Zoeken


 
Wie kent niet de woorden van ‘Ben ik te min’? Wie zingt het lied niet onmiddellijk mee als Armand zijn klassieke popsong voor de zoveelste keer ten gehore brengt?
   “Ben ik te min. Ben ik te min omdat je ouders meer poen hebben dan de mijne? Ben ik te min. Ben ik te min omdat je pa in een grotere kar rijdt dan de mijne?”

 

Eerste artikelen in 1966

 
Armand werd als Herman van Loenhout in Eindhoven geboren op 10 april 1946. Omdat hij in de lichtstad woonde was het voor hem niet zo moeilijk mee te doen aan de talentenjachten die Phonogram, de platenmaatschappij van Philips, er regelmatig organiseerde. Zo werd Herman in 1965 opgemerkt.
   Je zou denken dat popkrant Hitweek er met zo’n figuur als eerste bij was. Maar het keurige Muziek Parade plaatste al in maart 1966 een foto van de artiest – met daarbij de tekst: “Het is bekend dat er elk jaar bij de Carlton-talentenjacht wel een talent wordt ontdekt dat snel populair wordt. Hoewel de talentenjachten nog in volle gang zijn heeft een van de deelnemers al een bekende naam gekregen en is er een plaatje van hem gemaakt. We bedoelen Armand die met zijn composities ‘En nou ik’ en ‘Twee minuten’ [1965] bewijst dat hij een plaats op de hitparade meer dan waard is”.
 

Ongelukkige jeugd

 
Pas een half jaar later werd Armand door Hitweek ontdekt. Peter Schröder begon zijn artikel dan ook met de woorden: “Het schaamrood stijgt ons op de kaken. De plaat ‘Dat is juist de pest’ ligt al sinds februari [1966] in de winkel. Hoe het godsmogelijk is weten we zelf niet, maar het is Armand gelukt om buiten Hitweek te blijven. Gauw goed maken nu, want – de minder trage geesten moeten het nog maar eens horen – zulke platen komen te weinig uit”.
   Peter Schröder reisde in de zomer van 1966 naar Eindhoven om uit de mond van de artiest een en ander te kunnen optekenen. Armand, twintig jaar, woonde nog netjes thuis. Tijdens het interview trokken zijn ouders en zus zich terug. Peter en Herman gingen in de woonkamer zitten – met ‘meubilair van donker hout en landschappen aan de muur’. Moeder Van Loenhout zorgde voor koffie en bood aan het eind zelfs een pilsje aan.
   Aan de redacteur van Hitweek vertelde Armand dat hij een ongelukkige jeugd had gehad. “Uitgebreide kinderziekten, later astma, bronchitis en andere longaandoeningen maakten dat hij drie jaar van zijn schooltijd miste. Twee keer een half jaar bracht hij door in een herstellingsoord”. In die tijd, leerde hij in Wijk aan Zee, moest hij het zelf maar uitzoeken: “Zijn ‘beste vrienden’ lieten het steeds afweten”. Het jongetje voelde zich eenzaam en verbitterd. Die negatieve ervaring verwerkte hij in de song ‘Want er is niemand’.
   Niet alleen de strips van Suske en Wiske maar ook muziek zorgden voor afleiding. “In het ziekbed werd op blokfluit, [accordeon] en mondorgel de eerste muziek gemaakt, later volgde de gitaar”.
   Als jongetje merkte Herman al hoe hij het publiek moest bespelen. “Op een feestavond had hij veel succes met Dorus-imitaties en ‘Geef mij maar Amsterdam’ (Johnny Jordaan). Hij werd uitgeroepen tot ‘kampioen van de Kempen’”. Schröder hoorde dat de prijs bestond uit vier pilsjes – misschien wel een eerste kennismaking met ‘drugs’. “Hij stond volledig op z’n kop”.
 


  

Muziek

 
Herman wist ondanks zijn slechte gezondheid de mulo te doorlopen. Maar door ‘disharmonie met zijn omgeving’ en het ‘verbeteren van onderwijzers’ kwamen er conflicten. In die tijd leerde hij gitaar spelen en schreef teksten. Na de mulo studeerde Herman volgens Hitweek nog een jaar bouwkunde (UTS). Veel kwam er niet van terecht. Een telexisten-opleiding bij Philips lukte beter. Eenmaal aan het werk bij de ‘gloeilampenfabriek in het zuiden des lands’ waren er al gauw wrijvingen. Wegens ‘bedrijfssanering’ werd hij in Eindhoven ontslagen. Herman zal geen makkelijke jongen geweest zijn.
   Als Armand wilde hij in de rock & roll, liet hij in 2000 noteren. “Ik speelde op een turquoise Egmond-gitaar en met een zeer beperkte kennis van het Engels schreef ik liedjes. Zo kwam ik bij een bandje, de Jumping Strings uit Best. Op het podium zong ik covers van Buddy Holly, Cliff Richard, Eddie Cochran, Little Richard en andere rockers.
   Ik zwierf op mijn DKW-brommertje van het ene bandje naar het andere. In 1964 ging ik zingen bij de Valiants (uit Eindhoven) omdat de zanger op vakantie was. Ik was toen achttien. We trokken volle zalen met Amerikaanse soldaten die zich in onze stad kwamen vermaken”.
   De Eindhovenaar zong ook wel eens Franstalige chansons. Bovendien vond hij werk in een platenwinkel.
 
