In zijn boek De Schnabbeltoer (2005) schreef Henk van Gelder een mooi verhaal over de wereld van het amusement vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog. Na de crisis in de jaren dertig, resulterend in de oorlog, begon het tijdperk van de wederopbouw. Op de omslag van het boek: “Tegen de achtergrond van de machtige rol van de radio, de groeiende platenindustrie en de opkomst van de televisie werd er heel wat georganiseerd. Het personeel van fabrieken en bedrijven werd op personeelsfeesten een avond lang vermaakt door de kunstfluiter Jan Tromp, buikspreker Martin de Maijer, clownsgroep de Doppelini’s, maar ook door de legendarisch geworden artiesten als de Wama’s, Walden & Muyselaar, Johnny & Rijk, Rudi Carrell en de Zangeres Zonder Naam”.
   Van Gelder: “Horeca-ondernemers, buurtorganisaties, sportverenigingen – iedereen wilde amusement. Een blik in de knipsels die cabaretier Wim Ibo in 1946 in zijn plakboek plakte, leert dat hij in die dagen optrad op feestavonden van de firma’s Cemsto, Kermopa en Thomassen Motoren, de voetbalvereniging Blauw Wit, de EHBO-afdeling Amsterdam-West, de Zaanse kanovereniging De Geuzen en de Amsterdamse accordeonvereniging Excelsior. Daarnaast trad hij af en toe voor de radio op, en speelde diverse kleinkunstprogramma’s – op aanvraag en af en toe op eigen risico. Ibo was in zo’n geval de conferencier die de andere artiesten aankondigde. Zoals de zangeres Ans Heidendaal, de actrice Julia de Gruyter, de cabaretière Hetty Blok en het orkestje The Radio Stars van Gerard van Krevelen. En onder de gelegenheidsnaam Cabaret de Windwijzer, de jonge humorist en liedjeszanger Toon Hermans".
   Zo ging het er aan toe in de jaren veertig en vijftig. 

Vóór de oorlog, aldus het boek, was Nico Boer programmaleider bij de VARA. Op 1 november 1945 trad hij als programmaleider in dienst van platenmaatschappij Decca, die later de naam Phonogram kreeg. In de opnameruimte van het bedrijfje was al bijna twee jaar niets muzikaals meer gebeurd. Voor Boer echt kon beginnen moest hij eerst met een paar medewerkers de puinhopen opruimen die de ingekwartierde Duitsers in de studio hadden achtergelaten.
   De productie van Nederlandse platen kwam volgens Boer nauwelijks op gang in die tijd: “De winkeliers die voor platen in aanmerking wilden komen, moesten oud materiaal inleveren. Die oude platen werden stukgewalst, en dat werd met ander spul door elkaar gemengd. Zo kwamen die platen tot stand. Dan kon je tweeduizend platen per week persen”.
   Op 9 februari 1946 was het feest bij Decca. Op die dag konden kantoor en studio feestelijk worden heropend. De Kilima Hawaiians mochten de eerste naoorlogse Decca-plaat maken. De titels: ‘In a little hula heaven’ en ‘It happened in Kaloha’. De receptie werd pas tegen het eerste ochtendgloren beëindigd.
   De platen op het Decca-label werden met enthousiasme ontvangen. “Honderden, neen, duizenden minnaars van de zwarte schijf wachten met verlangen op de steeds groeiende stroom van opnamen”, was in die dagen te lezen. De productie in Nederland van grammofoonplaten had ook een economische betekenis. Amusementsvereniging Anova: “Wéér een Nederlands bedrijf dat op gang gekomen is!”.
 

Amusement gaat over in popmuziek (1964)

 


Frans van Klingeren (1971)

