipa en het Coro Belmonte”.
Veel eerder dan Pete Felleman, Herman Stok, Joost de Draayer, Lex Harding, Felix Meurders, Rob Stenders en Gerard Ekdom was Frans een vertrouwde radiostem, die verslavend werkte voor de muziek van vóór de oorlog.
   Boudewijns: “Het gebruikelijke na het eten naar bed, werd op vrijdagavond voor mij opgerekt tot acht uur. Ik zat, soms in pyjama, op de harde kokosmat voor de grote zelfgebouwde luidspreker, mijn oor zo dicht mogelijk bij het met bruinrode stof beklede ronde gat, in het midden van de kast.
   Niets wilde ik missen van dat uur. De muziek in de eerste plaats. Hoogtepunten uit de beroemde opera’s en operettes, genrestukjes, walsen en marsen. Van binnen neuriede ik de melodieën mee, onhoorbaar voor de anderen. Soms, bij een wals van Strauss of Lanner, maakte ik heimelijk een dirigeerbeweging, mij voorstellend dat ik later zelf muzikant zou zijn en dat mijn grammofoonplaten gedraaid zouden worden en mijn naam door Frans Nienhuys genoemd.
   Ook de goede wensen, felicitaties of opbeurende woorden die de presentator steeds maar weer naar mij onbekende landgenoten liet uitgaan en die ik daarom licht benijdde, nam ik goed in mij op”.
 
 
350 4 Paljas van Ruggero Leoncavallo
Paljas van Leoncavallo
 
 
Boudewijns wist in het historisch archief van de Vara heel wat informatie te vinden. “Welke muziek werd in de vooroorlogse jaren het meest gevraagd? Hoe zag de top tien van de jaren dertig eruit?” was zijn vraag. Hij citeerde uit de Vara-gids van mei 1940: “Wij draaien platen, die de luisteraars graag horen, wellicht dat deze ook uw smaak kunnen bekoren”.
   Leo ontdekte dat de naam ‘Men vraagt en wij draaien’ niet uit de lucht was komen vallen. “Al in 1934 kende de Radiogids van de Vara een vaste rubriek onder de titel ‘Men vraagt niet, wij draaien toch’, waarin Mr. Punch, pseudoniem voor Arie Pleysier, commentaar gaf op omroep-actualiteiten”.
   De presentatie van ‘discjockey’ Frans Nienhuys haalde meteen het jaarverslag van de socialistische omroep: “De laatste tijd worden de nummers met een aardige conference door Frans Nienhuys aangekondigd”.
 
 
Verzoekplaten van vóór mei 1940
 
 
350 5 Leo Boudewijns
Leo Boudewijns
 
 
De onderzoeker ontdekte dat het programma aanvankelijk ’s middags de ether inging. In het eerste programma van ‘Men vraagt en wij draaien’ werden slechts vier platen gedraaid: de ‘Bolero’ van Ravel, door het Lamoureux orkest onder leiding van Ravel zelf, het liedje ‘Nieuwe maan’ gezongen door Enzo de Muro, een medley uit ‘De gouddelvers van 1933’ door het BBC dansorkest onder leiding van Henry Hall en ‘Op het goede schip Lollipop’ gezongen door Mary Questal”.
   Wat later werd een programma helemaal aan het einde van de avond uitgezonden. De tijden waren dus anders dan hij zichzelf herinnerde. “Daarin zeven platen, variërend van ‘Aan de schöne blauwe Donau’ gezongen door de Wiener Sängerknaben tot de smartlap ‘Werkloze handen’ door Willy Derby.
   In dat programma school gelukkig ook de eerste herkenning: ‘Tiritomba’ gezongen door Joseph Schmidt en ‘Pappie (Daddy)’ gezongen door de Engelse jongenssopraan Joe Petersen, die in die dagen furore maakte. Deze laatste was door de mazen van mijn herinnering geslipt maar alleen al op het zien van de naam en de titel klonk het stralende jongensgeluid met de vertrouwde orgelbegeleiding mij weer helder in de oren. Hij leek mij een goede kandidaat voor de top tien van de jaren dertig”.
 
