Zoeken

 

In 2007 maakten Greetje en ik een reis door grote stukken van Iran, het voormalige Perzië. Vier weken lang trokken we met een klein groepje mensen rond in een modern busje. Het was soms even wennen in zo’n andere omgeving. Je zag symbolen waar je aanvankelijk maar weinig van begreep.
   De Belgische vrouw die ons namens Koning Aap begeleidde was in een laat stadium gechartered. Ze kon ons daarom niet alles uitleggen. Maar door te praten met mensen op straat kwam je een en ander te weten. Het was werkelijk opvallend hoe goed Engels er gesproken werd.
 
 
Borden en beelden langs de weg
 
 
Elke plaats, elk dorp, waar we doorheen reden begon vanaf de doorgaande route met een rotonde. Daarop waren niet alleen de portretten van Khomeini en Khamenei (en soms andere geestelijken) te zien, maar vooral ook beelden en foto’s van jonge mannen. Die waren regelmatig in groenbruin militair tenue, soms ook gewapend en voorzien van symbolen als opvliegende duiven en/of vlinders. Onze chauffeur had eveneens kunststof-vlinders voor het raam van de bus opgehangen.
   De afbeeldingen gingen me tijdens de tocht steeds meer intrigeren. Toen ik er bij de reisbegeleiding naar vroeg, kreeg ik als antwoord dat het waarschijnlijk plaatselijke politici waren. Maar die benadering kwam me uiterst onwaarschijnlijk voor. Ik bleef dus doorvragen en de chauffeur gaf uitleg.
   Het waren de portretten van jonge soldaten die gevochten hadden in de oorlog met Irak, die in de jaren 1980-1987 in alle hevigheid gewoed had. De militairen hadden het land eerst moeten verdedigen en als ze dan nog in leven waren hadden ze Irak moeten binnenvallen. Irak was de grote vijand, maar ook andere staten. Want in die tijd was iedereen tegen het revolutionaire Iran waar zoveel mensen op bevel van de shiïtische geestelijken zonder (behoorlijke) rechtsspraak omgebracht waren.

De Amerikanen, van wie de ambassade door revolutionaire gardisten bezet was en de diplomaten in gijzeling werden gehouden, waren de grote vijand. Geen wonder, bedacht ik, dat vrijwel de hele westerse wereld, en zeker de Amerikanen, in die tijd meer sympathie voor Saddam Hoessein had dan voor ayatollah Khomeini en zijn met harde hand verworven onderdanen. De vijand van je vijand is nu eenmaal je vriend, zolang het van pas komt.
 
 

Rotonde in Fuman
 
 
De ayatollahs verklaarden dat alle Iraanse slachtoffers van de oorlog automatisch martelaren werden en dus rechtstreeks naar het paradijs zouden gaan. Duidelijk werd dat de vlinders en vogels die de martelaren vergezelden aangaven dat de weg van de gesneuvelden omhoog ging, naar een plek waar ze beloond zouden worden met allerlei aantrekkelijks. De portretten van de vroegtijdig overleden jongelui waren dan ook voorzien van de goedkeurende blikken van imam Khomeini en (meestal iets kleiner) imam Khamenei.
   De suggestie werd nadrukkelijk gewekt dat de bevolking trots was op de zonen die voor de goede zaak gesneuveld waren. De eretekens – daar viel niet aan te twijfelen – moesten op z’n minst met instemming van hogerhand neergezet zijn. De oorlog met Irak, hoe vreselijk ook, had de geestelijken in staat gesteld allerlei maatregelen te nemen zodat de revolutie bestendigd kon worden. Wat was er heerlijker dan op zo’n moment een buitenlandse vijand als Saddam Hoessein te hebben? In 2007 was het ongeveer twintig jaar geleden dat de oorlog beëindigd was. En toch waren de portretten (nog) volop aanwezig. De oorlog met Irak werd springlevend gehouden.