 
Toen ik [HK] in 1966 werkte bij platenmaatschappij Negram-Delta bemoeide ik me met de carrière van popacts als Sandie Shaw, Kinks, Sandy Coast, Searchers, N.V. Groep ’65, Napoleon XIV, Ronnie en de Ronnies, Everly Brothers, Dionne Warwick, Nancy Sinatra, Tee Set en Motions. De directie van het bedrijf, bestaande uit Rob Oeges en Hans Kellerman, kreeg regelmatig mensen van weleer op bezoek. Die waren vroeger belangrijk geweest, begreep ik, maar op dat moment niet meer. In veel gevallen werden ze dan door een van de directeuren naar mij doorgestuurd. Dan zat ik opgescheept met ‘oude mannen’ die niets van popmuziek begrepen en er ook niet de minste belangstelling voor hadden. Ik stopte ze wat platen van Frank Sinatra, Dean Martin en Sammy Davis toe en was blij als ze weg waren. Een van hen was Frans van Klingeren, kan ik me nog herinneren. Voor mij was dat in 1966 een onbekende persoon op leeftijd.
   Henk van Gelder beschreef de activiteiten van Van Klingeren in een eerdere periode. Een dynamische man, heb ik ontdekt. Al vóór de oorlog was hij actief in de door jongeren geleide vereniging Anova (Algemeene Nederlandse Organisatie voor Amusement). Van Klingeren stond erom bekend dat hij de weg wist in het artiestenbedrijf. Kort na de bevrijding werd hem gevraagd of hij niet wat muziek kon regelen. Een accordeonist of zo, zodat er kon worden meegezongen en gedanst. Geen probleem. Het optreden vond plaats op een podium op straat, dat inderhaast door een handige timmerman in de buurt was gebouwd.
   Van Klingeren zette Anova opnieuw op, met afdelingen in het hele land die overal dansavonden organiseerden. Zijn ‘secundant’ in Hilversum en omgeving was Paul Acket. De afdeling Amsterdam huurde het Concertgebouw af voor een avond met de Red White and Blue Stars van Pi Scheffer, die inmiddels de Skymasters heetten, met zang van de Novelty Sisters en de platinablonde Annie de Reuver. Anova liet zelfs de Engelse trompettist Nat Gonella met zijn swingorkest de Georgians helemaal naar Nederland komen voor een toernee. Van Klingeren: “Ze speelden op twee plaatsen per avond, anders konden we het niet betalen. Op de ene plaats van acht tot tien uur, en op de tweede van twaalf tot twee, om en om met een ander orkest. In elk van die zalen speelden dus twee orkesten per avond. We reden dan bijvoorbeeld met een rotgang van het Concertgebouw in Haarlem naar de Dierentuin of de Rivièrahal voor het tweede optreden”.
   Frans van Klingeren moet een dynamische man geweest zijn. Hij werd een ‘rasorganisator’ genoemd. “Het is de ervaring en de vakkennis van de theaterbureauman die feilloos kan aangeven welke artiesten voor welk publiek geadviseerd moeten worden”, schreef hij.
 
In de jaren zestig waren zijn dagen en die van de schnabbeltoer aan het aftakelen. Een nieuwe generatie kreeg het voor het zeggen. Een generatie die in twee golfbewegingen van zich liet horen. Eerst de rock & roll-muziek na 1955. Vervolgens, begin jaren zestig, die van wat toen ‘beatmuziek’ genoemd werd.
   Henk van Gelder dateerde de overgang naar een nieuw tijdperk op 8 augustus 1964, in het Scheveningse Kurhaus. Alvorens de Rolling Stones zich er manifesteerden stonden de Fouryo’s en andere Nederlandse artiesten op het podium.
   Van Gelder, achteraf: “Het optreden van de Fouryo’s was de grootste vergissing van allemaal. Terwijl de andere Nederlandse groepjes hun best deden de Engelse idolen [van dat moment] te imiteren, stond het jongerenzangkwartetje nog geheel in de traditie van de vlotte Nederlandstalige liedjes die door de opwindende klanken van de Beatles en Rolling Stones in één klap verouderd waren. Het publiek in de Kurzaal wachtte op het ruige geluid uit Engeland en niet op nummertjes als ‘Zeg niet nee’ of ‘Dans nog eenmaal met mij’. De Fouryo’s werden [dan ook] verwelkomd met een bombardement aan pinda’s, toffees, broodjes, fruit en zelfs een stoelpoot en een armleuning”. Jan Schouten, één van het viertal: “We hebben drie nummers uitgezongen. Maar ja, we konden er niet tegenop”.

  

De dag van de revolutie: Stones in Kurhaus, 8 augustus 1964

  

De nieuwe tijd, net wat u zegt

 
Zowel de organisatoren, autoriteiten als liefhebbers moesten nog wennen aan de ‘nieuwe tijd’, werd aan het einde van het boek aan de orde gesteld. “Veel verder dan drie nummers kwamen de Rolling Stones zelf trouwens ook niet. Dat was het gevolg van het enthousiasme waarmee de fans zich op het meubilair in de Kurzaal wierpen. Achteraf bezien was 1964 een cruciaal jaar in de populaire muziek. De zangers en zangeresjes, die nog aan de leiband van oudere producers en muzikanten liepen, werden door groepen verdrongen”. 
   In zijn hit ‘Het dorp’ (1970) keek Wim Sonneveld (1917-1974) vol melancholie terug naar hoe het geweest en vooral hoe het verworden was. “De dorpsjeugd klit wat bij elkaar, in minirok en Beatle-haar, en joelt wat mee met beatmuziek. Ik weet wel, het is hun goeie recht. De nieuwe tijd, net wat u zegt”.
 