Boudewijns analyseerde wat in ‘Men vraagt en wij draaien’ vóór mei 1940 was uitgezonden: “Bij mijn onderzoek naar de platen die Frans Nienhuys vóór de Tweede Wereldoorlog draaide, vielen een aantal zaken op. Bijvoorbeeld de successen van toen, die de eeuwigheid niet hebben gehaald. Want kent iemand onderstaande titels nog: ‘Het wordt al dag bij Chilerai’ (jodelduet), ‘Het meisje aan het Bodenmeer’ (Hans Gerhard), ‘Ik lig zo graag in het groene gras’ (draaiorgel), ‘Bij de blauwe wateren van Hawaii’ (Ketelbey-orkest), ‘Mussenparade’ (Orkest Otto Dobrindt), ‘De beide kleine vinken’ (trumpetduo), ‘Op de bergweide’ (zithersolo), ‘De vrolijke xylofonist’ (xylofoonsolo) en ‘’n Gröniger is altied nummer ain’ (George Hofmann).
   Veel talrijker waren echter de titels die het ook vandaag [1994] in verzoekprogramma’s of onder de noemer ‘Muziek voor miljoenen’ nog goed doen. Een selectie: ‘Juwelen aria uit Faust’ (Gounod), ‘G’schichten aus dem Wienerwald’ (Strauss jr), ‘Smartlied’ uit Paljas (Leoncavallo), ‘Ave Maria’ (Bach/Gounod), ‘Bloemenwals’ uit De Notenkraker (Tsjaikovsky), ‘Largo’ uit Xerxes (Händel), ‘O Mädchen, mein Mädchen’ (Lehar), ‘In een kloostertuin’ (Ketelbey), ‘Rhapsodie in Blue’ (Gershwin), ‘Nonnenkoor uit Casanova’ (Strauss/Benatzky)”.
 
Leo Boudewijns probeerde zo goed mogelijk een lijst van de meest populaire verzoeknummers op te stellen. Een soort ‘top 10 aller tijden’ uit de tweede helft van de jaren dertig. Die zag er als volgt uit: 
 
1 Nonnenkoor uit Casanova, Anni Frind
2 Ik hou van Holland, Joseph Schmidt
3 Ave Maria (Bach/Gounod), Beniamino Gigli
4 O Mädchen, mein Mädchen, Richard Tauber
5 Tiritomba, Joseph Schmidt
6 Een lied gaat om de wereld, Joseph Schmidt
7 Catari, Catari, Tino Rossi
8 Parodie op de Barbier van Sevilla, Willy Derby
9 Neem mij met je mede, Kees Pruis
10 Scheiden doet lijden, Willy Derby
 
350 6 Joseph Schmidt in 1935Joseph Schmidt (1935) met drie titels in de 'top tien aller tijden'
 
 
Liedjes met Engelse teksten waren, aldus Boudewijns, nog niet in zwang. “In de vooroorlogse periode, een tijd toen nog maar weinig arbeiders buitenlandse talen konden lezen, stelde de Vara zich ten doel de Engelse en Duitse titels van de liedjes en muziekwerken in het Nederlands te vertalen. Dat leverde ondermeer op: ‘Jij zwarte zigeuner’, ‘De molen in het Zwarte Woud’, ‘Laatste lente’, ‘Wang tegen wang’, ‘Idioot weer’, ‘Tijger rag’, ‘Een lied gaat door de wereld’, ‘Vertellingen uit het Weense woud’, ‘Een ster valt van de hemel’, en de twee gekste ‘Rol maar voort, prairieman’ en ‘Oude man rivier’.
   Wat opviel was dat de Engelse en Duitse titels werden vertaald maar Franse en Italiaanse stukken vaak in de oorspronkelijke versie werden afgedrukt. Tegen het eind van de jaren dertig verdwenen de vertalingen uit de Radiogids en werden de buitenlandse liedjes bij hun oorspronkelijke naam genoemd”.
 