Langs de kant van de weg zagen we niet alleen borden, doeken of muurschilderingen met de ‘martelaren’ maar tevens groene metalen borden met daarop teksten, niet in het Iraans (Farsisch) maar in een ander schrift, het Arabisch. Een van onze reisgenoten, een Vlaming, was Arabist en op mijn vraag vertelde hij dat het korte spreuken uit de koran waren of gewoon ‘Allah is groot’.
   Spreuken of woorden in die trant trof je bovendien regelmatig aan op vrachtauto’s, autobussen en personenauto’s. In een aantal gevallen was de tekst tevens in het Engels. ‘God’, ‘Remember God’ en woorden van die strekking waren voortdurend zichtbaar op de ons tegemoet komende en voor ons rijdende voertuigen. Om de teksten kracht bij te zetten vond je boven de cabine van menige vrachtwagenchauffeur nog wel eens een portret van imam Ali – met of zonder zwaard.  Voor de plaatselijke bevolking had die imam waarschijnlijk een positieve uitstraling, voor mij als westerling kwamen de portretten van een man met vurige ogen, baard en zwaard meer als een bedreiging over.

 
 

Onderweg moest het busje regelmatig halt houden. Politie in het wit met verrekijkers en (waarschijnlijk) radar-apparatuur hield het verkeer nauwlettend in de gaten. Veel voertuigen die we zagen rijden leken overigens in niet al te beste staat te zijn. Als in dit land de Nederlandse keuringen uitgevoerd zouden worden waren er hoogstwaarschijnlijk heel wat minder auto’s en vrachtauto’s op weg. Hier gold blijkbaar vooral het motto: “Alles wat nog rijden kan rijdt”.
   Bij een politiepost haalde de chauffeur het ronde tachograaf-schijfje vanachter zijn klok te voorschijn, pakte al zijn papieren en meldde zich. Het tafereel van stricte politiecontrole herhaalde zich een aantal keren per dag. Controle was er trouwens niet alleen door de politie in het wit. Op onze reis door Iran passeerden we regelmatig militaire terreinen waar soldaten in groene kledij met het geweer in de hand voor de ingang en in wachttorens aanwezig waren. Af en toe zagen we bovendien exercerende soldaten. Die uitstraling ervoer ik niet altijd als vriendelijk.