Jos Boekhout, kind van de ‘nieuwe tijd’

 
Jos Boekhout (geb. 21 december 1951, Utrecht) is een kind van die ‘nieuwe tijd’. Hij was nog maar twaalf toen de Rolling Stones (en de Fouryo’s) in Scheveningen optraden.
   Jos: “Die show heb ik later moeten beleven van oude tv-beelden. Mijn vader, Piet (geb. 1921), afkomstig uit Rotterdam, werkte tijdens en na de oorlog voor de Nederlandse Spoorwegen. Hij werd niet alleen ingezet om de treinen te laten rijden, maar ook om de medewerkers van het staatsbedrijf gemotiveerd te houden. Dat deden hij en Jo, zijn vrouw, door in Utrecht voor het lokale personeel naast kaart/bingo-avonden ook feesten met artiesten te organiseren”.
   Piet Boekhout was niet alleen een bekwame gitarist, maar hij was het die namens de NS al die artiesten engageerde die voor het vermaak moesten zorgen. Af en toe deed hij wel eens mee.
   Toen ik Jos Boekhout op 27 april 2013 sprak, schoten hem namen als de Wama’s, Willeke en Willy Alberti en Rocco Granata te binnen die voor NS hadden opgtreden. “En niet te vergeten – de Crocksons, een acrobatenduo dat later bekend werd als Bassie en Adriaan”, voegde hij er aan toe.
 
Het organiseren van feesten, het boeken van allerlei soorten artiesten, het regelen van apparatuur en instrumenten, Jos kreeg het bij wijze van spreken met de paplepel ingegoten. “Toen ik wat ouder werd volgde ik mijn ouders op. Omdat ik nu eenmaal in Utrecht woonde organiseerde ik festivals met Utrechtse groepen, de Driftin’ Five en Unit Gloria, eerst met zang Robert Long, daarna Bonnie St. Claire”.
   Jos was een verwoed danser. “Ik zat op les bij dansschool De Rijk in Utrecht en draaide er op de vrije avonden als deejay de laatste hitmuziek. Al dansende kwam ik in Hilversum terecht. Vijf jaar lang was ik, met mijn Lenada dansgroep, als achtergrond-danser te zien in het programma ‘Eddy Ready Go’ van Eddy Becker op de NCRV-tv. Zo maakte ik het tv-debuut mee van Elton John, Van Morrison en Demis Roussos. In Hilversum verzamelde ik de singles van die artiesten en draaide hun platen meteen als discjockey op de lokaties waar ik werkte. In Hilversum maakte ik kennis met Frits Spits en Annie de Reuver. Samen zaten we wel eens in de jury van talentenjachten”.
 


Gerry Marsden, Jos Boekhout

 
Tijdens zijn diensttijd volgde Jos een opleiding als verkeersleider voor de militaire luchtvaart. Terug in het burgerbestaan vond hij een baan als rijksambtenaar en hield zich jarenlang met personeelszaken in de ruimste zin bezig. “Tegelijkertijd bleef ik actief in de organisatie van feesten met acteurs en popmuziek en het boeken van artiesten. In de jaren zeventig waren dat bijvoorbeeld Earth & Fire, Sandy Coast, Shoes, Shocking Blue, Tee Set, Andy Tielman, Anneke Grönloh en Bonnie St. Claire”. Allemaal Nederlandse artiesten. Daarnaast groeide de belangstelling voor buitenlandse pop-acts.
   In de sixties en daarna had het Britse groepen ‘geregend’. De groepen maakten één of meer grote hits en dan was het succes, de ‘wereldberoemdheid’ weer voorbij. Nieuwe jonge artiesten, nieuwe groepen, namen in de hitlijsten de plaats in van de wat oudere ‘beatgroepen’. Maar het publiek bleef zich de grote hits, de grote namen van een paar jaar daarvoor, wel herinneren. Jos: “Destijds waren er veel minder tv- en radio-zenders dan nu”.
   De jongens en meisjes trouwden, kregen kinderen en hadden niet altijd belangstelling voor al dat nieuwe. Als ze nog naar popmuziek luisterden, als ze nog uitgingen, wilden ze de muziek uit hun jeugd horen. Die riep herinnering aan goede tijden op. Vooral de jaren zestig waren inmiddels geromantiseerd als een ideale periode. Steeds meer hoorde je de nieuwe jeugd zeggen: “Had ik maar in die tijd geleefd” of : “Wat jammer dat ik die tijd niet heb meegemaakt”.
 
Gaandeweg ontdekte Jos Boekhout dat er in Nederland een markt was voor het boeken van popgroepen of solisten van de jaren zestig en daarna. In heel wat gevallen bestonden die groepen niet meer, sommige leden hadden inmiddels het aardse met het eeuwige leven verwisseld, of de groep was van samenstelling veranderd, zoals dat ook bij een voetbalelftal gebeurt. Ajax in 2013 bijvoorbeeld is een heel andere ploeg dan Ajax vroeger. Toch heeft Ajax nog steeds een magische klank.
   Om die groepen met succes te kunnen boeken, vertelde Jos, moesten ze op z’n minst één hele grote hit gehad hebben, één nummer dat het grote publiek zich is blijven herinneren.
 

