Zoeken


 
In februari 2009 trokken Greetje en ik in een groep van Koning Aap door het zuiden van India. Rik Jonkers was onze begeleider. Vanuit Chennai (het voormalige Madras) reisden we per bus door de deelstaat Tamil Nadu langs de oostkust naar Mamallapuram, Auroville en Pondicherry. En daarna, op 11 februari, in westelijke richting het binnenland in.
   We kwamen nu in een gebied waar de katholieke missie zich al vierhonderd jaar manifesteerde. Bij het verdrag van Tordesillas (1494) werd de wereld door de Kerk in twee helften verdeeld, het Spaanse en Portugese. Vanuit Lissabon begaven de Portugezen, die de moslims in de vijftiende eeuw uit hun land hadden weten te verdrijven, zich per zeilschip naar Azië om er het ware geloof te verkondigen.
   Goa op de westkust van ‘India’ werd hun centrum. Van daaruit trokken de Jezuieten verder naar het oosten tot in Japan toe. Franciscus Xaverius, later opgebaard in Goa, was hun voorman. Maar met name Roberto de Nobili (1577-1656) maakte zich sterk in het land van de Tamils. Madurai werd het centrum van zijn missionaire activiteiten. De aanpak van De Nobili kun je vergelijken met die van mede-Jezuiet Matteo Ricci (1552-1610) in China: de taal leren en je zoveel mogelijk aanpassen.
 

 

Aankomst in Trichy

 
Op 11 februari 2009, aan het einde van de dag, arriveerden we in Tiruchipalli, dat meestal Trichy wordt genoemd. We logeerden in hotel Femina, Williams Road 109. Evenals overal elders liepen de koeien vrij over straat. Het verkeer en de mensen moesten zich maar aanpassen aan de dieren. Was dat niet vervelend vroeg ik onze reisbegeleider, die veel meer ervaring in het land had dan ik.
   Rik vertelde dat de koeien in werkelijkheid helemaal niet ‘wild’ waren. “Ze zijn allemaal eigendom van iemand. Die houdt precies in de gaten wat ze doen”.
   Een ander punt van discussie in de groep tijdens de maaltijd ’s avonds was het kastenstelsel. We waren nu vier dagen in India. We hadden er echter nog niets van bemerkt. Formeel, wettelijk, was het stelsel al een aantal jaren afgeschaft. Volgens Rik was het in werkelijkheid echter nog springlevend. ‘India’s verborgen apartheid’, dat was een van de kreten die ik vond toen ik er later over ging lezen.
 


Heilige koe loopt ongevraagd eetstalletje binnen

 

Tempels, commercie en lawaai

 
Trichy stond bekend als hindoeïstische tempelstad. Maar het ‘heilige’ van al die tempels betekende niet dat de stad gevrijwaard was van commercie. Het tegendeel was zelfs het geval. Vrouwen liepen er rond met een enorme vracht aan koopwaren op hun hoofd. Gigantische reclameborden in felle kleuren schreeuwden je overal tegemoet. Producten en diensten van Vodafone, Tata Indicom, Tata vrachtauto’s, Indian Bank, India Oil, Bahrat Petroleum, Bata, Aircel, Castrol en andere merken moesten aan de man gebracht worden.
   Er werd trouwens niet alleen reclame gemaakt voor de prestaties van de industrie. Vanuit de bus zag ik de ‘World of Christ Book Center’, een katholieke kruisweg in de open lucht, waarbij de verschillende staties van glazen bescherming waren voorzien, een ‘Test Tube Baby Center’ en een ‘Guru Medical Health Center’.

