“De hitparade is wellicht in elk land het meest omstreden fenomeen van de platenwereld. De verwijten zijn gewoonlijk niet van de lucht: een hitparade is niet betrouwbaar, de samenstellers worden omgekocht, er wordt met de gegevens gemanipuleerd. Geluiden die vooral worden gehoord als een plaat de hitparade nèt niet haalt of niet hoog genoeg doorstoot. Aan de andere kant verandert de hitparade van een bron van irritatie en frustratie plotseling in een reden tot feestvreugde als een plaat het wèl goed doet.
   Een oorzaak van veel misverstanden rond de hitparade is een gebrek aan kennis wat zo’n lijst nu precies betekent en wat voor gegevens je erin kunt aflezen. Een hitparade is namelijk niet meer dan een vergelijkende lijst waarin de best verkochte grammofoonplaten op een rijtje gezet worden”.
   Deze woorden waren afgedrukt in het boek Hit Dossier 1965-1978, in 1979 uitgegeven door de Stichting Top 40, samengesteld door Robert Briel en Sieb Kroeske.

Recentelijk was er weer van alles aan de hand. Het 50-jarig bestaan van de top 40 begin dit jaar werd gevierd met een tentoonstelling in Museum RockArt. Eerder weigerde het Instituut voor Beeld en Geluid dat te doen. Erik de Zwart, voorzitter van de stichting: “Het Instituut wilde geen expositie organiseren omdat ze exclusieve afspraken met de Publieke Omroep hebben. Het is toch van de zotte dat de NPO daar de scepter zwaait. De top 40 maakt ontegenzeggelijk deel uit van de Nederlandse audiovisuele cultuur”.
   Willem van Kooten, peetvader van de Nederlandse top 40, eind 1964 opgezet door radio Veronica, uitte zich eveneens in boze bewoordingen over het instituut. Briesend verklaarde hij: “Daar heb ik de eerste steen nog voor gelegd! En dan mogen we nu geen tentoonstelling doen omdat onze vrienden van de Top 2000 dat geen goed plan vonden. Die eerste steen ga ik meteen terughalen”.
   Op de website Radio.nl was op 2 januari 2015 te lezen dat de NPO niet bereikbaar was voor commentaar.
 
 
 
 
Begin van de hitlijsten in Amerika
 

Hitlijsten die een beeld moesten geven van de verkoop van grammofoonplaten waren er al vóór de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten. Al je er over nadenkt was het een bijzonder verschijnsel. Waarom zou je een dergelijke lijst moeten maken? Bij mijn weten waren er geen ‘hitlijsten’ voor de verkoop van spijkers, broeken, vakantie-oorden of favoriete koekjes, om maar eens wat te noemen. Maar wél van grammofoonplaten.
    Op het internet kun je sinds enkele jaren een enorme hoeveelheid oude exemplaren van het Amerikaanse blad Billboard lezen. Een oud nummer dateert van 3 januari 1942, ruim 73 jaar geleden. Drummer Gene Krupa was op de omslag afgebeeld. Midden in de oorlog publiceerde het weekblad een pagina met ‘The Billboard Music Popularity Chart (a trade service feature)’. De lijst bestond uit diverse onderdelen. Allereerst aandacht voor de songs die in de week vanaf 20 december 1941 op de vier belangrijkste radiostations van de stad New York gehoord waren. Ook de muziekuitgevers werden hierbij vermeld. Een kerstliedje, ‘Jingle Bells’, kwam als eerste uit de bus in deze rubriek.

Een tweede rubriek was er voor de verkoop van gedrukte bladmuziek, op landelijk en regionaal niveau. Nauwkeurig werd aangegeven welke verkoopadressen voor deze lijst gezorgd hadden. Winnaar hier was ‘Elmer’s tune’, gevolgd door ‘Chattanooga choo choo’. Die twee titels eindigden eveneens bovenaan in de nationale hitlijst, gebaseerd op de verkoop van (78 toeren) grammofoonplaten. Nu werd afgedrukt dat Glenn Miller in beide gevallen de uitvoerende artiest was. Ook hier werd precies vastgesteld welke platenhandelaren een bijdrage geleverd hadden aan het tot stand komen van de lijst.
   Dezelfde songs doken opnieuw op in de laatste rubriek: ‘Leading music machine records’. Met andere woorden: welke platen waren het meest populair op de jukebox.
   Billboard besteedde aandacht aan allerlei activiteiten op het terrein van entertainment, concerten, circus, flipperkasten enzovoort. De enige hitlijst was er echter voor muziek. Ook toen, in 1942, vroeg populaire muziek blijkbaar om een soort hitlijst. De criteria voor die lijst waren duidelijk. Maar niet hoe de lijsten op basis van die criteria werden opgemaakt.