Jonge meisjes lieten Armand niet onberoerd. “Mijn gitaar gebruikte ik voor het schrijven van liedjes en om die te laten horen aan de meisjes die ik wilde versieren op de hei of in het park”. Met één van de meisjes kwam het zelfs tot een verloving. “Prachtig. Heel serieus, sparen, zuinig zijn, geen avondje meer uit. Dat ging goed tot ik op een keer de Phantoms [bekend van de hit ‘I’ll go crazy’, een song van James Brown] zag spelen. Ik stond daarvan in vervoering. Ik wilde weer spelen”.
   Bij de Valiants trok Armand er naar eigen zeggen tussenuit met het meisje van de basgitarist. “Dat gaf paniek, maar daarna speelde ik toch mee”. Bovendien wist hij de groep ook muzikaal te beïnvloeden. “Ik boog het Beatles- en Stonesrepertoire al gauw om naar Bob Dylan die ik pas ontdekt had door zijn ‘Subterranean Homesick Blues’ [1965]”.
 

 

 

Ontdekt

 
“We zijn naar Carlton gegaan, naar het Cabaret der Onbekenden”, vertelde Armand aan Peter Schröder. Het was niet de eerste keer dat hij zich zelf aan de man probeerde brengen. “Ik wilde mijn liedjes graag ten gehore brengen en daartoe stroopte ik verscheidene talentengebeurens af. Ik hoopte dat iemand ze beter zou vinden dan mijn bandleden. In mijn Engelse songs was [echter] geen hond geïnteresseerd”.
   Zo ging het ook in Carlton. Tijdens die talentenjacht van Phonogram kwam hij in contact met de directeur van de Nederlandse Radio Luxemburg [Huub Terheggen]. “Die vroeg of ik een bandje wilde sturen. Dat werd ‘Blood’, een eigen Engelstalige protestsong”.
   In het interview had Armand al toe moeten geven dat zijn Engels niet best was. De Engelstalige protestsong bleek dan ook niet goed genoeg te zijn. “Ik kreeg het bandje weer terug. met de opmerking: ‘Er is al te veel Brits protest. Schrijf iets Nederlands’”.
   Armand liet zich niet uit het veld slaan. Hij had immers gehoor gevonden bij een belangrijk iemand. “Ik dacht: barst nou! Maar maakte toch een bandje met ‘Want er is niemand’. Ik deed er een briefje bij. ‘Zal je wel niet goed vinden, maar dat interesseert me geen pest’”.
   Min of meer tot zijn eigen verbazing werd zijn Nederlandstalige protestsong wél positief ontvangen. “Er kwam een briefje terug. Ze vonden het een ‘schot in de roos’. In Luxemburg is het bandje bijna kapot gedraaid. Die man vond het ‘onbewust commercieel’”.
   Armand kon wel lachen om die uitspraak. “Hij vond mij ook ‘positief in mijn negativiteit’”.
   Bij nader inzien was Huub Terheggen ‘een geschikte vent, waarmee je over muziek kunt praten’.
   De directeur van het station haalde Peter Koelewijn erbij. Die had eerder Nederlandstalige hits gemaakt met ‘Kom van dat dak af’ en ‘Marijke’. Koelewijn werkte op dat moment als deejay voor het station.
   Armand en Koelewijn konden het goed met elkaar vinden. “Peter speelt nog steeds, nu heel hard, met een wilde show, erg goed. Pas was ik op zijn bruiloft. Daar speelden de Rockets in de oorspronkelijke bezetting. Die oude nummers waren nog steeds geweldig. Hij is mijn producer bij Phonogram”.
   Hoe ging het bij de opname van die tweede single, werd hem gevraagd.
   “Was wel mooi. Eerst interesseerde het de studiomensen niet zo veel: de begeleiding spelen en dan snel de tekst indubben. Toen ik daarmee bezig was begon iedereen te grijnzen en te knikken. Na afloop kwamen ze me feliciteren”.
   Armand liet zich positief uit over de platenmaatschappij. “De opname was goed. Ze kunnen het hier wel, als ze er maar lol in hebben”.
   Dank zij zijn kontrakt met Phonogram kreeg Armand de kans om opnieuw bij Philips in Eindhoven te komen werken. Peter Schröder: “Het hoefde niet meer. Armand haalt nu een belegde boterham uit de muziek”.
 