 
Het strandleven
 
 
Op maandag 30 juli 2007 bezochten we een stuk strand bij Astara aan de noordwestelijke oever van de Iraanse kant van de Kaspische Zee, 35 meter onder de normale zeespiegel. We bevonden ons niet heel erg ver van de grens met Azerbeidzjan. Het strand was in drie duidelijk onderscheiden delen opgesplitst. Een gedeelte was voor de mannen, het middenstuk gemengd (vrouwen ook hier met zwarte hoofddoek) en het laatste gedeelte, afgescheiden door een lang, behoorlijk hoog, wit en ondoorzichtig stuk tentzeil, was alleen toegankelijk voor vrouwen. Ik hield een vinger in het zeewater en constateerde dat het nauwelijks zout was.
   In het middenstuk van het strand was plaats gemaakt voor een gebedsruimte in de vorm van een open tent. Ik zag hoe een man met zijn kleedje in zuidwestelijke richting (ongetwijfeld richting Mekka) plaatsnam en daarna het rituele moslimgebed uitvoerde. In Nederland heb ik nooit iemand op het strand zien bidden.
   Met een andere man van de groep, voorzien van horloge met hoogtemeter, liep ik het gemengde strand op. We werden redelijk enthousiast ontvangen door politiemannen die, gewapend met dienstpistolen, handboeien en wapenstokken in de weer waren.
   Bijna een dozijn agenten was aanwezig op een stukje strand waar ongeveer honderd personen in het zand lagen of in het water zwommen. Ze begroetten ons uitvoerig en nodigden ons uit een kopje thee met suiker bij hen op de politiepost (een strandhuisje in de open lucht) te komen drinken. Helaas konden ze niet veel meer uitbrengen dan de namen van Nederlandse voetballers als Van Basten en Gullit (‘Goellit’).
   Eén van hen wist ons nog duidelijk te maken dat hij een landgenoot kende die als arts in Amsterdam werkzaam was. Voor de rest lachten ze met ons. Ze vonden het blijkbaar interessant met buitenlanders aan tafel te kunnen zitten. Terwijl we elkaar uitbundig groetten was ik in de gelegenheid goed te constateren dat de mannen stevig bewapend waren. Waarom was me overigens niet duidelijk. Waren ze er om zorg te dragen dat de hier geldende (islamitische) fatsoensnormen gehandhaafd bleven? 
   Van mijn reisgenoot vernam ik dat de staten om de Kaspische Zee, waar we ons nu bevonden, al jaren met elkaar overhoop lagen over de vraag of de Kaspische Zee een echte zee was of een meer. In het gebied werd olie gewonnen. Als het een meer was moest het wateroppervlak gewoon verdeeld worden onder de aangrenzende staten. Als het een zee was gold misschien wel de wet van Hugo de Groot (‘mare liberum’) voor kustgebieden.
   Een paar weken eerder hadden in de Tehran Times allerlei berichten gestaan over een conferentie in Teheran van de aan de Kaspische Zee grenzende landen en het was nog steeds onduidelijk hoe die was afgelopen. Op 17 juni 2007 plaatste die Engelstalige Iraanse krant een artikel waarin de ‘leader’ van het land, Khamenei dus, verklaarde dat de culturele en religieuze verbondenheid van Iran en Turkmenistan, en Irans strategische positie in de regio, een goede basis vormden voor het verbreden van de banden tussen de twee landen, speciaal op het terrein van gas en olie. “Muslims freely shared their scientific accomplishments with others, and the West owes its progress to those teachings”, aldus leider Khamenei in de krant. President Ahmadinejad, assistent van de geestelijk leider, had het genoegen aanwezig te mogen zijn bij het topoverleg tussen Khamenei en Gurbanguly Berdymuhammedov, de president van Turkmenistan.
   De vrouwen van ons gezelschap hadden intussen een kijkje genomen op het damesgedeelte van het strand. De verplichte hoofddoeken waren er afgegaan, hoorde ik bij hun terugkomst. Bovendien gingen Iraanse vrouwen soms zelfs zonder badpak te water. Van eventuele schoonheid bleek weinig overgebleven te zijn, rapporteerden de vrouwen aan de achtergebleven mannen in het westerse gezelschap. De meeste Iraanse dames waren veel te dik. Toen ze zich na het zwemmen weer aankleedden was pas goed te constateren hoeveel kleren ze over elkaar aantrokken om in het gewone leven aan de fatsoensnormen ter plekke te voldoen. Maar liefst twee broeken over elkaar bijvoorbeeld.
   Op het vrouwenstrand, werd me gemeld, waren enkele ‘kenaus’ om de zaak goed in de gaten te houden. Ze hadden dan ook weten te voorkomen dat de bezoeksters uit Nederland foto’s van de Iraanse badende vrouwen konden maken, hetgeen ze overigens niet van plan waren geweest. Het uitzicht was te schokkend om en public te tonen.
   Het vrouwenstrand bleek bij nader onderzoek onderdeel te zijn van grootse plannen van hogerhand. “Iran has partitioned parts of its southern and northern beaches as women-only zones where women can legally remove their headscarves and overcoats. In some cities, there are also special women parks”.
   De regering had tevens besloten een eiland vrij van mannen te maken, was in het voorjaar van 2007 bekendgemaakt. “Iran is seeking to create a paradise for female tourists by turning an island on a northwestern lake into male-free zone. All public transport, restaurants and facilities on the island – on the gigantic Oroumiyeh Lake close to the Turkish border – will  be staffed only by women. The island of Arezou (Wish), one of the 102 islands in the Oroumiyeh Lake, will be equipped especially for women.
   The construction of hotels, small restaurants and medical centers under the management of women is one of the specifications for this island, which is the first such in the country. The initiative has even been cleared by supreme leader Seyyed Ali Khamenei’s provincial representative, who declared that a women-only island is not against islamic law”.

