Donderdag 15 april 1971 leek een gewone kantoordag te worden. Ik was bij Polydor op het Piet Heinplein in Den Haag werkzaam. De platenmaatschappij was gevestigd op twee verdiepingen boven het meubelbedrijf Mutters. Een dag eerder had mijn moeder haar vijftigste verjaardag gevierd. Zelf was ik 27. Grote hits waren de veertigste symfonie van Mozart, uitgevoerd door het orkest van de Spanjaard Waldo de Los Rios, ‘What is Life’ (George Harrison) en ‘True love that’s a wonder’ van de Sandy Coast.
 
Om een uur of vier ging de telefoon. Londen aan de lijn. “We hebben een interessant bericht voor jullie”, hoorden Nico van Biemen en ik. “Polydor heeft in Nederland de rechten op het nieuwe repertoire van de Rolling Stones verworven. De groep heeft Decca definitief verlaten. Het nieuwe label Rolling Stones Records gaat met onmiddellijke ingang van start. Er komt een album, dat ‘Sticky Fingers’ heet en een single, ‘Brown Sugar’. De Stones geven morgenavond een feestje in Cannes. Komen jullie ook? En o ja, neem een paar belangrijke mensen van de pers mee. Wij zorgen voor een passende hotelkamer”.
 
 
019a Sticky Fingers Stones
 
 
Het was één grote verrassing. Zo maar ineens had je een overeenkomst met de Rolling Stones, misschien wel de belangrijkste rockgroep van de wereld. Natuurlijk gingen we erheen! Jip Golsteijn (Telegraaf, Oor) en Ruud van Dulkenraad (Muziek Expres) wilden maar al te graag mee. Er was echter een probleem: het vliegtuig naar Nice de volgende middag had nog maar drie vrije stoelen. Geen nood, bedacht ik. Het was toch mogelijk met de auto naar de Franse Rivièra te reizen. Als Nico, Ruud en Jip in het vliegtuig stapten, zou ik ze in Nice op het vliegveld verwelkomen. En dan was het misschien leuk om zaterdag met z’n vieren naar Nederland terug te rijden. Aldus werd besloten.
 
 
‘Brown Sugar’ op de périférique
 
 
Een half uur later was ik thuis. Een tas met kleding, toiletspullen, cassettebandjes met muziek, en eetwaar was snel gevuld. Vóór het begin van de avond reed ik al in zuidelijke richting. Een dergelijke tocht had ik nog nimmer gemaakt. Ik had nog nooit door Frankrijk gereden. Maar wat gaf dat, ik was op weg naar de Rolling Stones! Van de route périférique in Parijs had ik wel gehoord, maar hoe die werkte was me onbekend. Sterker nog, ik had er geen idee van waar ik heen moest.
    Een Parijzenaar die ik de weg vroeg (het was inmiddels rond middernacht) bood onmiddellijk aan me te helpen. “Rij maar achter me aan, dan geef ik wel aan wanneer je af moet slaan”, zei hij. “Volg in elk geval de borden naar Lyon, daar moet je heen. En dan verder naar het zuiden, dan kom je er vanzelf wel”. Ongeveer een half uur reed de man voorop, vrolijk naar me zwaaiend.
   Op de Franse radio, die ik had aanstaan, hoorde ik ineens ‘Brown Sugar’! Compleet met een enthousiaste aankondiging in het Frans. Zo maakte ik kennis met de eerste single van het Rolling Stones label. Op een bord werd aangegeven: nog 453 kilometer naar Lyon. Midden in de nacht nam ik afscheid van mijn ‘vriend’. En daarna de Franse nacht in.
 
Tijd om rustig een hotelkamer te zoeken gunde ik me niet. Af en toe maakte ik een stop en sliep een tijdje. Onder het rijden luisterde ik naar mijn favoriete albums van dat moment, zoals ‘Blows against the empire’ van Paul Kantner (Jefferson Airplane) en ‘If I could only remember my name’ van David Crosby - met het nummer ‘Orléans’, genoemd naar de stad waar ik naar had kunnen afslaan. Bij het opkomen van de zon bevond ik me in subtropisch gebied. Begin van de middag arriveerde ik bij het vliegveld van Nice, mooi op tijd.
 
 
Port Pierre Canto in Cannes
 
 
Jip Golsteijn schreef over zijn ervaringen in de nieuwe muziekkrant Oor. Zijn verslag werd opgenomen in ‘De zaak Oor’, een verzameling van de meest interessante artikelen die tussen april 1971 en april 1976 in het tijdschrift gepubliceerd werden. Het boek begon met zijn relaas. “Wij zijn op weg naar een bijeenkomst die iets met de Rolling Stones te maken heeft. Wat nu precies weet niemand, ook niet in het ongezond dure hotel Martinez in Cannes, waar uit alle hoeken van Europa platenmensen en andere beroepshalve geïnteresseerden zijn bijeengebracht voor hetzelfde doel. ‘Een persconferentie’, menen sommigen. ‘Een informeel feest’ weten anderen te melden. ’s Avonds lopen we gevieren onder de palmen te zoeken naar Port Pierre Canto”.
 