Duitse en Engelse Scorpions

 
Een goed voorbeeld van zo’n groep is de Scorpions uit Engeland. Als je aan iemand van een jonge generatie vraagt wie de Scorpions zijn is de kans groot dat dan verwezen wordt naar een Duitse hardrock-groep die scoorde met nummers als ‘Still Loving You’ (1987), ‘Wind of Change’ en ‘Send me an angel’ (beide uit 1991).
   Bij diegenen die de jaren zestig in hun jeugd hebben meegemaakt roept de naam Scorpions een heel ander sentiment op. ‘Hun’ Scorpions kwamen niet uit Duitsland maar uit Engeland. In 1965 hadden de Britse Scorpions in Nederland een gigantische hit met het liedje ‘Hello Josephine’. Daarmee bereikten ze de top van de Nederlandse hitlijsten. ‘Hello Josephine’ was niet zomaar een hit. De plaat was maar liefst 33 (drie-en-dertig!) weken geklasseerd in de top 40. Geen wonder dat ‘iedereen boven een bepaalde leeftijd’ het nummer meteen kan meezingen.
   Op 27 april 2013 traden de Engelse Scorpions op in Den Helder. Jos Boekhout had ze geëngageerd voor een feest in hotel Den Helder. Een feest onder de noemer ‘Back to the Sixties’. “Dat moet je beleven”, werd me gezegd. “Dan kun je meteen met ze praten”. Waarom niet, dacht ik, en nam de trein naar de kop van Noord-Holland.
   Op het station aangekomen zag ik dat de grootste kantorenpanden werden ingenomen door twee incassobureaus, gerechtsdeurwaarders. In deze tijd van grote crisis, moeten ze het daar druk hebben. In het nieuws hoorde ik laatst dat één op de zestien mensen hun rekeningen niet meer kunnen betalen. Zoek een baan bij een incassobureau, daar vind je relatief de grootste zekerheid, bedacht ik toen ik over de Middenweg naar hotel Den Helder liep.
  

  Den Helder, Back to the Sixties, 2013

Het hotel bleek een groot complex buiten het centrum van de stad te zijn. Er was een atrium met ruimte voor duizend of meer mensen. Achter het podium hing een groot spandoek met de Beatles erop afgebeeld. Voor de mensen die dat eventueel niet wisten was hun naam er in grote letters op aangebracht. Boven het podium een doek met ‘Back to the Sixties’. In de zaal nog eens doeken met in het groot de hoofden van John Lennon, Paul McCartney, George Harrison en Ringo Starr, en andere, soms psychedelische, symbolen van artiesten uit die tijd zoals Mick Jagger, Jimi Hendrix en protestzanger Armand.
   Als het feest in de jaren vijftig had plaatsgevonden zou er ruimte gecreëerd zijn voor een pianist, accordeonist of orkestje. Goochelaars, acrobaten, een conferencier, een clown, dat waren waarschijnlijk de artiesten geweest die dan het podium gevuld hadden. Nu werd de plek waar de artiesten die avond zouden optreden gaandeweg volgezet met ‘elektrische apparaten’. Achter in de zaal, tegenover het podium een technicus met moderne apparatuur, een mengtafel voor het geluid en een videocamera om ook de beelden vast te leggen. Eventueel, je maakt het steeds vaker mee, konden die dezelfde dag nog op YouTube gezet worden.
 
De Scorpions, hoofdact van ‘Back to the Sixties’, waren helemaal uit hun woonplaats Manchester komen overvliegen. Ze traden niet op voor het grote geld maar voor de ‘fun’. Voor hen was een uitje. Twee van de bandleden hadden zelfs hun vrouwen naar het hotel meegenomen. De dames wilden de revival van de groep in Nederland wel eens meemaken. De Nederlander Ruud Wegman (tevens webmaster van de Scorpions) speelde enkele nummers mee op mondharmonica. Hun bekende repertoire stond op het programma – vanzelfsprekend ‘Hello Josephine’, maar ook ‘Ann-Louise’, ‘Greensleeves’ en ‘Baby Baby Balla Balla’. Hun act werd aangevuld met golden oldies. Die vond je tevens op hun nieuwe cd, ‘End of the Tail’: liedjes als ‘Shakin’ All Over’ (Johnny Kidd), ‘Polk Salad Annie’ (Tony Joe White), ‘The Price of Love’ (Everly Brothers) en ‘Proud Mary’ (Creedence Clearwater Revival).
 


Scorpions met Graham Lee, tweede van links

 

Gesprek met Graham Lee van de Scorpions

 
“We hebben het album ‘End of the Tail’ genoemd omdat het waarschijnlijk het laatste is dat we maken”, vertelde Graham Lee, producer, zanger, gitarist en ook leider van de hedendaagse Scorpions. “Maar als er genoeg belangstelling voor is kunnen we altijd nog deel twee ervan opnemen”.
   Graham, op 22 mei 1943 in het Engelse Manchester geboren, was nog geen lid van de groep toen ‘Hello Josephine’ op de plaat gezet werd eind 1964. Pas een jaar later was hij erbij. Het was voor hem dan ook niet zo gemakkelijk mij uit te leggen hoe de Scorpions waren doorgebroken. Uitermate spraakzaam was hij niet. Dat kwam misschien wel omdat hij de geschiedenis van de Scorpions niet helemaal (bewust) had meegemaakt. Om het verhaal zo goed mogelijk te vertellen heb ik zelf een en ander onderzocht.
 