 
Na de oorlog
 

In de jaren na de oorlog kwamen er nieuwe hitlijsten in Billboard bij. Lijsten bijvoorbeeld voor rhythm & blues en country & western, gesplitst in verkoop, airplay en ‘most played in jukeboxes’. Die waren gericht op grote, maar speciale doelgroepen. Muziek in die categorie vond je niet, of vrijwel niet, bij de ‘gewone’ bestsellers. Er kon bijvoorbeeld een miljoen exemplaren van een ‘zwarte’ hit verkocht worden en toch niet in de hitparade van ‘popular music’ voorkomen.
 Albums (en EP’s) kregen een eigen lijst op basis van verkoop. Het afdrukken van hitparades op allerlei terreinen, was in de jaren vijftig een specialiteit van het blad geworden.

 
 

Laten we bijvoorbeeld eens terug gaan naar 10 oktober 1953, 62 jaar geleden. Groot werd afgedrukt een lijst met ‘Records most played by diskjockeys’. “Records are ranked in order of the greatest numbers of plays on disk jockey radio shows  throughout the country”.
   Aan de top: 1. Ames Brothers, You You You. 2. Ray Anthony, Dragnet. 3. Les Paul & Mary Ford, Vaya con dios. 4. Stan Freberg, St George and the dragonet. 5. Pee Wee Hunt, Oh. 6. Perry Como, No other love. 7. Frank Chacksfield, Ebb Tide. 8. June Valli, Crying in the chapel. 9. Stan Freberg, Little Blue Riding Hood. 10. Julius La Rosa, Eh Cumpari.
   In de andere rubrieken, ‘Best selling singles’ en ‘Most played in jukeboxes’, vond je in grote trekken dezelfde platen terug.
   Voor country-muziek moest je naar de ‘eigen’ hitlijsten, ook weer op basis van airplay, jukeboxen en verkoop. Die van de country-verkoop was in die week: 1. Jean Shephard, Ferlin Huskey, Dear John Letter. 2. Davis Sisters, I forgot more than you’ll ever know. 3. Carl Smith, Hey Joe. 4. Webb Pierce, It’s been so long. 5 Rex Allen, Crying in the chapel. 6. Mitchell Torok, Caribbean. 7. Hank Williams, Weary blues from waitin’. 8. Hank Locklin, Let me be the one. 9. Bonnie Lou, Ternnessee Wig Walk. 10. Red Foley, Shake a hand.
   Bij de rhythm & blues-muziek, was er geen radio-lijst. Wel een met ‘most played in juke boxes’, een mooie graadmeter voor de populariteit van muziek. Op 10 oktober 1953: 1. Orioles, Crying in the chapel. 2. Clovers, Good Lovin’. 3. Fay Adams, Shake a hand. 3. Coronets, Nadine. 5. Joe Turner, Honey Hush. 6. Joe Liggins, Drunk. 6. B.B. King, Please hurry home. 8. Little Walter, Blues with a feeling. 8. B.B. King, Please love me. 10. Fats Domino, Please don’t leave me.

 
Een boek over oude Engelse tophits
 
 
 

Ook Engeland had in die tijd al iets wat op hitlijsten leek, maar ze werden niet aan het publiek bekend gemaakt. Steve Waters publiceerde in 2013 een boek, getiteld The missing charts. British hit singles January 1940-October 1952. The week by week top 30 best selling 78s.
   In het voorwoord is te lezen dat Colin Brown (1933-2012), jarenlang actief in de muziekwereld, in 1948 begon met het verzamelen van interne gegevens, afkomstig van jukebox-handelaren. Waters: “Colin was impressed by their ‘most played’ list. He subsequently approached a couple of the larger music publishers – who, back in those days, owned various record wholesale and distribution companies”.
   Moeizaam slaagde Brown erin zoveel informatie boven water te krijgen dat hij op basis daarvan een Britse hitparade met terugwerkende kracht kon samenstellen.
   Vanaf die tijd ging Brown door met het maken van een wekelijkse Britse chart, tot in 1952. Maar van verspreiding kwam nooit iets.
   Waters: “Colin first tried to get his chart data published in the mid-1950s. He was unable to get a regular publisher interested in the project. He decided to try and do it himself. He found a printer willing to try and print the book in ‘down time’, at a ‘special rate’”.
   Ondanks het gedeeltelijk vooruitbetalen van de kosten kwam er geen publicatie. De drukker hield er gewoon mee op. Bij een tweede drukker, tien jaar later, gebeurde hetzelfde. Het duurde derhalve nog tot in 2013 vóór de vroege Britse ‘hitlijsten’, gebaseerd op verkoop van platen en populariteit op de jukeboxen, in de openbaarheid kwamen.
 