Eerste bekendheid

 
Hitweek drukte de tekst van ‘Want er is niemand’ af in het weekblad: “Je haar is te lang, je ogen staan flauw. Je rookt veel te veel, ach ze kijken zo nauw. En weet je veel, je krijgt een meisje, belooft haar eeuwige trouw. Ze zeggen doe net als een ander, loop in het gareel. Doe je het niet, weet je niet beter, krijg je het mes op de keel”.   
   De single kwam niet in de top veertig, maar volgens Hitweek was de verkoop desondanks niet slecht. Armand had dan ook genoeg werk, maar wel in z’n eentje. Begeleiders in de stijl van Bob Dylan waren in Nederland immers niet te vinden. “Waar haal je zo’n groep vandaan? Het wordt zo gauw te veel lawaai. Ze moeten horen wat ik sta te zingen. Ik heb contact nodig met mijn publiek. Ik treed geen hele avond op. Dat wil ik ook niet. Dan wordt er alleen naar de eerste drie nummers geluisterd. Ik speel geen amusementsmuziek. Het bevalt me best zonder groep”.
   Armand: “Folksinger noem ik me zelf, ik zing voor iedereen, ook voor Jan met de Pet, over de toestanden waar ze zelf middenin zitten. Mijn gitaarspel is niet zo best, mijn stem ook niet. Maar dat zijn bijzaken, er moet iets over komen. Er is veel kritiek op de muzikale kant van mijn plaatje. Daar gaat het mij niet om. Ik schrijf een tekst, daar wordt dan een muziekje bijgefrot.
   De meesten zeggen dat ik uit de maat zing. Om de tekst met een zo groot mogelijk effect te brengen stop ik soms, of ga ik juist door, waar anderen coupletjes vol zingen. Zo liggen de aksenten beter”.
   Er was dan nog wel geen hit, Armand had Philips niet meer nodig om aan geld te komen. “Ik leef van mijn optredens. Phonogram heeft soms wat voor me. Een manager heb ik niet. Ik denk er wel over een grote hond te kopen en die overal mee te nemen”.
   Eén ding had hij goed in de gaten: “Protest is een commercieel etiket geworden”.
   Er waren meer van dat soort Nederlandstalige artiesten. “Zo uniek ben ik niet. Ik word wel eens een mengsel van Jaap Fischer en Boudewijn de Groot genoemd”.Ook met Jules de Corte voelde hij zich verbonden.
   Boudewijn en Armand hadden contact met elkaar. De Brabander verkondigde dan ook dat Boudewijn de Groot zelf niet zo enthousiast was over zijn hit ‘Welterusten meneer de president’. “Hij vindt ‘President’ zelf geen goed nummer. De begeleiding ligt er te dik op”.
   Sommige pop-artiesten wilden voor een zo breed mogelijk publiek werken, jong en oud. Bij Armand was dat beslist niet het geval. “Ik speel niet voor bejaarden maar voor de jeugd, de beatgeneratie”. Hij beredeneerde het ook in 1966. “Als je voor ouderen speelt is het: ‘Je hebt gelijk, maar we kunnen er toch geen zak aan doen’. Jeugd kan er iets tegenover stellen. Dan komt er [op den duur] iets positiefs uit”.
   Armand moet wel een opvallende verschijning in Eindhoven geweest zijn. Dat was al lang zo. “Vroeger liep ik wel eens met een bolhoed, Mozart-strik en paraplu door de straat. Dan hoorde mijn moeder bij de kruidenier dat ik opgroeide voor galg en rad. Ze zullen nu wel vinden dat ze gelijk hadden”.
   Een verslaggever van een Leidse krant duidde Armand in die tijd aan met: ‘Suède jack, paarse broek, hoge schoenen, verward ietwat lang haar’. Waarom een paarse broek vroeg hij hem.
   “Ja, een protest tegen al die grijze en blauwe broeken met brede omslagen. Om zulke dingen maak ik me kwaad. En als ik dat voel ga ik mijn liedjes schrijven. Over de kleinzieligheid van ouders, de overheersing van het kapitaal, de elite-rechtspraak en – ja ook – de huichelachtigheid van de jeugd”.
 

Ben ik te min (de ‘c-kant’ van een single)

 

"Ben ik te min"