Graham maakte duidelijk hoe hij als jongetje in Manchester met popmuziek in aanraking gekomen was. Opgegroeid was hij met wat je nu beschaafd amusement zou noemen, een Engelse variant van wat zich in Nederland afgespeeld had (zie boven). De eerste rock & roll, die hem in de jaren vijftig meteen meesleepte, kwam van Britse militairen die in Duitsland in een van de bezettingszones gelegerd waren:
   “Een soldaat, een aantal jaren ouder dan ik, arriveerde in Manchester met de twee eerste albums die Elvis Presley gemaakt had. Hij had ze van Amerikaanse militairen gekocht. Dat maakte grote indruk op mij. Ook hoorde ik de platen die zeelui uit Amerika meebrachten. De lokale radio liet wel wat muziek horen en ook kon je naar de uitzendingen van (het verre) radio Luxemburg luisteren. Maar de meeste nieuwe platen leerde je in de winkel kennen. Daar ging je heen en dan speelden ze die allemaal voor je af. Een platenwinkel was voor de jeugd een soort ontmoetingsplaats voor het uitwisselen van muzikale ideeën. Zo hoorde ik Gene Vincent, Buddy Holly, Elvis en de Everly Brothers”. Graham noemde geen namen van Engelse artiesten uit die tijd.
   Manchester is (was) een grote stad. De havenstad Liverpool, een stuk kleiner, lag er nog geen vijftig kilometer vandaan. Gelegenheid om er op treden was ruimschoots voorradig, veel meer dan in Liverpool, aldus Graham Lee. In eerste instantie waren dat jazzclubs, later jeugdclubs en nachtclubs. Clubs van deze tijd die hij noemde hadden namen als ‘Oasis’, ‘Twisted Wheel’, ‘The Princess’, ‘Golden Garter’ en ‘The Domino’.
   Mede door de mogelijkheid om in al die clubs te spelen kwamen er begin jaren zestig heel wat beatgroepen. Bekende namen uit Manchester waren o.a. Wayne Fontana, Freddie en de Dreamers, Hollies, John Mayall en Herman’s Hermits. Op de website Manchester Beat is een lijst van enkele honderden groepen te zien.
    Graham Lee was na het horen van rock & roll zelf gaan zingen en gitaar spelen. Zeker in het begin speelden de groepen het Amerikaanse repertoire gewoon na. Hij kwam terecht in de Chancellors. Die groep bracht het niet zover dat een platenmaatschappij hen wilde contracteren. “De concurrentie was groot”, hoorde ik van Graham. “Met de Chancellors heb ik wel nog in de Liverpoolse Cavern opgetreden”.
 


Wayne Fontana

 
Wayne Fontana had meer succes. Zijn artiestennaam leidde hij af van D.J. Fontana, de drummer van Elvis Presley. In 1964 had Wayne, samen met de Mindbenders, Engelse top 10-hits als ‘Um Um Um Um Um Um’ en ‘Game of Love’. Maar al in 1963 wist hij een platencontract binnen te slepen bij het label Fontana, onderdeel van de Engelse tak van Philips (in Nederland: Phonogram).
   Zoals gebruikelijk ging de groep de studio in om een cover van een Amerikaans nummer te maken. Dat was ‘My Girl Josephine’ van Fats Domino. Bij die gelegenheid werd de titel omgedoopt in ‘Hello Josephine’. Die eerste plaat van Wayne Fontana wist in juli meteen in de Engelse top 50 door te dringen, al was het dan maar in de onderste regionen, op nummer 46.
   Eén van de begeleiders van Wayne Fontana was gitarist Terry Morton. Die stapte in 1964 over naar een van de vele groepen uit Manchester die het nog niet gemaakt hadden – de Scorpions.
 

Addy Kleijngeld (CNR) en de Scorpions

 
Peter Lewis was de zanger, de frontman, van de Scorpions. Zoals veel van die groepen wisselde de samenstelling voortdurend. Werk leek er altijd wel te zijn, zeker ook in Duitsland. In navolging van al die groepen, zoals de Nederlandse Tielman Brothers en de Britse Beatles, trokken de Scorpions naar het land van onze oosterburen. Ze werden voor de plaat ontdekt door Addy Kleijngeld (1922-1977) uit het Nederlandse Helmond.
   Addy, zoon van een kastelein, was van huis uit accordeonist. Hij was een artiest van het Nederlandse amusement van na de oorlog. In 1952 werd Addy Nederlands kampioen op de accordeon, en vierde bij het wereldkampioenschap. In 1960 trad hij als talentscout en producer in dienst van de Nederlandse platenmaatschappij CNR. Kleijngeld maakte vooral furore als ontdekker en producer van Gert (en Hermien) Timmerman, later van Heintje (Hein Simons). Met dat soort muziek had hij, vanuit zijn achtergrond, waarschijnlijk een natuurlijke binding. Maar Addy probeerde ook met de nieuwe tijd mee te gaan. Zo produceerde hij platen van bijvoorbeeld de Emeralds (een indo-duo) en zelfs de allereerste opname van Cuby & de Blizzards voor CNR.
   Hoe de Scorpions bij CNR gekomen zijn staat niet helemaal vast. Addy zou de groep in Aken hebben zien spelen, elders las ik dat de jongens een talentenjacht in het Zuid-Limburgse Brunssum wonnen en zich op die manier in de kijker speelden. Kleijngeld moet in elk geval enthousiast geweest zijn. In een Berlijnse studio produceerde hij een aantal singles die geen succes werden. Hij nam onder andere ‘Just One Look’ (Doris Troy, Hollies), ‘Not Fade Away’ (Buddy Holly, Rolling Stones) en ‘What’d I say’ (Ray Charles) met ze op. Allemaal covers dus. De Scorpions hadden zelden eigen repertoire.
 