 
De oorlogsjaren
 
 
In de jaren 1941-1945 was Frans Nienhuys niet meer te beluisteren. “Tot 1941 kon ik doorgaan met mijn programma ‘Men vraagt en wij draaien’. Maar toen kwam de Vara in besmette handen en weigerde ik om dit programma nog verder voor de radio te brengen”.
   Dat was dapper, want zoals hij zelf stelde: “Er moest immers toch geld verdiend worden”.
   Met allerlei activiteiten wist de radioman zich op de been te houden. Zijn joodse collega’s lukte dat vrijwel niet. In zijn memoires schreef Frans: “Kunt u zich mijn enorme verbazing voorstellen, toen ik plotseling in de Rijnstraat, midden in de oorlog, voor café Zuid oog in oog met ‘Johnny en Jones’ kwam te staan? Johnny en Jones – Max Kannewasser en Nol van Wezel – twee joodse jongens, die als ‘two boys and a guitar’ het eerste Nederlands komische zangduo waren.
   Ik was verbaasd omdat ik had gehoord dat zij naar het beruchte kamp Westerbork waren getransporteerd. Wat mij onmiddellijk opviel was de zo gehate jodenster op hun borst. Zij zeiden mij dat zij met een paar dagen in Amsterdam verlof waren.
   Ik bezwoer hen onmiddellijk te gaan onderduiken.
   Nog hoor ik hun vrolijke lach en de onbezorgde toon waarop zij tegen me zeiden: ‘Welnee Frans, wij zitten daar op fluweel. Ons kan niets gebeuren. Zij hebben ons nodig. Wij treden daar regelmatig op’”.
   Johnny en Jones werden niet meer terug gezien in Amsterdam.
 
 
Laatste Vara-jaren (1945-1951)
 
 
Eind 1945 kwam ‘Men vraagt en wij draaien’ terug op de Nederlandse radio. Nog bijna zes jaar nam de artiest plaats achter de Vara-microfoon.
   In de zomer van 1951, schreef Frans, trad hij als conferencier op tijdens een huishoudbeurs in Veendam. In het hotel, waar hij logeerde, werd hem gezegd: “Wat jammer nou, meneer Nienhuys. Waarom stopt u met uw populaire programma?”
   Verbaasd reageerde Nienhuys: “Stoppen? Hoe komt u daar nou bij! Ik stop helemaal niet met mijn programma”.
   De eigenaar van hotel Veenlust toonde hem de plaatselijke krant, waarin zwart op wit gedrukt stond dat ‘Men vraagt en wij draaien’ in het nieuwe seizoen niet meer zou terug komen. “Dat ik die nacht maar heel weinig heb geslapen, zult u wel begrijpen”, legde hij zijn lezers in 1976 voor.
   In Hilversum kreeg Nienhuys programmaleider Henk de Heus te spreken. “Op mijn vraag of het bewuste bericht op waarheid berustte en zo ja, waarom ik zelf dan niet eerst ingelicht was, kreeg ik als antwoord: ‘Het bericht is juist, maar de heren van de pers zijn een beetje haastig geweest’.
   Op mijn vraag waarom een programma, dat zoveel weerklank bij de luisteraars vond en waarvoor wekelijks honderden verzoekjes binnenkwamen, werd stopgezet, kreeg ik als antwoord: ‘Wij stoppen een programma liever op zijn hoogtepunt dan op het moment dat het misschien begint dood te bloeden’”.
   Op 12 oktober 1951 nam Frans Nienhuys noodgedwongen afscheid van de luisteraars. Aan het eind van de laatste uitzending werd hem door Coen Serré namens het Vara-hoofdbestuur een envelop met inhoud overhandigd.
   Nienhuys: “Wat bleek toen ik na mijn uitzending de envelop opende? Er zaten drie briefjes van tien gulden in. Dertig hele guldens voor nijna twintig jaren trouwe dienst. Mijn hele leven lang heb ik spijt gehad dat ik toen die ‘fooi’ niet geweigerd heb”.
 