 
Behalve lawaaierige reclame langs de weg was het verkeer zelf evenmin geruisloos. Bij vrijwel alle gele taxis op drie wielen (merk Bajaj), auto’s en vrachtauto’s was aan de achterkant de opdracht ‘Sound Horn!’ in duidelijke letters aangebracht. Je moest van je deelnane aan het verkeer getuigen door steeds op je claxon te drukken. Als je dat niet deed was je direct aansprakelijk als er iets fout ging.
   Het gevolg liet zich raden. In Nederland wordt er naar gestreefd het verkeer zo geluidloos mogelijk te laten plaatsvinden. In het gebied waar wij in 2009 doorheen trokken was sprake van het tegenovergestelde.
 

Aan het water van de Kaveri-rivier

 
De bus zette ons op 12 februari in eerste instantie af bij de Kaveri-rivier. Zwemmen in het water was een aantrekkelijke bezigheid in een gebied waar de thermometer zonder ophouden temperaturen van boven de dertig graden celsius aangaf. Vroeg in de ochtend waren er dan ook al heel wat badgasten. De lucht was blauw en het was wel zeker dat het wederom een hete februari-dag zou worden.
 

 
Het zwemmen in de Kaveri was echter niet zonder risico. Op een groot bord waren, ook in het Engels, woorden als ‘Dangerous!’ en ‘Caution!’ aangebracht. Voor wie dat nog niet voldoende was werd het gevaar nader omschreven met ‘Whirlpool Water’ en ‘Quicksand ahead’. Voor wie helemaal niet kon lezen had men een tekening aangebracht van een man die bijna in het drijfzand verdwenen was en zijn handen nog omhoog wist te steken. Voor alle zekerheid was er nog een doodskop bij afgebeeld.
 
Op de plaats van het vermaak en mogelijk onheil was nog meer te beleven. Koning Aap omschreef het als volgt: “Je hebt tijd om de Sri Ranganathar Swamy-tempel te bezoeken. Dit tempelcomplex – kortweg Srirangam genoemd – ligt op een eiland in de Kaveri en is misschien wel het grootste van India. Bij de trappen naar deze rivier komen pelgrims om zich te wassen en/of een eredienst te laten doen voor hun voorouders door de aanwezige priesters”.
   Het complex was een en al bedrijvigheid. Het leek soms meer een bedrijf dan een tempel. Ik moest dan ook aan de tollenaars denken die – zo is in het nieuwe testament te lezen – door Jezus aan de kaak gesteld werden.


Om de tempel binnen te komen (en later weer te verlaten) moest je nogal wat bedelende mensen, met uitgestoken handen, passeren. Binnen waande je je in een bazaar. Er was van alles te koop. Veel van wat er aan de man gebracht werd bestond uit offergaven. Bloemen bijvoorbeeld – en allerlei soorten fruit. Buiten, niet ver van de rivier, zat een groep mannen in spaarzame kledij. Hun bovenlichaam was meestal ontbloot. Op mij maakten ze een nogal sjofele indruk. Ik werd er echter op attent gemaakt dat dit priesters waren, brahmanen, leden van de hoogste Indiase kaste.
 

Ritueel van zegening

 
Zo’n brahmaan zat in kleermakerszit gewoon op de grond, niet eens op een kleedje. Op een doek, die hij voor zich uit had gestald, bevond zich een wirwar van hetgeen ik, barbaarse westerling, met ‘prullaria’ zou omschrijven. Verfrommelde plastic zakjes, potjes van plastic en ander goedkoop materiaal. De priester maakte echter een uiterst zelfverzekerde indruk.
   Ik hield stil bij een familie die aan de andere kant van het doek bij een brahmaan plaatsnam. De mensen hadden waarschijnlijk eerder een aantal tempeltjes in het complex bezocht. Iedereen had strepen van as (het product van verbrande mest van een heilige koe) op het lichaam. Heel devoot riep de familie de hulp van de brahmaan in.