 
Geen blik op het vrouwenstrand
 
 
De bergen in
 

Het busje bracht ons die middag naar Ardabil in het noordwesten, niet ver van de Kaspische Zee, waar we het bijzondere strandleven hadden mogen meemaken. De weg voerde ons de bergen in. We begonnen onder de zeespiegel maar het duurde niet lang of we zaten al op een hoogte van 1540 meter. Langs de snel omhoog gaande weg werd in stalletjes overal honing in potjes verkocht. We gingen nog een stukje verder de hoogte in. Op 2.000 meter vond onze chauffeur een plekje om te lunchen. We mochten gebruik maken van een overdekte picknick-ruimte. Voor een paar duizend riaal (een halve euro) gaf de eigenaar ons toestemming er plaats te nemen met de gedroogde abrikozen, noten, bananen en ander voedsel dat we in een dorpje onderweg zelf hadden aangeschaft.
   Vanaf die hoge plek keken we uit op een aantal forten die door militairen bemand werden. Dat leek niet onlogisch zo dicht bij Bakoe in Azerbeidzjan. We zagen bovendien een militair vliegveld.
   Azerbeidzjan was tot 1989 een onderdeel van de Sovjet-Unie. De Amerikanen hadden vóór de Iraanse revolutie van 1979 aan de noordkant van Iran radarstations opgesteld zodat ze in het tijdperk van de Koude Oorlog vanuit het land van de toenmalige bondgenoot Perzië in staat waren de Sovjet-Unie te bespioneren. De Sovjet-Unie had op allerlei plekken kernwapens opgesteld. Het tamelijk vreedzaam uitziende gebied waar onze bus nu doorheen reed was misschien wel een plek waar de vijanden van weleer elkaar in de gaten hadden gehouden, bedacht ik op die hoog gelegen plek.
   Onze chauffeur liet de tank van het busje regelmatig bijvullen, zoals ook nu weer hoog in de bergen. Dat gaf mij gelegenheid een stukje terug te lopen om een foto te maken van het bord dat de naam van de enige autoweg in het gebied aangaf: ‘Martyr Dadman Highway’, met daarbij een grote foto in kleur van de soldaat die gesneuveld was. In Nederland worden wegen met nummers aangeduid, in Iran – in elk geval op deze plek – met een martelaar.
   Terwijl ik de foto maakte kwam er een militair in legeruniform op me af rijden. Dat gaf géén aangenaam gevoel. De soldaat sprak geen woord Engels en keek me langdurig en doordringend aan. Ik beduidde hem enkele keren dat ik een ‘toerist’ was en dat ik hoorde bij de ‘bus’ die enkele honderden meters verder volgetankt werd. De gewapende militair in legergroen bekeek me nog eens en reed verder. Ik liep terug naar het witte busje. Wij vervolgden weldra onze weg naar Ardabil.
   Ik was niet de enige die tijdens de reis door het immens grote land (met een oppervlakte van Frankrijk en Duitsland samen), gefascineerd werd door de Iraanse aandacht voor martelaren. Na terugkomst in Nederland vond ik een Iraans reisboek, in 2005 geschreven door Christopher de Bellaigue. Het was gepubliceerd onder de titel In the rose garden of the martyrs. A memoir of Iran.
   Iran, een land van ‘martelaars’.

 
 
 
Ardabil
 

Ardabil (letterlijk: ‘heilige stad’) met ruim 350.000 inwoners wekte associaties met Almere en Zoetermeer. De stad was vaak slachtoffer geweest van invallen, zoals van de Hunnen, Arabische moslims en Mongolen. Na de revolutie van 1979 was Ardabil in hoog tempo uitgedijd en de meeste huizen moesten recent gebouwd zijn. De bus hield stil bij het Mahdi-hotel, genoemd naar de twaalfde imam, die volgens de shiïeten verdwenen was en op wiens terugkeer zij al vele eeuwen wachtten. Sommige aanhangers van Khomeini zagen in de komst van de ayatollah uit de omgeving van Parijs (1 februari 1979) een teken dat de mahdi eindelijk teruggekeerd was.
   Vanuit het hotel liepen we in rechte lijn over een brede boulevard naar het centrale punt van Ardabil: het mausoleum van sheik Safi ad-Din, de legendarische stichter van het rijk van de Safaviden.
   Safi (1252-1334) was een soeniet, een soefi. De Safaviden hadden hun hoofdstad regelmatig verplaatst of moeten verplaatsen als gevolg van de oorlogen die ze met het Ottomaanse rijk voerden en waarbij ze af en toe flinke klappen kregen. De eerste Safaviden, vernam ik, waren geestelijken maar geleidelijk aan kregen ze steeds meer belangen als wereldlijke heersers. Moslims hoorden niet onder elkaar te vechten. Om dat toch te kunnen doen besloten ze de lijn van het shiïetendom te kiezen zodat hun aanhangers de Ottomanen als vijand konden beschouwen en zo ze sneuvelden als martelaar om vervolgens het  paradijs binnen te gaan. Het geloof van de Safaviden was dus door het spel van de macht en de oorlogskansen ingegeven. Tenslotte werd Isfahan (1598-1722) de hoofdstad van het Perzisch-Safavidische rijk. Later nam Shiraz die rol van Isfahan over.
 