Na enig rondneuzen vonden we de plek in de haven waar het Rolling Stones label informeel ten doop gehouden werd. Dat dopen ging minder met water dan met een grote hoeveelheid sterke drank gepaard. Allerlei soorten wijn en, als mijn geheugen me niet in de steek laat, minstens twintig soorten whiskey. Slechts zeventig personen hadden een uitnodiging ontvangen. Jip en Ruud waren natuurlijk vooral meegekomen om met de Stones te praten. Dat ging aanvankelijk nogal moeizaam. Jip verwoordde de sfeer als volgt: “Binnen barst het van de zeer mooie vrouwen, die om financiële redenen redenen meestal horen bij middelbare heren met roos op de schouders en sigaren-as op de revers. Mensen die helemaal niets met de Rolling Stones te maken hebben, maar via lieden als de ook overal aanwezige Eddie Barclay toch wel aan uitnodigingen weten te komen”.
 
 
 
 
Golsteijn had niet opgemerkt dat tal van kopstukken uit de muziekbusiness in een kleine ruimte bij elkaar waren. Disques Barclay, de platenmaatschappij van de ontdekker van artiesten als Mireille Matthieu, Dalida en Charles Aznavour, had de Franse distributie voor het label met de rode tong verworven. Andere platenmensen waren bijvoorbeeld manager David Geffen (in de weer met Joni Mitchell, Linda Ronstadt en Crosby, Stills, Nash & Young) en de top van het nieuwe platenconcern Kinney, dat Atlantic, Elektra, Warner Bros., Reprise, Asylum en Rolling Stones Records beheerde. Ahmet Ertegun, stichter van Atlantic, die de deal met de Stones tot stand had weten te brengen, was uit Amerika naar Zuid-Frankrijk komen overvliegen.
 
 
Mick Jagger
 
 
Zoals gezegd, Jip ging het om de Stones zelf. Die liepen er vrij rond, maar waren blijkbaar niet zo gemakkelijk te benaderen. “Mick Jagger”, schreef hij. “ziet er goed uit vergeleken met enige maanden terug. Hij heeft voor zijn doen kort haar en is niet zo eng wit als meestal. Aan de arm voert hij zijn nieuwste vriendin mee, een donkerharige schoonheid die slechts alleen wordt gelaten wanneer Jagger door een vage functionaris weer eens aan iemand voorgesteld moet worden”. Die schoonheid was Bianca de Macias, zwanger van dochter Jade Jagger (op 21 oktober 1971 geboren in Parijs).
  Jip stond erbij toen de zanger zijn verhaal aan een groepje Engelse popscribenten vertelde: “De Stones wonen aan de Côte d’Azur in vijf verschillende plaatsen, zien elkaar daar zelden, zullen vermoedelijk drie maanden blijven, zullen waarschijnlijk daarna op toernee gaan en zijn niet per sé voor de belasting gevlucht (‘Die weet je overal te vinden. De werkelijke reden gaat jullie niks aan. Processen hoef ik voorlopig niet meer aan mijn broek te hebben’, of woorden van gelijke strekking)”.
 
 
 
 
 
Steve Stills
 
 
Tot mijn verbazing zag ik Steve Stills zomaar aan een tafeltje zitten. Hij was heel toegankelijk. Ik stapte op hem af en maakte een praatje over zijn solo-album. Daar stond niet alleen de single ‘Love the one you’re with’ op maar tevens ‘Go back home’ met een prachtige gitaarsolo van Eric Clapton. En een bijdrage van de in september 1970 overleden Jimi Hendrix. Jip Golsteijn kwam erbij en bracht Stills’ voormalige groep Buffalo Springfield ter sprake. “Stills is verbaasd dat ze daar in Nederland van hebben gehoord.
   Op de vraag waarom deze uitstekende groep uit elkaar ging: ‘Zo gaat dat nu eenmaal in het leven. Vergeet niet dat iedereen pas over de Springfield ging praten toen het al gebeurd was met ons. We hebben letterlijk één hit gehad en die is nog niet te vergelijken met een willekeurige van de Monkees. Dat werkt natuurlijk ontmoedigend. Op een goed moment houd je er dan wel mee op. Geen ruzie of zo, maar gewoon: je hangt elkaar een beetje de keel uit en je gaat je ergeren’”. Stills liet achterwege dat hij vergeefs auditie gedaan had om één van de Monkees te mogen zijn in de gelijknamige tv-serie.
 
 
Keith Richards
 
 
Golsteijn kwam, naar eigen zeggen, met moeite in gesprek met Keith Richards. “Aan een tafel tref ik, geheel in zijn eentje, Keith Richard, de broodmagere vuile rat, gestoken in een fraai deux pièce. Zijn make up begint nu aardig door te lopen en hij ziet er ongezond uit. Ik geef hem nog vijf jaar. Richard loopt medestanders in het kwaad te zoeken. Hij is namelijk bezig een fles tequila leeg te maken. Daartoe heeft hij wat zout en peper nodig. Dat gaat dan (aangemaakt met een druppel wijn) op de rug van de hand, wordt opgelikt en vervolgens weggespoeld. Ik doe mee, hoewel de beaujolais me bijna de oren uitkomt. Binnen een half uur zijn we aan een half litertje”. Door mee te drinken was Jip in staat een en ander aan de gitarist te vragen.
 