Het zag er naar uit dat een geestelijk gehandicapte jongen als ‘pelgrim’ door zijn ouders naar deze tempel gebracht was. Van dichtbij was het mogelijk redelijk onopvallend een ritueel van ‘zegening’ gade te slaan. De pelgrims boden een schoteltje aan met daarop kokosnoten, bananen en bloemen, die elders in het complex waren aangeschaft. Dat was echter niet voldoende, liet de geestelijke weten. Er moest ook geld komen, dat was voor iedereen duidelijk.
   De ouders legden vervolgens twee bankbiljetten op het schoteltje.
   Met lichaamstaal maakte de priester duidelijk dat hij meer wenste om aan de religieuze wensen van de familie tegemoet te komen.
   De familie tastte opnieuw in de buidel.
   Na enige tijd was de geestelijke tevreden met het gebodene. Vervolgens speelde zich een ritueel af waarvan de betekenis en details mij, westerling, ontgingen. Er werd water te voorschijn gehaald en uitgegoten over ieder lid van de familie. De jonge pelgrim kreeg een touw om zijn hals en om zijn vingers. Zijn hand werd gelezen. Er werd gepreveld. De brahmaan strooide graankorrels uit. En toen was de plechtigheid (voor mij) onverwacht afgelopen. Iedereen was tevreden.
   De familie was niet voor niets naar het tempelcomplex van Trichy gekomen.
 


Brahmaan in functie


 
Elders zag je mensen bidden en kaarsjes offeren. In de rivier, op enige afstand, waren de mensen aan het baden. Tussen alle neringdoenden en bedelaars door liepen we naar buiten. We passeerden een andere tempel met prominent daarin het zwarte beeld van een koe. De bus zette ons op een andere plek in het grote tempelcomplex af.
 

Tempelstad

 
“De hoofdtempel is gewijd aan [de god] Vishnu”, meldde Koning Aap, “waaromheen een aantal muren is gebouwd met fijnbewerkte ‘gopurams’ oftewel tempeltorens. De ruimte tussen de buitenste vier muren wordt in beslag genomen door een levendige markt. Het is heerlijk om hier – bijvoorbeeld onder het genot van ‘chai’ [thee] – het straatleven en de pelgrims gade te slaan. Bij de vierde muur moet je je schoenen achter laten en niet-hindoes mogen dan nog tot aan de zesde muur. De Srirangam-tempel verkeert in een zeer goede staat en heeft schitterende snijwerken”.
   Alvorens de tempelstad binnen te gaan moest je inderdaad door een hoge poort, waarop allerlei zeer kleurige hindoe-motieven waren aangebracht. Direct boven de doorgang zag ik bijvoorbeeld een godheid die overeind stond te bidden maar eruit zag als een muis met een lange staart. De ‘muis’ had de handen devoot gevouwen. Een leeuw keek van een hogere plek toe. Daar weer boven een hindoegod (of godin) met vier armen. En dat was nog maar een minuscuul fragment van een toren die tientallen meters hoog was en alle kleuren van de regenboog liet zien.
   In dat kader was het niet verwonderlijk dat de architecten (Strapathi Sivaprakasam, Temple Architect Associates, met telefoonnummers erbij) een reclamebord hadden laten aanbrengen. Met dit bureau, leek de boodschap, kon je prachtige hindoe-tempels laten bouwen en/of in stand houden.


Binnen het tempel-complex liep je gewoon door een winkelstaat – de Haarlemmerstraat van Trichy. Je kon er Indiase jurkjes  kopen of wat dan ook. Er werd brood gebakken. Flesjes water werden te koop aangeboden. Op de dop was de datum van verpakking vermeld en de prijs, zodat je niet meer voor het drinkwater betaalde dan nodig was.
   Op een paal was een personeels advertentie (alleen in het Engels) geplakt: “Wanted, part time or full time, female, male. Insurance agent, housewife, retired, college students. Contact 99.44.44.22.84”.
 