Sinds 2013 kunnen we weten welke muziek aan de overkant van de Noordzee vroeger het meest populair was. Op 8 oktober 1950, 65 jaar geleden, vond je met name aan de top: 1. Nat ‘King’ Cole, Too young. 2. Kay Starr, Come on a my house. 3. Guy Mitchell, Belle, Belle, My Liberty Belle. 4. Jimmy Young, Too Young. 5. Teddy Johnson, Love’s Roundabout. 6. Doris Day, Lullaby of Broadway. 7. Frankie Laine, The girl in the wood. 8. Lita Roza, Allentown jail. 9. Tennessee Ernie Ford, Kissin’ Bug Boogie. 10. Bing Crosby, Shanghai.
 
 
Hits op radio, televisie en later in de bladen
  

Al vóór de tweede wereldoorlog besteedde de Amerikaanse radio aandacht aan de (top tien van de) hitparade. Vanaf 20 april 1935 werd het programma ‘Your Hit Parade’ uitgezonden. In die uitzendingen ging het om de meest populaire songs. Ze werden gebracht door een orkest met een aantal vokalisten. Tijdens de oorlog werd Frank Sinatra een van de zangers die de meest populaire liedjes van het moment vertolkten.
   Pophistoricus Arnold Shaw in 1974 over de impact van het programma: “‘Your Hit Parade’ was as important as the release of a new Rolling Stones album today”. Shaw wist bovendien te vertellen dat de samenstelling van die hitlijst tot op het laatste moment absoluut geheim was. Zelfs het Witte Huis kon er niet achter komen. Toen Frank Sinatra een bezoek bracht aan Franklin D. Roosevelt werd hij door de Amerikaanse president over de hitlijst en de volgende nummer één ondervraagd. Roosevelt bleek de top tien nauwkeurig te volgen, oorlog of geen oorlog.
   Het programma ging live de lucht in, eerst op de radio, later op televisie. ‘Your Hit Parade’ was zeker in de eerste helft van de jaren vijftig een media-topper.
    Nooit werd precies bekend gemaakt hoe die top tien precies tot stand kwam. “‘Your Hit Parade’ never disclosed its yardstick of statistics for selecting the top tunes. On the air, reference was made to the sale of sheet music, juke-box plays, record sales, and performances on radio and TV”, aldus Shaw.

 

Frank Sinatra, zanger van Your Hit Parade
 

De aantrekkingskracht van het programma daalde snel toen de rock & roll zich manifesteerde in de tweede helft van de fifties. Het ging nu minder om de liedjes, maar veel meer om de uitvoeringen van artiesten, vooral van Elvis Presley. (Die werkte niet mee aan het programma). Die ontwikkelingen maakten binnen enkele jaren een einde aan een van de populairste muziek-programma’s op de Amerikaanse televisie. ‘Your Hit Parade’ verdween in 1959 definitief van de buis.
   Andere tv-programma’s namen de promotie van populaire muziek over. De shows van Ed Sullivan, Dick Clark en Perry Como werden de plekken waar een nieuwe generatie artiesten een nieuwe plaat ten gehore kon brengen, playback of live. En op Amerikaanse radiostations, top 40 stations, kon je de actuele en wellicht toekomstige hitsingles voortdurend horen.
   In die tijd maakten ook de Engelstalige uitzendingen van radio Luxemburg opgang in Nederland. Wie luisterde bijvoorbeeld op de zondagavond laat niet naar de Britse hitlijst, die vanaf eind 1952 werd samengesteld door het weekblad New Musical Express? De eerste Britse nummer één hit, op 14 november 1952, was ‘Here in my heart’ van Al Martino. Die bleef achttien weken genoteerd in de nieuwe lijst, die aanvankelijk slechts uit twaalf titels bestond.
   Op 12 november 1955 verscheen ook Billboard met een algemene hitparade, met 100 platen. De eerste jaren nam het blad die Top 100 zelf nauwelijks serieus. Hij werd alhans een stuk kleiner afgebeeld dan de erkende en bestaande lijsten. Sterker nog: de lezers werden gewaarschuwd: “Caution to dealers and juke box operators – The Billboard’s Top 100 is NOT designed to provide tested information for buying purposes. This function is most reliably served by other regular weekly features: Best Sellers in Stores, Most Played in Juke Boxes, Coming Up Strong and Best Buys”.
   Het was maar een experiment, die Top 100 (later Hot 100), leek het in die eerste jaren.
 