Addy Kleijngeld

 
Kleijngeld ging door. Met de nieuwe gitarist Terry Morton, die eerder bij Wayne Fontana ahad meegespeeld nam hij het Fontana-hitje ‘Hello Josephine’ op. Maar in een bijzondere versie, niet veel meer dan twee minuten, met een steeds ‘lachende’ zanger Peter Lewis.
   ‘Hello Josephine’ sloeg in als een bom. De Scorpions werden bij ons zo populair dat ze Nederland (Noord-Brabant) als thuisbasis kozen. Op de website van Addy Kleijngeld is te lezen dat de producer zich tevens als manager opwierp. De optredens werden in elk geval geboekt door Jan Vis, die betrokken was bij het optreden van de Beatles in Blokker en zich daarna in Noord-Brabant gevestigd had. De Scorpions namen nog meer singles op, maar géén van die platen wist het succes van ‘Hello Josephine’ ook maar in de verste verte te evenaren. Aleen ‘Baby Baby Balla Balla’, een cover van een hit van Chubby Checker, deed het redelijk goed. Maar in feite draaide alles om dat ene liedje.
   De Scorpions en ‘Hello Josephine’ was zo ongeveer synoniem. Bij de zoveelste personeelswisseling kwam Graham Lee van de Chancellors erbij. Optredens waren er genoeg, al waren de aankondigingen niet altijd even correct. Gemakshalve werden ze wel eens als een groep uit Liverpool aangeprezen met de vermelding dat ze met ‘Josephine’ op nummer één in Amerika stonden. En dan te bedenken dat de plaat alleen in de Benelux was uitgebracht.
   Graham Lee: “Wij deden er alles aan om het succes te exporteren. Maar CNR blokkeerde dat. We hebben gesproken met iemand van Philips Records in Engeland. Die wilde ons onder contract nemen. CNR hield ons echter aan de bestaande overeenkomst. Er is niets van gekomen”.
   Ik vroeg Graham waarom Philips niet gewoon de Nederlandse hit in Engeland uitbracht. Daar kreeg ik geen duidelijk antwoord op. Ook kon hij me geen verdere gegevens over de contacten met de Engelse platenmaatschappij geven. Van CNR (en Addy Kleijngeld) had hij sowieso geen hoge dunk. “Ze begrepen weinig van popmuziek. Onze producer was een accordeonist”. Dat zei hem genoeg.
   Aan het grote avontuur van de Engelse groep in Nederland (met zelfs een optreden op het Grand Gala du Disque van 1965) kwam een einde toen de werkvergunning van de muzikanten hier afliep. Dat was toch een schande, hoorde ik uit zijn mond. Graham vertelde er echter niet bij hoe moeilijk het voor Nederlandse (en andere buitenlandse) muzikanten was om überhaupt in Groot-Brittannië te mogen werken. Toen ik hem om een reactie op dit punt vroeg kreeg ik geen antwoord.
 


Scorpions, met Peter Lewis (midden), 1964

  
In Nederland werden de Scorpions niet vergeten, al bestonden ze in wezen alleen nog maar op papier. Maar de leden stelden zich professioneel op. Ze konden overal voor ingezet worden. Graham Lee: “Ik heb als gitarist nog met Guy Mitchell in Engeland gewerkt. Dat was een van de artiesten die me uit mijn kinderjaren goed zijn bijgebleven. Toen Mitchell me belde was ik in de tuin aan het werk. Mijn moeder, die de telefoon opnam, wist niet wat haar overkwam toen ze de zanger van ‘Singing the Blues’ en ‘Heartaches by the Number’ aan de telefoon kreeg. Hij heeft voor haar toen zelfs nog een paar liedjes gezongen. Samen met een aantal Engelse muzikanten ben ik met hem op toernee geweest”.
 