Toren in tempelcomplex

Rituelen in de tempelstad
 

In een van de tempels van het complex bevond zich een grote vierkante paal. Een vrouw liep rondjes om de paal en raakte die na elk rondje bewust aan. Ze glimlachte er soms bij en ging dan weer door. Een paar tempeltjes verder zag ik hetzelfde tafereeltje - maar nu een grote familie, een man of vijftien. Er werden bananen en kokosnoten geofferd. Bij de paal hing een bel die je kon luiden. Dat gebeurde bij elk ‘rondje’. Ik keek de persoon die aan de bel trok recht in de ogen. Hij keek terug met een soort van vrolijke en tegelijk hulpeloze blik. “Ik doe ook maar mee”, zo kwam het althans op me over. Een andere lid belde met zijn mobieltje terwijl hij zijn rondjes afwerkte.
   Een collectebus, naast de offerplek opgesteld, ontbrak nergens – zoals gebruikelijk in religieuze gebouwen waar ook ter wereld. Je moest bovendien in elk geval een paar rupees betalen aan iemand die paste op de schoenen die je verplicht was achter te laten. Het meenemen van een fotocamera bracht twintig rupees op, een filmcamera een veelvoud ervan. Het bezoeken van een uitzichtstoren verhoogde de inkomsten/uitgaven nog verder.
   Binnen in een tempel hing een groot bord met de dienstregeling. Op welk tijdstip van de dag kon je offeren en wat waren de tarieven ervan. De prijzen varieerden van 10 tot zelfs 3.000 rupees (20 eurocent tot ongeveer 50 euro).
   In allerlei boekjes, die ik gelezen had, werd uitgelegd dat het hindoeisme niet zozeer een zaak van geloven was, maar van doen, van rituelen. Als ik daar nog aan zou twijfelen, dan was daar met het bezoek aan dit complex een einde gemaakt.
 


Ritueel rond de paal met bel (rechts boven)

 

Dagopening in de tempel

 
In een tempel was voor twintig rupees een boekje uit 2006 te koop waarin Jeanine Auboyer niet alleen de geschiedenis ervan optekende maar ook de dagelijkse rites beschreef. Niet-hindoes mochten veel van die rituelen overigens niet zien.
   “De tempel is elke dag vanaf ’s morgens zes uur tot drie uur in de middag open. Om zes uur ook beginnen de priesters en het personeel met hun taken. Een koe en de tempel-olifanten worden bij het heiligdom gebracht. Ze worden zo opgesteld dat ze elkaar aankijken terwijl ze bovendien uitzicht hebben op de heilige plekken. Priesters dragen een voorraad heilig water aan en gieten het uit in vaten die in het heiligdom zijn opgesteld. De deur van het heiligdom wordt ’s nachts gesloten. Na de opening in de ochtend wordt alles grondig schoongemaakt. De lampen worden voorzien van nieuwe olie en pitten. Het gordijn, dat het allerheiligste van de buitenwereld afschermt, blijft nog omlaag hangen.
   Tijdens de voorbereidingen maakt de verantwoordelijke priester de god wakker met zijn gezang en de muziek van een vina [een soort citer]. Vervolgens geeft hij een teken. Het gordijn gaat omhoog en [het beeld van] de god begint de dag met een meditatie. Daarna gaat het gordijn weer omlaag terwijl de koe en de olifanten worden weggeleid. De astronoom van de tempel neemt plaats vóór de godheid. Hardop leest hij de sterrenkundige tekens die voor deze en de volgende dag bestemd zijn”.