De lijst, afgedrukt op 12 november 1955, zag er aan de top als volgt uit: 1. Four Aces, Love is a many splendored thing. 2. Roger Williams, Autum Leaves. 3. Four Lads, Moments to remember. 4. Mitch Miller, Yellow Rose of Texas. 5. Billy Vaughn, Shifting Whispering Sands. 6. Gale Storm, I hear you knockin’. 7. Rusty Draper, Shifting, whispering sands. 8. Pat Boone, At my front door. 9. Platters, Only You. 10. Al Hibbler, He.
 
 
Eerste hitlijsten in Nederland
 
 
Het verschijnsel hitlijsten kwam ook in ons land opzetten. In het begin was er sprake van veel natte vinger-werk, denk ik. Bladen als Luister, Tuney Tunes, Muziek Parade en Muziek Expres reserveerden er steeds meer ruimte voor. Sporadisch besteedden de omroepen aandacht aan het verschijnsel. Pete Felleman volgde op de Vara wat er in de VS gebeurde. De KRO experimenteerde met het hitparade-orkest van Klaas van Beeck. Op zondagmiddag zond radio Luxemburg in zijn Nederlandstalige uitzendingen wat later een top 15 uit, gepresenteerd door Guus Jansen jr.
   Voor zover goed bedoeld speelden in elk geval belangen mee bij de samenstelling. Paul Acket van Muziek Expres had een eigen management- en boekingskantoor. Guus Jansen (Luxemburg, Muziek Parade) kreeg steeds meer in de melk te brokkelen bij uitgeverij Basart-Strengholt.
  
 
De top 40
 

In 1964 was ik [HK] zelf programmamaker bij radio Veronica. Aan het einde van het jaar besloot het radiostation, dat eerder geëxperimenteerd had met een ‘voorlopig Nederlands platenelftal’ (Willem van Kooten), met een wekelijkse top veertig te komen. Ik was erbij toen vanuit het gebouwtje aan de Zeedijk in Hilversum door de meisjes van de discotheek en anderen gebeld werd naar een aantal winkeliers overal in het land. Iedereen had zich voorbereid. De bellers hadden velletjes van een blocnote in repen gescheurd zodat ze heel simpel de top 15 van elke winkelier onder elkaar konden zetten. Nummer één kreeg 15 punten, nummer twee 14 enzovoort. Alle winkeliers, groot of klein, leverden de zelfde ‘gewichtsfactor’.
   Zo kwam, puur op basis van de verkoop in de winkels, de top 40 van 2 januari 1965 tot stand. In tegenstelling tot Amerikaanse hitlijsten werd de airplay (of de populariteit op jukeboxen) dus niet meegenomen. Harry Denekamp, werkzaam bij de Stichting top 40, bracht me tijdens een gesprek op 1 oktober 2015 op de hoogte van een curiositeit. De eerste top 40 werd nooit gedrukt. Het drukken van de lijst (door Van Dam, een bedrijf aan de overkant van de studio op de Zeedijk) gebeurde pas vanaf 9 januari. De lijst van 2 januari 1965, steeds overal vertoond omdat het de eerste was, is pas achteraf in die vorm ‘ontworpen’.
 