 
350 7 Frans Nienhuys in 1950
Frans Nienhuys in 1950
 
 
‘Men vraagt en wij draaien’ terug, nu bij radio Veronica
 
 
In 1960 ging radio Veronica de lucht in. De zeezender deed er uiteraard alles aan om luisteraars te trekken. Meer dan omroepverenigingen, die vooral hun boodschap verkondigden, en slechts in beperkte mate wilden voldoen aan de smaak van het publiek (zoals in ‘Arbeidsvitaminen’ van de Avro, wanneer die mocht uitzenden), nam de zeezender bewust verzoekplaten in zijn programmering op.
    Elke werkdag was er meteen ‘Muziek terwijl u werkt’, evenals ‘Muziek voor de huisvrouwen’ (Gerard de Vries) aan het eind van de ochtend en ‘Veronica’s Jukebox’ (Anouschka, Stan Haag) rond etenstijd. Jan van Veen las gedichten van luisteraars(ters) voor in ‘Candlelight’. In de ‘Top 40’ hoorde je de meest populaire platen van het moment. In de ‘Top 100’ de beste songs aller tijden.
   Ook in de andere programma’s werden verzoekjes positief behandeld. De luisteraars waren immers de ‘klanten’ van het station. In de acht jaar dat ik [HK, 1964-1972] zelf freelance voor Veronica werkte, kwam er wekelijks een stapeltje verzoeken binnen en die kregen serieuze aandacht. Het meest aangevraagde nummer was het lange ‘Somebody will know someday’ (1967) van Cuby & the Blizzards, kan ik me nog goed herinneren. Regelmatig nam ik het in de programmering op.
   De hoeveelheid aanvragen voor het rhythm & blues-programma, waarvoor ik verantwoordelijk was, kon in de verste verte niet vergeleken worden met de postzakken die arriveerden voor het programma ‘Men vraagt en wij draaien’, dat in die tijd op een golflengte van 192 meter (later 538) werd uitgezonden
In zijn memoires schreef Frans Nienhuys over zijn comeback: “In januari 1961 bestond radio Veronica ruim negen maanden. Op zekere dag kreeg ik een telefonische uitnodiging van de heer [Bep] Slootmans, toentertijd een der grootste aandeelhouders van onze roemruchte zeezender, om bij hem op kantoor een gesprek te hebben.
   Met kloppend hart en een zeer gespannen gevoel ging ik naar hem toe. Natuurlijk was onmiddellijk de gedachte bij mij opgekomen dat dit gesprek over niets anders kon gaan dan over mijn eventuele medewerking aan radio Veronica. En zo bleek het inderdaad te zijn.
   Hij vertelde dat men al enige tijd overwoog om bekende radiopresentatoren aan te trekken. In een slapeloze nacht – in dat beginjaar hadden de aandeelhouders vele slapeloze nachten – was hem plotseling het radioprogramma ‘Men vraagt en wij draaien’ te binnen geschoten. De volgende ochtend belde Slootmans enkele kennisen en zo ontdekte hij mijn naam en adres. Zo beleefde ik tot mijn grote vreugde – na tien jaren – op 19 februari 1961 de comeback van mijn programma”.
 
In het boek Dat was Veronica schreef Auke Kok: “Nienhuys (verbitterd over het leed dat hem was aangedaan door de Vara) kon zijn ‘levenswerk’ voortzetten bij Veronica. Daar dwong hij op een simpele wijze respect af. Hij kreeg meer post dan wie ook, honderden brieven per week. Een dergelijke bron van populariteit zouden ze bij Veronica nooit de deur uit doen, hoe braaf en ouderwets zijn altijd keurig uitgeschreven teksten misschien ook klonken. Tallozen hielden van hem en zijn [tweede] vrouw ‘tante Lilly’ en van hun hondje Robbie. Of ze nu oud waren of jong. Bij Frans Nienhuys leek van een generatiekloof geen sprake”.
 
 
Het repertoire van Frans Nienhuys bij Veronica
 
 
350 8 Ray Conniff
 
De herkenningsmelodie van ‘mijn programma’ (zoals Frans het zelf regelmatig en nadrukkelijk noemde) was ‘People will say we’re in love’ van Ray Conniff. In zijn eigen boek liet Nienhuys zich afbeelden terwijl hij in 1969 een toespraak hield bij het verstrekken van een gouden plaat aan James Last in het Hilton-hotel in Amsterdam. Ook zag je hem samen met artiesten als Willy Alberti en Max van Praag op de foto.
   Auke Kok maakte duidelijk dat zijn repertoire en presentatie ‘mijlenver van de Rolling Stones verwijderd waren’. “‘Men vraagt en wij draaien’ opende zomaar met een nummer van Pierre Kartner, zoals in november 1970 (‘Huilen is voor jou te laat’). Tien minuten daarna vulde Nienhuys het begrip jongerenstation geheel op eigen wijze in. ‘Hallo, jeugdige luistervriendjes, het is nu tijd voor jullie. Het plaatje dat ik voor jullie ga draaien is bestemd voor Ronnie Vreeswijk die gisteren jarig was. Met heel veel lieve wensen van zijn ouders en oma en van oom Dick’”.
   Kok: “Dan draaide hij iets van de nieuwe lp van de Leidse sleuteltjes, met daarop allemaal gezellige sinterklaasliedjes”.
   Veel muziek, aldus de auteur, ‘verwachtte je eerder in een supermarkt dan op een top 40 station’.
   Zeker in de jaren zestig was radio Veronica, mijns inziens, echter meer een familiezender dan een popstation. Het was een aansprekend mengsel van ‘top 40’, ‘de nieuwste hits’, ‘Nederlandse groepen’, ‘Nederlandstalige muziek’, ‘rhythm & blues’ en de favoriete muziek van jong en oud: “Men vraagt en wij draaien”.  Er was nog geen YouTube, geen Spotify, je hoorde je favoriete muziek, maar je moest wel wachten tot je aan de beurt was in het uitzendschema.
 