 
In 2000 vertelde Armand hoe hij aan zijn grote hit gekomen was. “Pas een jaar na de eerste, nam ik die single op”. Het was november 1966. “Voor de eerste keer werd ik geconfronteerd met censuur. De a-kant was oorspronkelijk een liedje over de Tres-zaak, over een rijkeluis-ontgroening, waarbij een student het leven liet. Het grapje was met de mantel van vele knaken toegedekt. Dat kon niet [voor Phonogram]. De b-kant, ‘Een van hen ben ik’ ging naar de a-kant. Had ik voor de b-kant nog een lied?
   Ja en nee. Het was nog niet af. Stukje laten horen. Goed genoeg voor een b-kant.
   Vijf maanden na de releasedatum draaide Jan van Veen bij Veronica de plaat om. ‘Ben ik te min’ schalde door de ether. Veertien weken hitparade en de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen, zoals support act van de Stones, Procol Harum en Pink Floyd. Het mij verplaatsen in Rolls Royce, Cadillac, Chrysler, verscheidene Jaguars en het complete gebrek aan zelfdiscipline waardoor ik al gauw aan de oppeppende middelen raakte.
   Ik speelde zo’n twintig optredens van een half uur per weekend. Op maandagochtend reed ik volkomen daas Eindhoven weer binnen met zo’n 1500 tot 2000 kilometer in de benen”.         
   In het blad Kink vroeg Hans Born in 1967 aan Armand waarom het zo lang geduurd had voor ‘Ben ik te min’ een hit geworden was.
   Bij die gelegenheid gaf hij een uitleg zoals je die op dat moment van hem kon verwachten: “Het klootjesvolk moest eerst leren luisteren naar Nederlandse teksten. Nu zijn ze eraan gewend en kopen ze mijn platen. Ze sjokken als koeien achter elkaar aan. De mensen zijn gewoon vee”.
 

Leven met een grote kar

 
In januari 1967 stapte de artiest in Amsterdam binnen bij Hitweek. Peter Schröder: “Hij was in een goede bui. Het gaat Armand goed, naar den vleze om zo te zeggen. Minder vrolijk was hij toen zijn wagenpark ter sprake kwam. Armand had een tweedehands Jaguar Mark VII gekocht, met alles der op en der aan: bar, schrijftafel met leeslamp, slaapbanken, paarse binnenverlichting. De vorige eigenaar was [minister] Luns.
   Met zo’n auto kon je in het gezelschap van goede cats en chicks menige kick beleven. Armand was zelden alleen. Op een gegeven moment werd hij zo vaak met hippe chicks gesignaleerd dat er op het politie telex-net een verzoek rondging om de Jaguar van Armand te allen tijde op minderjarige meisjes te onderzoeken.
   Zeer gerieflijk spoedde Armand zich van optreden naar optreden tot hij in Assen een keer verkeerd van de stoep afreed en een of andere slang van de waterkoeling het begaf. En als je dat niet merkt, dan wil zo’n motor best vastlopen. Om een lang verhaal kort te maken, het verhaal eindigde op een autokerkhof waar Armand schreiend afscheid nam van zijn voor 25 gulden van de hand gedane vierwieler.
   Armand zat niet bij de pakken neer en bestelde een Chrysler Imperial met elektrisch bedienbare raampjes, stoelen en een omklapbaar stuur. Inmiddels had hij ook een grote zwarte herdershond uit de goot opgeraapt. Die hond ging mee en dat was heel gezellig. Alleen kon die het optreden niet van al te dichtbij meemaken. Als Armand op zijn mondorgel speelde begon de hond deerniswekkend mee te huilen. Als het lang genoeg duurde holde hij grommend de zaal in. Ergens in Groningen veroorzaakte dat geweldige paniek bij het publiek. Sindsdien gaat hij niet meer mee”.
  
Aan Hans Born bekende Armand dat hij soms aan slaap nauwelijks toekwam in die tijd. “Ik werk me kapot. Ik ben [bovendien] altijd enorm tenger geweest, door mijn ziekte. Longen weet je wel. In de zon liggen is er niet bij. Dat denken de mensen. Een paar avondjes zingen en verder in je nest liggen of op een terras zitten. Vergeet het maar.
   Ik sta alleen, haast altijd alleen. Als ik optreed is er niemand bij me. Anderen gaan samen naar huis. Als ik niet ergens kan pitten moet ik hele rot-einden naar Eindhoven terugrijden. En dan altijd die angst: want ik verdom het me voor het publiek te matigen. Als er weer zo’n stel zuipende klootzakken in de zaal zit, van die lefschoppers die na afloop thuis weer bij moeder achter de kachel kruipen, dan roep ik gewoon: ‘Je kan wel merken waar hier de boerenlullen zitten’ en dat nemen ze niet.
   Meestal wachten ze je dan op om je in mekaar te slaan. Hier, kijk maar (laat een ontvelling in z’n nek van anderhalve decimeter breed zien), hebben ze met een mes gedaan, dat was in Arnhem, gelukkig schampte het af”.
   In plaats van diep in de nacht naar huis te rijden bleef hij regelmatig slapen bij bezoekers van een van zijn optredens. “Dan vraag ik gewoon of ik soms bij iemand kan pitten. Kom je midden in de nacht in een vreemd huis en dan komen soms de ouwelui naar beneden. Dan zie je ze denken, mijn god, wat moet die viezerik hier binnen. D’r wordt druk gefluisterd in de keuken en dan mag je ten slotte blijven”.
 