 
Een ‘dissident’ in Ardabil
 

Terwijl we in de richting van het mausoleum liepen sloot zich een man, 37 jaar oud, bij mij aan. Hij wilde graag met me praten zei hij. Vanuit ons gezelschap werd mij gemaand de jongeman achter te laten en door te lopen. Al pratende kreeg ik echter van alles te horen wat ik interessant vond. Hij vertelde dat hij in Ardabil geboren en grafisch ontwerper was. De man was in Ardabil om na vele jaren weer eens zijn geboortehuis te bezoeken en logeerde bij zijn zus. Hij nodigde mij meteen uit om die avond bij hem op bezoek te komen. Niet al zijn ontwerpen, hoorde ik, waren door de censuur gekomen. Dat frustreerde hem behoorlijk. Misschien was hij om die reden wel ‘dissident’ geworden.
   Ik maakte van de gelegenheid gebruik om hem wat vragen te stellen. Overal in Iran zagen we blauw-gele metalen ‘brievenbussen’ op een paal, met handen en een persoon die kinderen beschermend vasthield. Wat was toch de betekemis, de bedoeling van al die bussen?
   Ze zeggen, zei hij meteen op een verontwaardigde toon, dat het geld dat de mensen erin stoppen voor arme mensen bedoeld is. Maar dat was helemaal niet waar, wist hij. Al het geld was uitsluitend bestemd voor terroristische groepen in Libanon en elders. Een tijdje later vroeg ik het hem voor alle zekerheid nog eens nadrukkelijk en kreeg ik precies hetzelfde antwoord.

 

'brievenbus'
 
 
Ik stelde hem een tweede vraag: Wat betekende het embleem dat op de Iraanse vlag te zien is. Om mij een goed antwoord te kunnen geven, vroeg hij mij of hij mijn blocnote even mocht lenen. Hij tekende mij het embleem van de sikhs in India. Volgens hem had president en ayatollah Rafsanjani (r. 1989-1997) dat overgenomen om er een gestileerde vorm van Allah van te maken. Sinds die tijd werd het algemeen gebruikt in de vlag en ook op andere plaatsen. Vroeger had de Iraanse republiek een ander wapen in de vlag, een leeuw met het zwaard van imam Ali (ong. 600-661) legde hij uit. Dat was een verbetering van het zwaard van de Arabische moslims, maar nog niet zo effectief als het zwaard dat de islamitische Perzen later ontwikkelden. Die konden in een klap een einde aan je leven maken.
 
Intussen waren we bij het mausoleum van de stichter van de Safaviden aangekomen. De man wees me op het woord Allah dat op de kleurige tegels buiten was aangebracht. In Arabië waren er in de dagen van Mohammed vier soorten aanbidders van stenen beelden, zei hij aan de hand van de tekeningen in mijn notitieboekje. Die van Al-ozza, van Al-hobal, van Al-manat en van Al-lah of Al-laht. De aanhangers van Allah hadden het van de anderen gewonnen en sinds die tijd was Allah de oppergod en zelfs de enige god geworden. Bovendien was de monotheïstische aanbidding van een ‘steen’ vervangen door een geestelijke aanbidding, merkte hij op.
   We moesten betalen om het mausoleum binnen te komen. Geen nood. Namens ons tweeën overhandigde hij het equivalent van enkele tientallen eurocenten, dat ik hem gegeven had. Later hoorde ik dat de leden in onze groep een veelvoud daarvan had moeten neertellen. Binnen liep de man met mij naar een rond aardewerk-vat met een dunne lange tuit. Kijk, zei hij, dat is een wijnfles. De Perzen zijn altijd gek op wijn geweest, ze hadden altijd wijn bij zich in leren zakken aan hun middel. Totdat het hen door anderen verboden werd.
 