 

Harry Denekamp, Stichting Top 40
 

Elke hitlijst heeft een subjectief element. Verkoop was eenmalig. Hoe populair de muziek na de aanschaf was (draaide je hem grijs of niet thuis) speelde geen rol. Het gevolg was meestal dat een plaat, eenmaal binnen in de top 40, naar een soort hoogtepunt steeg, dan weer daalde en vervolgens uit de top 40 verdween, in een mooie curve. Bovendien werd het de gewoonte bij het populaire radiostation dat singles, als ze eenmaal hoog op de lijst voorkwamen, steeds minder in de programmering werden opgenomen. Je hoorde ze dan nog wel in de programma’s met verzoekplaten (Frans Nienhuys, Jukebox). Het voortduren van de populariteit vond je in de top 40 slechts matig weerspiegeld.
   Uit eigen ervaring weet ik dat Nederlandstalige ‘volkse’ singles een veel lagere klassering kregen dan de reële verkoopcijfers aangaven. De reden hiervan is volgens mij dat de lijst, zowel bij platenwinkels als door de samenstellers, gemaakt werd door jeugdige liefhebbers van popmuziek. Muziek, populair bij anderen en ‘ouderen’, kwam moeilijker aan bod. ‘Goeie, progressieve’ popmuziek daarentegen had juist een streepje voor.
   Voor wie het nog niet weet: de uitzendingen van de top 40 waren uitermate populair.
 
 
Tipparade
 

In het begin hadden de Nederlandse hitlijsten, vermoed ik, vooral het karakter van een vaststelling achteraf – terugkijken naar wat gebeurd was, verkocht was. Dat veranderde geleidelijk. Zoals Robert Briel in 1979 aangaf (zie boven) was het hebben van een zo groot mogelijk hit van belang voor artiesten en andere belanghebbenden. Hoog in de top 40 betekende: meer vraag naar optredens, een hogere gage, meer royalties en meer inkomsten op auteursgebied (rechten van liedjes). De platenmaatschappijen (en muziekuitgeverijen) hadden in dat geval een hogere omzet. Die werd bovendien vaak nog eens weerspiegeld in meer verkopen van albums.
   Waar (grote) belangen zijn worden die behartigd. Dat is vanzelfsprekend. Dat gebeurde elders ook (bijv. bij de publieke omroep en de pers). Menigeen was dus in de weer om de klasseringen in de top 40 te beïnvloeden: platenmaatschappijen, uitgeverijen, medewerkers van platenwinkels, artiesten, managers, boekingskantoren, noem maar op. Ook medewerkers van het muziekstation zelf hadden belangen. Ze vulden hun salaris aan met het schrijven van teksten (soms vertalingen) van liedjes, het produceren van platen, het managen (of adviseren) van artiesten, het opzetten van een eigen uitgeverij, enzovoort. Persoonlijke relaties en vriendschappen op allerlei terrein speelden eveneens mee (zeker wat betreft het draaien van nieuwe platen). Freelancers hadden sowieso meerdere petten op. Omdat de top 40 zo’n impact had kreeg de belangverstrengeling en beïnvloeding juist hier alle aandacht.
   In artikelen op deze site heb ik uit de doeken gedaan hoe in de Sixties bijvoorbeeld singles van de Shuffles (met Albert West), Davy Jones en de Condors in de top 40 terecht kwamen.
   Na enkele jaren van zijn bestaan kreeg de top 40, relatief bekeken, meer een voorspellend dan een terugkijkend karakter. Stond je in de top 40 dan zag je toekomst er goed uit.
 
In het Hitdossier van 1979 kon je een en ander lezen over het ontstaan van de tipparade. Rob Out vertelde: “Dat programma was spelenderwijs door mij in het leven geroepen. Enkele jaren daarvoor had ik op de zaterdagmiddag na de top 40 het programma ‘Oud en nieuw’. Daarin draaide ik wat nieuwe platen, die net bij Veronica waren binnengekomen plus lekkere gouwe ouwe.
   Op een gegeven moment vroeg ik aan Willem van Kooten, die toen nog programmaleider was, of hij er bezwaar tegen had dat ik de oude en de nieuwe platen afzonderlijk in het programma bracht. Hij gaf toestemming en daarmee was, zonder dat iemand dat merkte, een monstrum geboren. Ik draaide eerst na de top 40 een uur gouwe ouwe en daarna een uur platen die ik tipte voor de hitparade. Heel ongemerkt begon ik de platen te nummeren en merkte al snel dat er scherp op die tip gelet werd en vooral op welke plaats ze stonden.
   Het programma werd erkend als een verlengstuk van de hitparade. Toen iedereen door had hoe belangrijk die tips waren, wilden de andere medewerkers ook een stem in de samenstelling ervan hebben. We besloten op onze maandagavondvergaderingen, waarin we allerlei zaken doorpraatten, ook de tipparade samen te stellen. Niet veel later werd nummer één van die tiplijst gebombardeerd tot alarmschijf, wat inhield dat die plaat een hele week verplicht gedraaid werd in de programma’s om er een hit van te maken”.   
   In het algemeen hadden de deejays van Veronica een goed gevoel voor de muzikale tijdgeest. Als zij een plaat tipten was de kans groot dat het een hit zou worden. Als ze een single niet ondersteunden had die maar weinig kans om te scoren. Met deze aanpak was er nauwelijks meer ruimte voor regionaal Nederlands repertoire of Duitse schlagers, die in het oosten van het land populair bleven. Dat soort singles verschenen voortaan alleen op de Veronica-lijsten als er sprake was van landelijke belangstelling.
  