‘Hello Josephine’, de eeuwige hit van de Scorpions uit Manchester

 
In 1977 maakten de Scorpions hun come-back in Nederland. Ze mochten ‘Hello Josephine’ opnieuw voor de televisie brengen, deze keer bij Veronica dat inmiddels een publieke omroep geworden was. De single werd weer in de handel gebracht. Met succes. Voor de tweede keer verscheen de cover van de song van Fats Domino in de Nederlandse top tien. In totaal heeft ‘Hello Josephine’ veertig weken in de top 40 gestaan. In 1978 mochten de Scorpions bij Telstar Records (Weert, Limburg) een nieuw album opnemen, met opnieuw ‘Hello Josephine’.     
   De naam van de Scorpions was in Nederland nu definitief gevestigd, zelfs toen zanger Peter Lewis op 2 januari 1985 kwam te overlijden. Gitarist Graham Lee nam de plaats in van de voormalige frontman, ook als zanger. Van de Scorpions kon hij echter niet leven. Daarom werkte hij als solo-zanger, als acteur, als lid van Wayne Fontana & the Mindbenders, als lid van Billy J. Kamer & the Dakotas, als vervanger van zanger Peter Noone in Herman’s Hermits.
   Op de website van Bert Bossink is te lezen: “In 2004, tijdens een optreden met Herman’s Hermits vroeg theateragent Jos Boekhout aan Graham Lee of hij de Scorpions weer bij elkaar kon krijgen. In 2005 scharrelde Graham zijn oude maten bij elkaar en nam ook oude organist Roy Smithson en drummer Ian Lucus mee – die hadden ook in de jaren zestig deel uitgemaakt van de Scorpions. In 2006 traden ze voor tweeduizend mensen tijdens de Beatnight in Horst (L) op en speelden de hele Merthal plat. Hetzelfde gebeurde in 2007 in de Giraf in Emmen – [veel meer dan] 2000 mensen gingen er uit hun dak alsof de Scorpions nooit weg waren geweest”.
 

                  
Sinds de ‘hereniging’, met Graham Lee als de nieuwe frontman, de nieuwe ‘mid-voor’ om in voetbaltermen de spreken, is de Scorpions een publiekstrekker voor mensen die jong waren in de Sixties en een avondje uit willen. Zo was het ook in Den Helder op 27 april 2013. Jos Boekhout boekte de groep. Koos Buis organiseerde ‘Back to the Sixties’ in hotel Den Helder.
   De mensen die ondanks de crisistijd uitgingen hadden, zo kon je in Den Helder Actueel lezen, tal van mogelijkheden. Als je jezelf eens helemaal wilde verwennen was er een VIP-kaart voor 39,95 euro. Dan kon je tevens bowlen, met koffie en gebak, en deelnemen aan een uitgebreid buffet waarbij ook de Scorpions aanwezig waren. Bovendien had je recht op vijf consumpties. De entree voor het ‘Back to the Sixties’-concert was 12 euro, aan de zaal 15 euro.
   Artiesten uit Den Helder die elkaar soms in geen (tientallen) jaren meer gezien hadden traden die avond op. Zoals Emiel Lotman die er speciaal voor uit de Moreno Valley in Californië was komen overvliegen om er met zijn oude maten, de Starfighters, op het podium te staan. En de Black Devils, een ‘oude’ indo-groep. In Den Helder Actueel legde Koen Warmerdam zijn lezers uit: “Hoofdact van de avond waren de wereldberoemde Scorpions. Een bomvolle zaal ging helemaal los op ‘Hello Josephine’ en ‘Balla Balla’. Saillant detail is dat zanger Graham Lee voor het optreden liet weten dat de band eigenlijk alleen maar in Nederland en België hits heeft gehad en verder nergens”.
   Binnenkort treden de Scorpions opnieuw op, in Manchester, waar ze vandaan komen. De Nederlandse mondharmonicaspeler Ruud Wegman is ook dan van de partij. In Manchester treden ze echter niet op als Scorpions, maar als Chancellors. Dat is de groep waar Graham Lee in speelde voor hij tot de Scorpions, met zanger Peter Lewis, toetrad.
 

***

 
Jos Boekhout: “Ik mocht me ooit in de kring van James Brown begeven. Bovendien beleefde ik in Madison Square Garden (New York) het optreden van 25 jaar ‘Saturday Night Fever’. Ik was er op uitnodiging van de Trammps, die ik jarenlang geboekt herb. In New York kon ik tijdens de show direct als stage-manager aan de gang. Bij die gelegenheid ontmoette ik tevens de Bee Gees, Tavares en vele andere bekende artiesten”.
 
De cirkel is in zekere zin rond. Wat vroeger revolutionaire beatmuziek was, is nu amusement. De jeugd die zich in de jaren zestig afzette tegen het naoorlogse vermaak, is (soms) een halve eeuw ouder geworden. Wat is er dan mooier dan op zaterdagavond te luisteren en kijken naar mannen en vrouwen die nog eens hun oude hit(s) ten gehore brengen. Jos Boekhout haalt ze naar Nederland, noem maar op: Katrina & The Waves, Tremeloes, Middle of the Road (met Sally Carr), Animals (zonder Eric Burdon), Rubettes (twee verschillende groepen). Succes verzekerd.
 