Het boekje, dat al aan zijn zesde druk toe was, gaf tevens inforrmatie over de dagelijkse pujas, het brengen van de offers. “Het ceremonieel is al vele eeuwen onveranderd gebleven. Zo gaat het toe in vrijwel alle tempels die aan Vishnu toegewijd zijn. In het allerheiligste wassen de geestelijken de tanden, de handen en de voeten van de godheid. Met het hete heilige water dat de brahmins hebben meegebracht gaat de god in bad. Hij wordt gezalfd met ghee [boter] en afgedroogd met poeder van saffraan. Pasta van sandelhout wordt op zijn borst en voeten gesmeerd. Tenslotte worden hem droge en schone kleren aangetrokken. Op zijn voorhoofd wordt zijn heilige teken aangebracht. Dan wordt hij nog met juwelen en slingers van verse bloemen toebedekt, terwijl musici de vina bespelen”.
   Hindoe-goden kunnen niet op een lege maag functioneren, maakte Auboyer duidelijk. “The god’s meal is placed by brahman cooks in baskets which have come from the temple kitchens. Meanwhile torches are lit”.
   Een versnapering in de vorm van drugs (betel, sirih) bleef niet uit. “The god is then offered quids of betel and areca-nut and his mouth is again washed symbolically”.
   Wat zouden hindoes vinden van onze christelijke rituelen als ze die in het westen tijdens een rondreis meemaken, dat vroeg ik me af. En wat zou er in de hoofden van missionarissen, Jezuieten als Roberto de Nobili, zijn omgegaan toen ze vanuit het katholieke Europa in Trichy getuige waren van een totaal andere soort religie? Met andere woorden, wordt wat je als ‘normaal’ beschouwt niet grotendeels bepaald door de omgeving waarin je grootgebracht bent?
 

Olifanten actief in het tempelcomplex

 

Geschiedenis van Trichy uitgebeeld (nr. 18), 2008

 
Binnen het tempelcomplex waren recentelijk nieuwe schilderijen opgehangen die samen het scheppingsverhaal uitbeeldden, althans zo leek het. Buiten was een grote houten strijdwagen opgesteld die volgens onze reisbegeleider slechts één keer per jaar werd voortgetrokken – maar dan wel door olifanten en met veel trommels en muziek.
   Westerse ingetogen stilte vond ik nauwelijks terug bij de hindoes van India. Dat bleek nog eens bij het verlaten van deze tempel. “Bij het verlaten belandden we in een kleutige en lawaaierige processie. De muziek was een kakofonie van geluiden. Een olifant liep voorop. Vrouwen hadden grote potten (met voedsel?) op hun hoofd”, noteerde ik ter plekke.
 
In deze heilige stad Trichy bezochten we nóg een tempel, de Sri Jambu Keshwara. Een lid van onze Koning Aap-groep had vernomen dat er elke dag om twaalf uur ’s middags een priesterdans was. Toen we er binnen naar vroegen werden we naar een plek geleid waar feitelijk alleen hindoes naar binnen mochten gaam.
   Na enige tijd arriveerde een beschilderde olifant, met een trommelaar en een man die een blaasinstrument bespeelde. Erachter liep nog wat aanhang. De olifant trompetterde drie keer. De muziek ging nog enige tijd door op deze heilige hindoe-plek.
   De olifant mocht nu niet meer bewegen. Hij stond volkomen stil, met uitzondering van zijn staart. Die bleef omstandig reageren op het ritme en de muziek. Na de ‘dienst’ werd de olifant terug geleid naar de ingang van de tempel. Het was een zindelijk dier. Keurig trok het zich terug om elders iets te ‘produceren’. En daarna nam de olifant waardig zijn positie opnieuw in.
   De mensen werden nu in staat gesteld een muntje in zijn slurf te leggen. Als ze dat deden werden ze door het logge dier op het hoofd gezegend. Commercie en religie gingen ook in Trichy hand in hand.
 


Gezegend door de olifant

 
Harry Knipschild
11 november 2015
Wordt vervolgd

Clips

* Brits bezoek aan Trichy in 1928
* Trichy en omgeving in 1945
* Srirangam-tempel, 2010
* Processie in Trichy, 2012
* Hindoe-festiviteten in tempelcomplex Trichy, 2013
* Gezegend door olifant, Trichy, 2014
      
     
Literatuur
Jeanine Auboyer, Sri Ranganathaswami. A temple of Vishnu in Srirangam, 2006

Foto's: Margaretha Suman