 
Afscheid van Frans Nienhuys
 
 
In zijn boek stelde Nienhuys expliciet dat hij door de directie van Veronica beter behandeld werd dan door de Vara. In 1973 vierde hij zijn vijftigjarig artiestenjubileum. “Onze fijne directeur Oom Bull Verweij heeft deze mijlpaal in mijn leven niet ongemerkt voorbij laten gaan. Op een zeer feestelijke bijeenkomst van alle medewerkenden reikte hij eerst Veronica-speldjes en cadeaus uit aan zijn mensen, die tien dienstjaren achter hun Veronica-rug hadden. Daarna heeft hij mij gehuldigd. Hij deed dat in bijzonder treffende en waarderende bewoordingen. En het feestgeschenk voor mij was wel bijzonder waardevol: een videorecorder!”
   Zo’n apparaat kostte enkele duizenden guldens in de winkel.
   Toen de zeezender moest stoppen, werden de mensen niet vergeten. Nienhuys: “Alle medewerkenden die in vaste Veronica-dienst waren – zowel in de binnen- als buitendienst (bemanning, technici en nieuwslezers) van ons zendschip en van de bevoorradingsschepen – kregen nog drie maanden hun volle salaris. Ik was freelance medewerker, maar ook ik werd niet vergeten door Oom Bull. Want evenals bij de Vara kreeg ook ik van hem een envelop met inhoud. Maar deze inhoud stond in schrille tegenstelling tot de inhoud van de Vara-envelop. Want ik kreeg toen, na bijna twintig jaren Vara-dienst, een envelop met drie briefjes van tien. Van Oom Bull kreeg ik voor dertien jaren Veronica-dienst een envelop met 1200 gulden”.
   Het zat de oude rot nog steeds hoog.
 
 
350 9 Bull Verweij
Bull Verweij
 
 
Na het verdwijnen van radio Veronica vond Nienhuys  met het programma ‘Café Chantant’ tijdelijk onderdak bij de Tros.
    “‘Men vraagt en wij draaien’ maakte alsnog zijn entree bij de landpiraat Radio Atlantis uit Rotterdam, die er in 1983 voor zorgde dat de stem van Frans Nienhuys in een groot deel van de Ranstad weer te horen was.
   Deze piratenzender werd uit de lucht gehaald op het moment dat Frans Nienhuys een aflevering van ‘Men vraagt en wij draaien’ had afgkondigd. Volgens de Radio Controle Dienst werd uit respect voor Frans Nienhuys niet tijdens het programma ingegrepen”, is op het internet te lezen. “In 1984 kwam Oom Frans met ‘Men vraagt en wij draaien’ nog een korte tijd terug op de Amsterdamse piraat Radio Atlantis”.
 
Een nieuw tijdperk was al lang begonnen. Maar in onze dagen geldt nog steeds dat je als goed functionerend radiokanaal een sterke band met je luisteraars dient te hebben.
 
Harry Knipschild
11 december 2018
 
Clips
 
 
Literatuur
 
Rob Out, Veronica een jaar later, Zeist 1975
Bram van Splunteren, ‘Einde van een tijdperk', Oor, 17 december 1975
Frans Nienhuys, Men vraagt en wij draaien!, uitgeverij Centripress, 1976
David Halberstam, The Fifties, New York 1993
Leo Boudewijns, ‘Een prachtmens op bezoek’, Aether, januari 1994
Arjan Snijders, Herinnert u zich deze nog, Soesterberg 2007
Auke Kok, Dit was Veronica, Amsterdam 2008
Olaf Tempelman, ‘Museum voor een piraat op leeftijd’, Volkskrant, 3 september 2016
‘Weer minder luisteraars voor NPO 3 FM’, Nu.nl, 24 april 2018
Mathijs van Eten, ‘Hoe het glazen huis zijn glans verloor’, Volkskrant, 24 september 2018
Timo Pisart, ‘Zendermanager Sharid Alles: 3FM moet weer alternatief worden in de breedste zin’, 3 voor twaalf, 12 oktober 2018