 

Rob Out met het eerste exemplaar van het Veronica omroepblad, 1 september 1971
 

Het moge duidelijk zijn, de tipparade had een subjectief karakter. Voor een belangrijk gedeelte werd die bepaald door de persoonlijke voorkeur, en dus ook door de belangen, van de medewerkers van het station die de lijst vaststelden. Met name programmaleider Rob Out gebruikte de tipparade, die samen met de top 40 door de platenwinkeliers gebruikt ging worden als min of meer ‘exclusieve’ inkooplijst, om druk uit te oefenen op adverteerders (platenmaatschappijen) bij het drukken van de lijst en later het omroepblad Veronica (evenals andere activiteiten van de zender).
   Ook toen Veronica tijdelijk uit de lucht was bleven de top 40 en de tipparade hun krachtige positie behouden, mede omdat de Tros-radio de lijst in die tijd uitzond. Nieuw-opgezette hitparades boden verhoudingsgewijs weinig echte concurrentie. Hetzelfde gold voor de plaat van de week. De ‘alarmschijf’ van Veronica (nummer 1 op de tipparade) won het meestal van de treiterschijf (radio Noordzee), troetelschijf (Hilversum III) en paradeplaat (Tros).
   In de jaren zeventig deed zich een ander verschijnsel voor. Met de komst van de disco-muziek en de 12 inch werden er veel platen afgezet bij discotheken. Die hadden een heleboel schijven nodig om de mensen aan het dansen te houden. Dat soort muziek, viel me in die tijd op, had zodoende een streepje voor bij het samenstellen van de lijsten met tips en hits.
 
 
Een sprong naar deze tijd. Gesprek met Harry Denekamp
 

Het is onmogelijk om in een artikel alle ontwikkelingen rond het verschijnsel hitlijsten weer te geven. Maar als je de samenstelling van de lijsten van vroeger met die in onze tijd vergelijkt zijn er wezenlijke verschillen. Het grootste verschil is dat er anno 2015 (bijna) geen singles in fysieke vorm meer verkocht worden. Het luisteren naar opgenomen muziek gebeurt zonder aankoop en heel vaak via het internet (YouTube, Spotify). Dat is vooral bij rock- en popmuziek het geval.
   Heeft het dan nog wel zin om zo’n lijst te maken, vroeg ik aan Harry Denekamp (geb. 23 mei 1973, Apeldoorn).
   Zeker wel, antwoordde hij: “Popmuziek in de vorm van een top 40 is, zou je kunnen zeggen, sinds tientallen jaren een belangrijk cultuurgoed geworden”.
   Geen duidelijke reactie kreeg ik op mijn vraag wat daarover in de statuten van de stichting vermeld staat. De statuten waren bij hem niet voorhanden. Een hernieuwd verzoek via e-mail leverde evenmin iets op.
   Ondanks de afwezigheid van fysieke verkoop zijn de hitlijsten in elk geval niet verdwenen. Harry Denekamp: “Natuurlijk kun je opnamen legaal, tegen betaling, downloaden. Maar dat stelt niet veel voor”. Tijdens mijn bezoek liet hij me zien dat je als artiest op de lijst van iTunes tegen betaling van 700 euro op de bovenste plaats van ‘legale verkoop’ zou staan als je bereid was dat geld te investeren. Omdat je met weinig geld zo veel kunt bereiken als belanghebbende neemt de stichting de legale verkoop niet meer mee bij de samenstelling van de top 40.
   Harry Denekamp is een top 40 liefhebber van deze tijd. “De eerste platen die ik kocht dateren uit 1985: ‘Love and Pride’ (King) en ‘19’ (Paul Hardcastle). In die tijd luisterde ik fanatiek naar de top 40 en probeerde mijn favoriete hits vanuit de uitzending zo compleet mogelijk op een cassette vast te leggen. Later trad ik op als ambassadeur van de top 40 en nu ben ik betrokken bij de samenstelling en verantwoordelijk voor de communicatie”.
 