 

Mausoleum in Ardabil
 
 
We belandden in een rondleiding die door een meisje in het zwart gegeven werd. Ze vertelde over het porselein in het mausoleum, de oudste koranteksten die te zien waren en het grote tapijt dat op de vloer lag. De jongeman onderbrak haar enkele keren. Vervolgens legde de vrouwelijke gids uit dat het grote kameelharen kleed dat onder glas tentoongesteld werd nog door sheik Safi gedragen was. Dat kan toch niet, zei de grafisch ontwerper. Het kleed is toch veel te groot. Hij beschuldigde de gids van leugens. “It’s all lies, it’s rubbish”, riep hij luid en duidelijk in het Engels.
   Het duurde niet lang of een viertal potige mannen kwam aangelopen. Ze gingen met hem in discussie. De toon werd steeds luider en heviger. Het leek erop dat een handgemeen niet uit kon blijven, en misschien was dat ook wel de bedoeling. Wat moest ik doen? Enkele mensen van onze groep die in het mausoleum rondliepen maanden mij gewoon weg te gaan. Ik liet me maar overtuigen.
   Met een meereizend echtpaar probeerden we een aangrenzende moskee te bezoeken, maar we werden niet binnengelaten. We slenterden door Ardabil en besloten een flesje cola te drinken. Ergens binnen want voor gezellige terrasjes buiten moest je niet naar het hete Iran gaan. Terwijl we juist over het voorval aan het praten waren kwam de ‘dissident’ onverwacht aanlopen. “I got released”, maakte hij bekend.
   Zijn toon was nog even strijdbaar als voorheen. Luidkeels, waar anderen bij waren, verkondigde hij dat het een schande was dat je in dit land niet eens je mening mocht geven. Vervolgens nam hij kort afscheid en verdween. Ik riep hem nog na: “You better be careful!” Wat zou er van dit soort mensen terecht komen in het Iran van die tijd?
 
 
Een ‘bashi’ in Hamadan
 

Niet alle mensen die we op straat ontmoetten uitten zich even kritisch over het toenmalige bewind. Vanzelfsprekend moeten er ook aanhangers of bewonderaars geweest zijn, anders zou de theocratische republiek niet kunnen bestaaan. Een week na het bezoek aan Ardabil bevonden we ons in de stad Hamadan, ten zuidwesten van Teheran. Het was inmiddels 6 augustus 2007.
   Op het Imam Khomeini-plein keken we uit op een groot rond bronzen monument. Als je er omheen liep zag je ondermeer een gigantisch hoofd van de voormalige ayatollah, een groep moslim-demonstranten met leuzen en soldaten die geweren voor zich uit hielden. Bij Khomeini had men in een uitgestoken hand het teken van Allah aangebracht. Terwijl we toekeken kwamen een paar meisjes in het zwart aangelopen en we raakten in gesprek. Waarom kopen jullie geen kleding in andere kleuren, vroegen we. Dat zouden ze maar al te graag willen, was het antwoord. Het probleem was echter dat er alleen maar zwarte kleding te koop was.

 

Monument voor IMAM Khomeini (2005)
 
 
Kort daarna liep een jongeman op ons af. Ik vroeg hem of hij kon vertellen hoe oud het grote monument was. Twee jaar, wist hij precies. Het eerbetoon aan Khomeini was dus in 2005 op deze plaats opgericht. Ik stelde hem enkele vragen over Khomeini. En elke keer als ik hem die naam noemde verbeterde hij die in imam Khomeini.
   Het werd ons duidelijk dat we te maken hadden met een fanatieke aanhanger van het regime. Hij stelde voor ons mee te nemen naar de bazaar die niet ver van het plein begon. We liepen met hem mee naar een winkeltje waar lappen van allerlei soorten textiel verkocht werden. Achter de toonbank stond een man van in de zeventig. Kijk, zei de jongeman die zichzelf ‘bashi’ noemde, de man is heel trots want hij is de vader van twee zoons die in de oorlog met Irak als martelaar gesneuveld zijn!
   De grijze man stond er beteuterd bij te kijken. Hij wist niet wat over hem verteld werd. Bovendien was het maar de vraag of hij echt trots was. Misschien waren zijn zonen wel gedwongen om aan de strijd deel te nemen, of over mijnenvelden te lopen. In de winkel was een kleine versie van de blauw-gele collectebus opgehangen. Voor de moslims in Libanon, Afghanistan en Irak, werd me door deze jongeman onomwonden duidelijk gemaakt.