Fragment uit Hitweek, 2 februari 1967


 
Af en toe was Armand best tevreden met het leven dat hij leidde. “Laatst was ik met een meisje in dat restaurant op de Afsluitdijk. Ik keek over het water en was enorm gelukkig”.
   Maakt je populariteit je dan niet gelukkig, kreeg hij als vraag voorgelegd.
   “Het interesseert me niet zo erg meer. Dat heb ik wel gehad, die race, walgelijk. Je blijft er niet buiten, je raakt er toch in verzeild. Mensen die je gouden bergen beloven. Er ontstonden allerlei krankjorume toekomstbeelden in m’n kop. Er lopen zulke fantasten in deze business rond. Je verzuipt in de showbisnis”.
   Armand liet zich ook uit over de problemen in de wereld. “We worden genegeerd door het grootkapitaal. Ik ben tegen het communisme. Dat heeft niks anders dan ellende gebracht, daar zou ik niet in kunnen leven. Ik zou er natuurlijk ook niet kunnen zingen”. De zanger besefte dus dat het communisme tevens dictatuur bracht.
   Over het optreden van de Amerikanen in Vietnam liet hij zich juist positief uit in 1967. “Ik ben vóór de Amerikanen. Als die de Chinezen niet tegenhouden, gaat het net zo als met Djenghis Khan, dan zit zo heel Azië hier”.
   Armand gaf bovendien aan wat zijn favoriete popmuziek was. In Nederland vooral Cuby & the Blizzards. “Dat zijn de besten. De Tee Set en de Shoes zijn ook wel fijn”. Internationaal viel hij vooral op de Loving Spoonful, de groep van John Sebastian. “Dat is altijd beestachtig goed’. Andere namen die hij noemde waren die van Spencer Davis, Beach Boys, Byrds en natuurlijk Bob Dylan (‘het absolute einde van alles’).
   Eén van de liedjes op zijn album was getiteld ‘Toekomst’. “Toen ik dit schreef had ik veel medelijden met mezelf. Ik zag de toekomst somber in. Nu sta ik er niet zo negatief meer tegenover. Ik geloof dat er heel veel aan het verbeteren is. Jonge mensen gaan zich steeds minder aantrekken van wat de buren en de pastoor er van zal vinden, ook al werken ze op een kantoor of op een fabriek. Er komt steeds meer vrijheid. Dat zie ik overal om me heen. Mijn eigen toekomst, daar wil ik helemaal niet aan denken, dat kan ik niet”.
 

Een nieuwe Armand

 
Achteraf bekeken was ‘Ben ik te min’ zo ongeveer de enige echte hit die Armand ooit gehad heeft. Alleen ‘Blommen, kinders’ wist nog een plaatsje in de top 40 te veroveren. Het ontbreken van hits omschreef hij met ‘discografisch gedonder’. Phonogram gaf hij de schuld. Men verhandelde daar zijn songs niet op de juiste manier.
   Armand later: “Ik was inmiddels zo uitgeteerd van de speed dat ik besloot een blow te maken, met mijn blocnote op de hei te gaan zitten en het spelen te vergeten. En zo maakte ik bewust zelf een einde aan de mallemolen van het succes, waarbij ik zelf amper betrokken was geweest. Ik moest zorgen dat ik op tijd van het ene optreden naar het andere geraakte terwijl de toeschouwer iets zag om nooit te vergeten, zo werd het mij later in ieder geval terug verteld.
   Je kwam aan, een hoop haar, grote bontjas, witte Cadillac, mooie meiden, je speelde even en dan vertrok je weer met je gevolg, het volk met open mond achterlatend. Ze hadden het echt over mij! Uit mijn eigen ervaring en uit wat ik om me heen zag concludeerde ik dat speed [op den duur] een enkeltje psychiatrisch ziekenhuis was”.
 
In de jaren zeventig begon de tweede fase in de muzikale loopbaan van Armand. Wat platen betreft maakte hij de overstap van Phonogram maar Telstar, het bedrijf van Johnny Hoes in het Limburgse Weert. (“Op aanraden van mijn moeder. Telstar zat immers met zijn studio dichter bij, wat ik een goed argument vond”).
   Ter gelegenheid van het dubbelalbum ‘Een beetje vriendelijkheid’ liet hij zich interviewen door het Veronica-blad. Het artikel begon met de woorden: “Hij leeft nog, de zanger van ‘Ben ik te min’. Armand is nu 28, maar het is hem niet aan te zien. Bleekjes en schuchter ineengedoken zit hij gerieflijk in zijn pluche flat. Die deelt hij met een attractieve Française, die hij sinds vijf jaar zijn echtgenote mag noemen”.
 