 
 
 
 Criteria voor de top 40 nu
 
 
De Stichting Nederlandse Top 40 had vanwege het ontbreken van (reële) verkopen besloten om de populariteit van ‘singles’ op een andere manier te meten.
   Op de website kun je bij het jaar 2014 lezen: “De Stichting neemt bij de samenstelling van de wekelijkse Top 40 niet langer de downloadgegevens van tracks mee. De reden is dat verkopen via downloadplatforms makkelijk te manipuleren zijn door platenmaatschappijen en artiesten. De Top 40 wordt vanaf nu samengesteld op basis van airplay van grote landelijke radiostations, consumentenonderzoek en streaminggegevens”.
   En bij 2015: “Bij de samenstelling van de Top 40 worden nu ook de trends in social media meegenomen”.
   Denekamp bevestigde in het gesprek de criteria die je op de site kunt lezen. “De airplay van Radio 538, 3FM, Sky Radio, Q-music, Slam FM en 100 % NL wordt meegeteld: elk uur wordt vermenigvuldigd met de luistercijfers van dat uur”. Dat soort cijfers kun je volgens hem goed meten met de huidige technieken.

In feite maken de mensen van de radiostations dus nu voor een groot gedeelte de dienst uit. De nummers die zij in hun programmering opnemen zijn per definitie hits geworden. Of de luisteraars de gedraaide liedjes wel of niet mooi vinden doet niet meer ter zake. Bovendien wordt op de meeste van de aangegeven zenders nauwelijks Nederlandstalige of easy listening muziek gedraaid. Dat genre komt derhalve weinig aan bod, lijkt me. De rock- en popjongens hebben een grotere vinger in de pap dan ooit tevoren. De rol van de platenmaatschappijen is beperkter nu verkoop niet meer meespeelt. Formeel speelt die zelfs geen rol. ‘Denekamp: “Een opname die volledig in eigen beheer gemaakt wordt kan gewoon op de hitparade komen. Fysieke distributie telt immers niet meer”.
   Steeds meer mensen beluisteren muziek via streamingplatforms. “Dat kunnen we eveneens goed meten en dus mee laten wegen bij het samenstellen van de top 40. Spotify is de duidelijke koploper. Deezer telt mee. Apple is er mee begonnen. Tidal, eigendom van Jay-Z, heeft een hoge kwaliteit. Daar heb je niets aan als je popmuziek op je mobieltje wilt beluisteren. Voorlopig heeft Tidal nog weinig impact in Nederland”.
   Begin dit jaar verklaarde Erik de Zwart in een interview: “Jij zat vroeger met je cassettebandje bij de radio te wachten, en dan maar hopen dat ik er niet te veel doorheen praatte, zodat je de rest van de week die liedjes kon terugluisteren. Nu kun je dat gratis streamen. Maar het internet heeft juist positieve gevolgen: de consument is aan zet. Vroeger hadden platenmaatschappijen een duidelijke hand in welke trends en artiesten hoog eindigden. Nu maakt de internetgeneratie uit wat leuk is”.
   Je moet dus wel bij die generatie behoren om mee te kunnen tellen.
   Harry Denekamp: “De grote verandering is: vroeger kocht je, nu consumeer je. Dat laatste, het consumeren, meten we om de populariteit vast te leggen”.
 
Om de top 40 zo accuraat mogelijk te maken heeft de stichting een bedrijf ingeschakeld voor marktonderzoek. “DVJ Insights legt wekelijks een representatief panel tracks voor. Het gaat daarbij om nummers die niet ouder zijn dan 10 weken. Argument daarvoor is dat nummers ouder dan 10 weken per definitie beter beoordeeld worden”. Bij het interview met Erik de Zwart werd niet gesproken over een panel maar over een ‘jongerenpanel’.
   Na het meten van de airplay op de grote landelijke stations, het afspelen van muziek op Spotify en andere streamingdiensten, het noteren wat er aan populaire muziek bij een ‘panel’ leeft, is er voor de stichting top 40 nog een laatste factor: ‘trends in social media’ – de buzz rondom tracks op social media (Twitter, YouTube, Facebook en Instagram)’. Daarbij wordt er vooral op gelet welke popmuziek positief wordt opgepakt in Nederland, hoorde ik. Bijvoorbeeld: hoe wordt er op Facebook over nieuwe nummers gepraat. Op de site van de stichting vind je heel wat gegevens hoe de populariteit van popmuziek actueel gemeten wordt. Als consument kun je zelfs meedoen met tips voor de hedendaagse tipparade.
 