De bashi vertelde ons dat Hamadan en het nabijgelegen Kermanshah tijdens de oorlog met Irak flink gebombardeerd waren en dat er alleen al in Hamadan minstens tweeduizend mensen martelaar geworden waren. Voor hem waren de slachtoffers van het Irakse bombardement per definitie martelaar.
   De bashi had, zonder het ons te vragen, met zijn mobieltje een vriend opgeroepen erbij te komen. Die kwam al snel opdagen met nog twee andere jongelui uit de familie van de vader van de twee martelaren. Met zijn vieren, verklaarde hij, waren zij bereid onmiddellijk naar Amerika te vertrekken en daar president George W. Bush te vermoorden. Ze wachtten slechts op een signaal van leider Khamenei om tot hun daad te mogen overgaan.
   De vriend volgde een theologische studie in de heilige stad Qom. Was dat wat je in Qom leerde, vroeg ik me af. Mensen ombrengen op gezag van de leider? Zoiets kon ik me maar moeilijk voorstellen.
   Het sprak voor zich dat hij alles haatte wat Amerika was. De Amerikanen – gaf hij als voorbeeld – noemden de Perzisch Golf tegenwoordig alleen nog maar ‘Gulf’. Daarmee gaven ze aan, zei hij, dat zij en hun bondgenoten het olierijke gebied niet meer als Irans grondgebied erkenden.
   De bashi was niet meer te stuiten. Hij bracht ons naar de grote moskee bij de bazaar en bleef maar doorpraten. Maar eerst wilde hij nog iets van ons weten. Waren wij in Israel geweest? Toen ik die vraag ontkennend beantwoordde liet hij duidelijk merken dat hij ons niet geloofde. Ik legde hem uit dat ik Israel een veel te gevaarlijke plek vond om te bezoeken.

 

Moskee Hamadan, interieur
 
 
De jongeman dacht dat we Britten waren. Het kostte enige overtuigingskracht om hem te doen geloven dat we uit Nederland afkomstig waren. Toen ik hem vertelde dat ik me aan de Universiteit Leiden met Aziatische geschiedenis bezig hield, drong hij er bij mij op aan hem in Leiden te komen laten studeren. Hij wilde mijn e-mail adres weten zodat hij met mij contact kon houden. In mijn notitieboekje schreef hij: “Amir-Amirgan, boy from Hamedan. I like to come in your university and study in your country and tell to you about my religion and history”. Over zijn vriend en mede-bashi, ‘Artimany from Tyuserkan’, schreef hij dat deze studeerde in een ‘masumeh, a religious school in Qom. Feyzieh is oldest school from Qom. Imam Khomeini studied in Feyzieh’. Trots vertelde hij me dat het volgende week een belangrijke week voor Hamadan was. Dan was er een grote conferentie in de stad, waarbij ook de leiders van Hamas en Hezbollah verwacht werden.
   Waarom, vroeg hij, komen jullie vanavond niet op onze bijeenkomst? Dan kunnen jullie met onze groep bashis kennis maken. Mede omdat we die avond met onze groep zouden gaan eten, gingen we niet in op de uitnodiging.
   Wie weet wat we nog allemaal gehoord zouden hebben als we de rest van 6 augustus 2007 met deze jongelui hadden doorgebracht. Reizen door verre landen, in andere culturen, kan soms leerzaam zijn...
 
Harry Knipschild
9 mei 2014

Clips
* Terugblik op de oorlog met Irak (Kerbala)
* Iran, land van martelaren, 2009
* Strandleven in Iran, Kaspische Zee, 2010
* Straatleven in Hamadan, 2011
* Kom naar Ardabil, 2011
* Reis door Iran, 2014
* Fuman, Iran, 2014