 
019 Rolling Stones logo
 
 
Waarom een eigen merk?
   “Je wordt door platenmaatschappijen constant verneukt. Het is gewoonweg belachelijk zoals ze met jouw geestelijke produkten omspringen. Ze trekken maar singles van elpees af of het helemaal niets is, terwijl een elpee van ons toch als een eenheid wordt gemaakt. Wat Warner Bros Mick geflikt heeft, dat is ook zo’n staaltje. Achter ‘Memo from Turner’ zat een heel andere begeleiding. Op eigen houtje heeft men daar wat anders achter geplakt. Dat het uiteindelijk nog meevalt, is alleen maar meegenomen. Ik begrijp niet waarom sommige muzikanten aan zoiets meewerken, terwijl ze donders goed weten dat het indruist tegen de wil van de makers”.
 
Jullie blijven nogal lang bij elkaar vind ik. Dat is niet zo gewoon in de popbusiness.
   “Al die afsplitsingen, dat leidt in de meeste gevallen tot niets. Peter Green maakte mooie muziek bij Fleetwood Mac. Dan stapt hij er uit, neemt iets naar eigen smaak op en het is meteen niet meer te begrijpen voor een normaal mens. Zonde van zo’n gitarist. Of Steve Winwood. Die zat uitstekend bij Spencer Davis. Maar hij gaat weg. Resultaat: Spencer Davis, Peter York af, hijzelf dwaalt een tijdje rond en maakt dan platen die wel goed zijn, maar niet zoals vroeger. Wat is dan het nut van weggaan?”
 
 
Terug naar Nederland
 
 
Het einde van het feestje heb ik niet meegemaakt. De Stones met aanhang en kinderen bleven zolang hangen en drinken dat ik vóór het helemaal licht was terugliep naar het hotel. De volgende ochtend hoorde ik dat ze in een baldadige bui met whiskey gegooid hadden tegen de schilderijen die aan de wanden van het exclusieve partycentrum hingen. Enkele obers hadden willen optreden, maar ze werden tegengehouden door hun chef, die hen toefluisterde dat alle schade wel vergoed zou worden.
   Na het zeer late ontbijt stapten we in de auto en reden dwars door Frankrijk en België naar Amsterdam. Op zondagmorgen zetten we Jip Golsteijn thuis af Het was ongeveer twaalf uur toen ik eindelijk in bed kroop.
 
***
 
Later kon ik in Billboard meer details over de overeenkomst lezen. “The contract between the Rolling Stones and Kinney was set in motion by Ahmet Ertegun, president of the Atlantic group. A new album, ‘Sticky Fingers’, will be released. The album has a sleeve designed by Andy Warhol, featuring jeans and real zipfly. The logo, in red, features a mouth with a tongue sticking out”.
   Op 1 mei meldde het vakblad: “Ertegun declined to elaborate on details of the contract which guarantees six new albums over the next four years and is reputed to be worth $6 million against 15 percent royalty payment. ‘The deal is commensurate with the stature of the Rolling Stones’ was Ertegun’s only comment”.
 
 
Ahmet Ertegun
 
 
Tot op hoge leeftijd bleef Ertegun betrokken bij het wel en wee van de Stones. Op 29 oktober 2006 was hij, 83 jaar oud, in New York bij een concert van de Britse groep. Achter de bühne kwam hij ongelukkig ten val. De president van Atlantic Records raakte in een langdurige coma, waaruit hij niet meer bijkwam. Op 14 december 2006 overleed de man die het feestje in Cannes georganiseerd had.
 
Harry Knipschild
6 maart 2010
 
Clips
* Paul Kantner, Blows against the empire, 1970
* David Crosby, If only I could remember my name, 1971
* Rolling Stones, Brown Sugar, uit 1971
* Steve Stills, Love the one you're with, uit 1971

* Siegfried Loch (WEA) overhandigt gouden plaat voor 'Sticky Fingers', 1972
* Prince Rupert Loewenstein, 2014
 

Literatuur

Ed Ward, ''Stephen Stills' (Atlantic SD 7202)', Rolling Stone, 7 januari 1971
'Kinney group gets Rolling Stones disks', Billboard, 17 april 1971
'Kinney group holds fete in Europe to mark Stones pact, Billboard, 1 mei 1971
Mick Farren, 'The Rolling Stones: Sticky Fingers', Ink, 1 mei 1971
Jip Golsteijn, 'Keith Richard: Als we de plee doortrekken op een plaat, dan verkoopt ie nog poepgoed', in Bert van de Kamp (red.), De Zaak Oor, Amsterdam 1976
Philip Norman, The Stones, Amsterdam 1984