Harry Knipschild
5 mei 2013

9 juli 2013
  

Hoe ‘Hello Josephine’ een hit werd

 

Hank Hager reageerde onlangs met tal van aanvullingen op hetgeen ik geschreven heb. Bedankt! Vanwege zijn interesse voor feitjes en herinneringen werkte Hager in de periode 1976-1985 bij het Historisch Archief Gesproken Woord van de NOS. In de jaren negentig runde hij een internet-website over de Britse Scorpions. Uit een grote hoeveelheid informatie heb ik onderstaande tekst samengesteld:
  
CNR bracht in vijf maanden zes singles van de Scorpions uit. Volgens de dochter van Addy Kleyngeld waren die allemaal in juli 1964 opgenomen in de Telefunken-studio in Berlijn. Luisterend naar de sound van die platen ben ik geneigd dat te geloven: ze klinken allemaal even galmend en blikkerig. Waarschijnlijk heeft Kleyngeld de band gewoon het live-repertoire laten spelen en dat opgenomen.
   Achtereenvolgens werden ‘Bye Bye Johnny’, ‘Some Other Guy’, ‘What’d I Say’, ‘Johnny B. Goode’, ‘Hello Josephine’ en ‘Ann Louise’ uitgebracht. In de tweede helft van 1964 had Jos Brink de Scorpions als ‘huisband’ in het AVRO tv-programma ‘Combo’. Bovendien had platenmaatschappij CNR elke maandagmiddag van half zes tot zes uur het (betaalde) programma ‘Platenpalet’ met Pierre van Ostade (toen vertegenwoordiger van die maatschappij) als presentator. Een half uur lang alleen CNR-platen, verpakt als ‘regulier’ Veronica-programma. Manuela, Gert Timmerman, Ronny, Spotnicks en Scorpions kwamen er regelmatig langs. Tony Vos introduceerde het CNR-programma met de kreet: ‘Opgelet: Platenpalet’.
   ‘Hello Josephine’ was géén instant succes. Integendeel: de werkvergunning van de band was na zes maanden (dus in januari 1965) afgelopen. Omdat men na zes singles nog geen succes had werd de band opgeheven. Zanger Peter Lewis werd bookmaker op een hondenracebaan.
   Nadat ook ‘Ann Louise’ (waarschijnlijk later opgenomen dan de eerste vijf ‘singles’) geen hit was geworden, begon men in ‘Platenpalet’ opnieuw ‘Hello Josephine’ te draaien. De plaat kwam zowaar vanaf 20 februari 1965 in de lagere regionen van de top 40.
   Op 19 april traden de Scorpions op in het tv-programma ‘Beat in Blokker’ dat in het kader ‘AVRO Jeugddag’ vanuit de veilinghal in Blokker uitgezonden werd. Via Jos Brink had boeker Jan Vis de (niet meer bestaande) groep overgehaald naar Nederland te komen. Zanger Peter Lewis verscheen met (intussen) kort geknipt haar. De andere Scorpions hadden eveneens ‘net’ kapsel. Hun optreden met het hitje ‘Hello Josephine’ was live op tv te zien. Er was toen nog maar één tv-zender. Het werd een geweldig succes. Niet zo moeilijk want ze hadden alleen concurrentie van acts als Edwin Rutten, Geschwister Jacob en (hoofdact) Pretty Things.
   In de weken na ‘Blokker’ steeg ‘Hello Josphine’ steeds verder door op de hitlijsten om met Pinksteren de top te bereiken.
 
Het origineel, van Fats Domino, heette ‘My Girl Josephine’. De titel ‘Hello Josephine’ is voor het eerst gebruikt door Jerry Lee Lewis. Het gitaarloopje van Wayne Fontana en later de Scorpions lijkt rechtstreeks uit een versie van Johnny Rivers te komen (op zijn album ‘Here we a go go again’). Maar die versie mist het ‘hysterisch gelach’ zoals de Scorpions het in de zomer van 1964 in Berlijn hebben vastgelegd.

Hank Hager
  


Jos Brink (1942-2007) met de Scorpions in Combo (AVRO-tv 1964)


   

clips:
* Addy Kleijngeld, interview, 1963
* Wayne Fontana & the Mindbenders, Hello Josephine, 1963
* Scorpions met Peter Lewis, Hello Josephine, uit 1964
* Scorpions, Stand by me, Tobacco Road, 1966
* Wim Sonneveld, Het Dorp, uit 1970
* Scorpions met Graham Lee, Hello Josephine, Zaandam, 2010
* Back to the Sixties-feest, atrium hotel Den Helder, 2012

geraadpleegde websites
www.manchesterbeat.com
www.tijdvoorteenagers.nl  (Bert Bossink)
www.addykleijngeld.nl
www.thescorpionsuk.nl
www.goldenmusicevents.nl (Jos Boekhout)      
  
Literatuur
 
Bert Bossink, ‘The Scorpions met hun onsterfelijke hit ‘Hello Josephine’, website Bert Bossink, z.j.
Olaf Owre, ‘The Scorpions’, website Manchesterbeat, z.j.
‘Sixtiesfestival - laatste blik vooruit’, Den Helder Actueel, 24 april 2013
Koen Warmerdam, ‘Vol atrium geniet van Sixtiesfeest, Den Helder Actueel, 28 april 2013