De zanger woonde anno 1975 nog steeds in Eindhoven. Paste hij met zijn ideeën niet veel meer in Amsterdam?
   Armand: “Amsterdam is te speedy, te druk. Misschien woon ik wel in het zuiden om niet met die scene te hoeven leven. Ik hou het Amsterdamse tempo niet vol. Nu treed ik een of twee keer per week op. Daar kan ik helemaal naar toe leven. Ik besef nu hoe belangrijk muziek is. Het is het enige medium, waarmee je de jeugd kunt beïnvloeden. Het is misdadig om muziek te misbruiken voor plat amusement.
   Mijn optredens leveren wat dat betreft voor mij het bewijs. Ik merk aan de mensen dat ze heus wel bereid zijn om het goed te doen. Ik praat met hen over alle dogma’s, die ze tegen houden. Soms voel ik me net een sociaal werker. Onze christelijke cultuur is niet goed. Dat geeft slechts plichtsbesef. Daarom zijn er zoveel junkies. Die hebben allemaal geleerd dat er in dit leven geleden moet worden, dat het leven een grote puinhoop is. De meeste junkies zijn daarvoor gevlucht.
   Zoiets begint met een filtersigaretje. Een meisje pakt dat aan, maar weet niet dat er heroïne in zit. Het eind van het liedje is dat ze als hoer voor het raam moet gaan zitten. Het is meer dan misdadig. Het vieze langharige tuig wordt er voor uitgescholden, maar die hebben er niets mee te maken. Het zijn heren in keurige pakken, die dat soort praktijken bedrijven”.
   Armand, lijkt, had weinig van zijn ideeën uit de jaren zestig verloren. Hij trad nu, vertelde hij, nog steeds op voor de jeugd. “Het zijn mensen van zo’n 19 jaar. Op die leeftijd zong ik ‘Ben ik te min’. Daarom zing ik nog steeds dat repertoire. Ze hebben dat nooit meegemaakt. Ik maak veel vrienden in de jeugdclubs waar ik optreed. Na mijn optreden blijf ik altijd nog even praten. Dat gaat uitstekend. De jeugd is prettiger nu dan in mijn tijd. Wij waren een stuk agressiever. Mensen komen ook om te luisteren. Niet meer voor de sensatie”.
 


Voorkant hoes album 'Een beetje vriendelijkheid'

 

 
Armand wekte de indruk dat hij meer plezier in het leven had dan in de tijd van zijn grote hit. Van zijn protestliederen zag hij ook enigszins het betrekkelijke in. “Ik lach veel. Het is niet belangrijk waarom, als je het maar doet. Veel mensen lachen niet. Ik wel, al zou je dat misschien niet zeggen. Iedereen maakt natuurlijk zijn eigen wereld, maar ik vind het zielig om te zien dat de meeste mensen het niet kunnen. Iedereen probeert zich op z’n eigen manier een beetje prettig te voelen. Ik doe dat door kritische liedjes te zingen. Zoiets gaat niet over bij het ouder worden”.
   Zijn mening over het roken van soft drugs was niet veranderd. “Ik rook al sinds Antwerpen. Wat Amsterdam nu is voor de drugshandel, dat was Antwerpen al in 1962. Veel Nederlandse artiesten en groepen gingen eerst even naar café de Muzen in Antwerpen als ze in het zuiden moesten optreden. Cuby & the Blizzards en Boudewijn de Groot zag je daar vaak. Dat was dus alleen hasj en marihuana”.
   In de tijd, maakte hij pas later duidelijk, kreeg Herman van Loenhout een nieuwe interesse – treintjes. “Behalve het weekend, als ik optrad, bracht ik de dag door tussen de treintjes. Een dag die om half negen ’s morgens begon en eindigde om half twaalf ’s avonds. Ik dacht aan treinen, trok baantjes in mijn hoofd terwijl anderen tegen me spraken. Ik droomde van miniatuurlandschappen en als ik op de weg zat verkleinde ik alles tot schaal 1:87. Ik verzuimde zelfs weleens een optreden, zoals de gig met [de broers Rob en Ferdi] Bolland in Zeeuws-Vlaanderen omdat ik vond dat de boot niet vlug genoeg kwam en ik thuis een nieuw station aan het bouwen was”.
   Het nieuwe album werd goed ontvangen. Evert Wilbrink bijvoorbeeld liet weten: ”‘Een Beetje Vriendelijkheid’ is het eerste Nederlandse werk, dat niet primair wordt uitgebracht op commerciële gronden. De firma van Johnny Hoes heeft Armand’s dubbel-LP in een fraaie, door de zanger zelf ontworpen, zeer kijk- en lezenswaardige drieklaphoes met dubbel tekstvel laten steken. Hij zingt recht uit zijn hart zonder een verkeerd woord te schrappen en laat de juiste intonatie slechts varen om niet gehinderd te worden bij het direkt tot de kern doordringen”.