Het zal niet eenvoudig zijn om op basis van al die gegevens de top 40 samen te stellen, hoe geweldig je ook je best wilt doen. Op de website van de stichting is te lezen: “Alle onderzoeksresultaten worden wekelijks verzameld door SoundAware. Onder toezicht van een bestuurslid van de Stichting Nederlandse Top 40 wordt de definitieve lijst vastgesteld”.
   Wat precies de bepalende criteria zijn houdt de stichting geheim. Zo ging het tientallen jaren geleden al bij de samenstelling van wat ‘Your Hit Parade’ genoemd werd. Een kok laat de mensen vaak niet in zijn keuken kijken.
 
Gemeten populariteir duurt nu langer dan vroeger
 
Harry Denekamp kwam met een verrassende (maar terechte) conclusie. “Het gevolg van deze aanpak, waarbij we louter populariteit meten, is dat veel nummers aanzienlijk langer in de top 40 staan dan het geval was toen alles draaide om de verkoop. Sommige liedjes blijven soms heel lang populair. Ze kunnen stijgen, dalen en dan weer opnieuw stijgen. Dat was vroeger heel anders”.
 
Een voorbeeld. Meeste weken in de top 40, 6 oktober 1990, 25 jaar geleden:
Corry Konings, Mooi was die tijd, 15 weken
Roxette, It must have been love, 15 weken
MC Hammer, U can’t touch this, 13 weken
Mariah Carey, Vision of love, 11 weken
Maldon, Zouk Machine, 10 weken

 
 Afbeelding uit de Indiase clip van Major Lazer (2015)
 
Deze week, 10 oktober 2015:
Major Lazer, Lean on, 30 weken
Kygo, Stole the show, 28 weken
Skrillex, Where are ü now, 25 weken
Felix Jaehn, Ain’t nobody, 21 weken
James Bay, Let it go, 21 weken
 
***
 
Robert Briel schreef het 36 jaar geleden al: “De hitparade is een omstreden fenomeen”. Hitlijsten blijven een punt van discussie en controverse. Dat is altijd zo geweest en het zal ‘altijd’ zo blijven, denk ik.
 
Harry Knipschild
10 oktober 2015

Clips

* Frank Sinatra, Stardust, in Your Hit Parade, 1943
* Glenn Miller, Elmer's Tune, 1941
Nat King Cole, Too Young, 1950
* Ames Brothers, You You You, 1953
Orioles, Crying in the chapel, 1953 
* Your Hit Parade, 9 maart 1954
* Pat Boone, At my front door, uit 1955
* Carl Perkins, Blue Suede Shoes, Perry Como Show, 1956
* Beach Boys, Don't Worry Baby, Dick Clark, American Bandstand, 1964
King, Love and Pride, 1985
* Corry Konings, Mooi was die tijd, 1990
* James Bay, Let it go, 2015
* Major Lazer, Lean on, 2015
  
Literatuur
 
Arnold Shaw, The Rockin' '50s. The Decade that transformed the Pop Music Scene, New York 1974
Tony Jasper, Peter Jones, 20 years of British Record Charts, Londen 1975
Robert Briel, Sieb Kroeske, Hitdossier 1965-1978, Amsterdam 1979
Steve Waters, The missing charts. British hit singles January 1940-October 1952. The week by week top 30 best selling 78s, RockHistory, 2013
Joris Belgers, ‘Al vijftig jaar met stip dé lijst [Top 40]’, Trouw, 2 januari 2015
‘Top 40 was speerpunt in omroepenstrijd’, NOS, 2 janauri 2015
‘Beeld en Geluid weigerde expositie Top 40’, Radio.NL, 2 januari 2015
Jan Fransooijs, De tipparade van 15 juli 1967 t/m 4 april 1970, Stichting Nederlandse top 40, 2015
Martijn van Stuyvenberg, 50 jaar top 40. Nederlands bekendste hitlijst van toen tot nu, Utrecht 2015

De website van de Stichting top 40 vind je hier hier
Oude exemplaren van Billboard vind je hier