 
Van de grote kar in de trein

 
Aan zijn huwelijk kwam een einde. “Ik was getrouwd met een Parisienne die ik in Antwerpen ontmoet had. Een huwelijk met, naar later bleek, een burgertrutje waarvan twee zoons het resultaat waren en wat mij muzikaal deed verwateren totdat ik liedjes schreef waarvan ik zelf dacht: ‘wie is die zeikerd?’ Al mijn idealen had ik ingeslikt om de lieve vrede thuis te bewaren terwijl de kids pistooltjes kregen voor hun verjaardag en mijn hart bloedde. Mijn vrouw zocht een nieuw maatje en de scheiding was een feit.
   Vrienden zeiden: ‘Jij gaat wel weer samenwonen over een paar maanden’, toen ik net alleen was. Om dat slap achteraf-gelul te ontwijken kocht ik in 1987 een jaarkaart en stapte acht jaar in de trein. Everyday. Minimum 1500 km in de week was de planning, waaraan ik me ook aardig gehouden heb. Ik ontmoette zowat iedereen die ik in 20 jaar niet gezien had, sloot nieuwe vriendschappen. Ik realiseerde me hoe geïsoleerd en wereldvreemd een autorijder is. Ik hield een reisboek bij, wat ik tot op de dag van vandaag doe”, vertelde hij in 2000.
 
Op zijn eigen website is anno 2014 meer te lezen over zijn avonturen in de trein. De overstap naar het openbare vervoer was in 1987 overigens niet vrijwillig gegaan.
   “Die werd niet alleen veroorzaakt door mijn zorg om het milieu doch ook omdat de auto op was en omdat het de tweede keer was dat ik gepakt werd zonder APK. De eerste keer langs de snelweg, 120 piek, de tweede keer 2000 [gulden]. Maar omdat de auto op naam van mijn pa stond glipte ik daar net onderuit met een gelijke boete als de eerste maal.
   Het vond plaats in Nijmegen. Ik moest optreden in het beroemde Kraakcafé de Onderbroek. Hartje stad had ik ineens een politiekarretje aan mijn staart. Ik zwenkte meteen de eerste parkeergelegenheid in, wat een opening in de winkelgevels bleek te zijn die langzaam naar boven liep.
   Bovengekomen kwam ik op een platdak-parking uit waar op elke hoek een agent op wacht stond, zes in totaal. Paniek!
   De autopetten waren ook achter mij aangekomen met het bekende rode knippertekstje en nadat ik uitgestapt was toonde ik mijn papieren. Géén APK! Terwijl de ene diender mijn bekeuring uitschreef, zei de andere, terwijl hij op het achterspatbord duwde waardoor de auto zo’n vijf keer op en neer hupte alsof het een kaatsebal was: ‘Collega, dit voertuig moet van de weg!’
   Ik zei dat ik dat ook wel wist maar of ik er dan straks nog mee naar huis mocht rijden, dan zette ik hem aan de kant. ‘Okay, je ziet maar hoe je thuiskomt’. Dat was fideel. En hun vertrouwen bleek niet vergeefs”.
 

Armand maakt muziek tussen zijn lievelingsplanten

 
Armand had naar eigen zeggen schoon genoeg van auto’s. “Ik verkocht de machine, kocht een fiets voor in de stad en een NS daluren-kaart voor daarbuiten. Mijn fiets werd binnen de kortste keren gejat, de tweede ook dus besloot ik binnen de bebouwde kom de bus te nemen. Als ik het even ruim had nam ik een taxi.
   Ik reisde eerste klas met korting (onder voorbehoud dat ik genoeg pegels bezat). Ik werd een fanatieker. Achteraf bezien moet ik mijn vrienden en kennissen bekennen dat ik er wel wat rigoreus tegenaan ging als ik vroeg: ‘En waarom heb jij je auto nog niet verkocht, wat is jouw smoes dat ik ’m even kan ontzenuwen?’
 
Het reizen per trein werd de gewoonste zaak van de wereld. “In het begin bleef ik nog redelijk dicht bij huis. Behalve wanneer ik moest optreden natuurlijk. Want ook al genoot ik korting, trein rijden was niet goedkoop. Ik maakte dankbaar gebruik van het avondretour waar je de prijs van een enkeltje voor betaalde wat om 19:00 uur inging maar waarmee ik altijd wel een beetje smokkelde. Soms zat ik zo slecht bij kas dat ik zwart reed naar de gig – uit noodzaak.
   Ik ben ook verschillende keren ontzien als de omstandigheden duidelijk werden. ‘Nee, ik hèb niks, ik ga ze nú verdienen; hier is mijn gereedschap’, terwijl ik wees naar mijn gitaarkoffer”.
   Over de rails reisde Armand niet alleen als hij geboekt was voor een optreden. Ook stapte hij in de trein om nieuwe ‘spullen’ in te kopen. “Vrolijk pendelde ik elke vrije avond naar een buitenlokaalse koffieshop waarvan ik al gauw de laatste treintijden naar Eindoven uit mijn hoofd kende: (De Highlander) Tilburg 00:38 uur. (Het Paradijs) Breda 00:20 uur. (Jump) Den Bosch 00:55 uur. (Sticky Fingers) Maastricht 23:54 uur. (Andersom) Utrecht 00:20 uur. (Piramide) Roosendaal 23:25 uur, (Nobody’s Place) Venlo 22:52 uur – om er een paar te noemen”.
   Reizen per trein was niet onhandig. “Je kon blowen in de trein. Of laten we stellen, het werd oogluikend toegestaan. Wat weer afhing van de conducteur zijn persoonlijke instelling. En van de SP natuurlijk; hier staand voor Spoorweg Politie. De ontmoeting met de spoorwegpolitie zorgde ook altijd voor totaal verschillende reacties. Eens werd ik bijna aangevallen door die dienders toen ik een chillum zat te bouwen, een andere keer vroegen ze beleefd of ze erbij mochten komen zitten”.
 

Een kind van de zomer van 1967

 
Meer dan ooit tevoren leek Armand op die manier van het leven te genieten als hij weer eens optrad. “Mijn uitrusting bestond dan uit gitaarkoffer en een tas met harmonica’s plus beugel, loads of snaren en een capo, toiletspullen, wereldontvanger (BBC Worldservice ging overal mee) en een goed boek”.
   Als het even kon bracht hij de nacht door in een vier of vijf sterren-hotel, legde hij vast op zijn website. “Ik reserveerde de hotels natuurlijk telefonisch van tevoren, wel zo wijs. Want als ik voor de eerste keer met mijn tronie aan de balie stond werd ik door hotelgasten en personeel soms behoorlijk achterdochtig aangegaapt. In elk hotel waar ik vertoefde ging ik niet slapen voordat ik een liedjestekst had gemaakt”.
   In Bergen op Zoom (‘De Draak’) kwam hij op die manier tot het lied ‘Zevenhonderd jaar overspel onder de balken’.
   Misschien wel de meeste luxe kamer trof de zanger van ‘Ben ik te min’ aan in Maastricht. Hij sliep er in de Mick Jagger-kamer van hotel Derlon. “In zo’n hotel had je een 24 uurs-service. Om half vijf ’s morgens dineerde ik uitgebreid na opgetreden te hebben in de Sticky Fingers in Koestraat 17, het straatje waar ik alle cafés ooit bespeeld heb”.
 


Mick Jagger, hotel Derlon, 1979

 

 
Het is een waar genoegen om te lezen wat Armand op zijn website allemaal over zich zelf vertelt. Je kunt er bovendien de tekst lezen van zijn hitje ‘Blommen, kinders’. In dat lied uit 1967, de ‘Summer of Love’, vroeg Armand zich af: “Is de mens onnozel verblind door z’n materialistsch bestaan – door het aap-noot-mies van de struggle for life. Dat hem belet geestelijk verder te gaan? Het is nuttig, geloof me nou, voor een keer te overdenken waarvoor je leeft. Want het is het heel wat meer dan het slijk daar aarde waarvoor men zwoegt tot men geen asem meer heeft”. En in het refrein verkondigde hij de slogan uit de hippie-tijd: “Geuren en kleuren zijn de nieuwe wereldmacht”.
   Met welhaast een profetische blik vooruit zong Armand: “De zomer van ’67 werd met bloemen getooid. Nog nooit hebben zoveel kleuren de mensen gesierd. En ook al heeft het bij elkaar maar een goed jaar geduurd. Ik ben blij dat ik het ook heb gevierd”.
   Voor Armand, Herman van Loenhout, heeft het feest nooit opgehouden als je leest wat op zijn website geschreven staat.
 
Harry Knipschild
12 december 2014

Armand is op 19 november 2015 overleden.

Clips

* Armand, Een van hen ben ik, 1967
* Armand, Ben ik te min, Veendam, 1969
* Armand, Mr. Tambourine Man (Bob Dylan)
* Armand. Blommen, kinders
* Armand, Lucky Fonz III, Het leven is mooi
* Armand, Python-interview, 2011
* Armand in Oss, 2012
* Armand, drugstoerist, 2012
* Armand met de Kik, Lowlands, Want er is niemand, 2012
* Armand in het Vondelpark, Amsterdam, 2013
  
Literatuur
‘Armand – talent’, Muziek Parade, maart 1966
Peter Schröder, ‘Armand – Dat is juist de pest’, Hitweek, 12 augustus 1966
‘Carlton weer open voor nieuw talent Phonogram’, Nieuwe Leidsche Courant, 26 augustus 1966
Peter Schröder, ‘Armand. Mijn kar is groter dan de jouwe’, Hitweek, 2 februari 1967
Hans Born, ‘Armand. Wat het klootjesvolk wil weten’, Kink, 6 mei 1967
‘Armand: ‘Het is misdadig om popmuziek te gebruiken voor plat amusement’, Veronica, 18 januari 1975
Evert Wilbrink, ‘Een beetje vriendelijkheid’, Veronica, 18 januari 1975
‘biografie Armand’, website Armand, mei 2000
‘De trein’, website Armand, december 2014 gedownload