Zoeken

 
 
Peter Guralnick (geb. 15 december 1943, Boston) slaagt er steeds in om gedetailleerd te schrijven over de gangmakers van Amerikaanse popmuziek. Hij publiceerde dikke boeken over onder meer Sam Cooke, Elvis Presley en Sam Phillips. In andere publicaties zijn interessante hoofdstukken te vinden over blanke en zwarte Amerikaanse artiesten als Hank Snow, Bobby Bland, Otis Redding, Howlin’ Wolf, Solomon Burke en Otis Spann. Als je de geschiedenis van de Amerikaanse popmuziek wilt doorgronden kun je niet om Guralnick heen.
 
   In zijn boek Lost Highway, oorspronkelijk uitgegeven in 1979, gaf de auteur het woord aan gitarist Scotty Moore (1931-2016), die onder meer een rol speelde in de muzikale loopbaan van Elvis Presley (1935-1977). Dat artikel is de leidraad voor wat nu volgt.
   Sam Phillips, die doorgaat als de ontdekker van Elvis Presley, was van mening dat de getuigenis van de musicus waarheidsgetrouw was: “Scotty Moore is a very truthful person”.
 
 
296 1 Lost Highway
 
 
Muziek thuis en in de marine
 
 
Scotty (Winfield Scott Moore III) werd op 27 december 1931 geboren in Gadsden, Tennessee. Muziek kreeg hij bij wijze van spreken met de paplepel ingegoten. Zijn vader en drie oudere broers speelden samen in een country & western-groep. Op achtjarige leeftijd bemachtigde Scotty zijn eerste gitaar. Toch duurde het nog een aantal jaren voor de muziek zijn leven echt ging beheersen. Dat was tijdens zijn militaire diensttijd, vanaf 1948.
   “I slipped into the navy at the ripe old age of sixteen. That’s really where I got my musical education. I listened to all kinds of music and I really got interested in jazz – Tal Farlow, Barney Kessel, that kind of stuff. I wanted to play it all”.
   Kessel werkte in de sixties als studiomuzikant bij onder meer Phil Spector en de Beach Boys.
 
Het waren dus niet alleen de country & western-klanken die hij thuis gehoord had. “I guess probably from the country side, Merle Travis, and Chet Atkins were the guitarists, I listened to most. But I listened to blues things too, all kinds of styles”.
   Bij de marine moest je zijn om alle allerlei soorten muziek ook zelf te spelen. “We had a group in the service, two guitars and a steel, and we used to play on radio station KBRO in Birmingham, Washington [in het noordwesten van de VS].
 
 
Beroepsmuzikant
 
 
In 1952 verliet Scotty de marine en zijn ouders om als muzikant zijn brood te verdienen. Geen moeilijke dingen, daar voelde hij zich niet goed genoeg voor. Scotty was immers nooit opgeleid in het vak van de muziek. Hij kon niet eens noten lezen.
   “I got back into country. You see, unless you were a schooled musician and could read and play with some of the larger groups, the small honky tonk bands were the path of least resistance. And what they were playing was boogie music for dancing with a country-orientated beat and instrumentation”.
   Gewoon gezellige amusementsmuziek waar je op kon dansen dus.
 
Op zoek naar middelen om aan geld te komen belandde Scotty in Memphis, Tennessee. De stad aan de Mississippi had in het begin van de jaren vijftig geen bijzondere betekenis in de muziek. Scotty ging er om een heel andere reden heen: twee van zijn broers runden in Memphis een wasserij/stomerij. Ze hadden iemand in dienst om hoeden te verkopen en dat leverde een aardige omzet op. Er kwam een vacature omdat de employee van de gebroeders Moore zijn ontslag had aangekondigd.
   “You want to learn the hat business?”, hoorde Scotty van zijn broers.
   Toen hij die vraag bevestigend beantwoordde werd hij aangenomen om van ’s morgens vroeg tot begin van de middag hoeden te verkopen. De rest van de dag was hij dan vrij om te doen en laten wat hij wilde.
 
 
Leider van de Starlite Wranglers
 
 
296 2 Starlite Wranglers
Starlite Wranglers
 
 
Scotty gebruikte zijn vrije tijd om een combo op te zetten. Iedereen deed het er een beetje bij. Zanger Doug Poindexter was bakker, bassist Bill Black had een baan bij autobanden-bedrijf Firestone. Op een foto van de groep is goed te zien dat Bill Black zich op een bijzondere manier uitdoste. Waarschijnlijk speelde hij de komiek.
   Volgens Moore hadden de Starlite Wranglers, zoals ze zich noemden, geen exceptionele kwaliteiten. Ze zorgden gewoon voor wat entertainment in Memphis en omgeving. Van dat soort orkestjes had je er volgens hem duizenden.
   Scotty had naar eigen zeggen wel de touwtjes in handen. Hij zorgde voor de boekingen en bewerkstelligde dat er voldoende gerepeteerd werd. Bovendien keek Moore verder. Als ze een plaat konden maken zou dat de bekendheid wel kunnen verhogen en dus meer werk en hogere gages opleveren. Scotty meldde zich in de stad bij de studio van Sam Phillips. Diens bedrijf Memphis Recording Service (706 Union At Marshall) adverteerde immers met de slogan: “We record anything – anywhere – anytime”.  
 
 
296 3 logo studio
embleem studio Sam Phillips
 
 
Sam Phillips exploiteerde niet alleen studiotijd. Hij maakte tevens opnamen die hij ofwel doorverkocht aan bestaande platenmaatschappijen of op zijn eigen Sun label uitbracht. De voormalige technicus van radiostation WREC was in de weer met (zwarte) artiesten als B.B. King, Ike Turner, Howlin’ Wolf, Rufus Thomas en Bobby Bland.
   Met geen van de 23 singles op Sun Records had Sam de hitlijsten weten te bereiken. Ook met recente aanwinsten voor het label, Earl Peterson, Howard Serratt en Hardrock Gunter, wist hij nauwelijks iets voor elkaar te krijgen. “By the time that Scotty met him, Phillips was looking for something new”, is in het artikel van Peter Guralnick te lezen. Door zijn contacten met artiesten, talent scouts, platenmaatschappijen en radiostations had Sam wel een goed gevoel ontwikkeld voor wat muzikaal gaande was bij de jeugd.
   Scotty wist zijn doel te bereiken. In het voorjaar verscheen er een single van zanger Doug Poindexter met de Starlite Wranglers als begeleiders op het Sun-label. De liedjes waren door de zanger en gitarist geschreven en uitgegeven door Hi-Lo Music (BMI), waarschijnlijk een muziekuitgeverij van Sam Phillips. Van die plaat zouden niet meer dan 340 exemplaren verkocht zijn.
 
Op de website Elvis Australia liet Scotty Moore over die tijd noteren: “I met Sam Phillips when I came out of the service in 1952. I went to work for my brothers in Memphis and I had a group together while I was in the service and so while working to make a living I was still trying to get together a group, to play clubs.
   I met Sam when I was trying to get the group on record because I realized that I had to try it from that end to get the bookings go good.
   Sam was looking for talent. He was a very small operation at that time and we became friends. So we started looking for new talent together. From 1952 until 1954 I probably saw Sam about every day [wel bijzonder, HK]. We tried two or three different artists who I cannot think of the names right now and I had a group called The Starlite Wranglers in Memphis and the singer was Doug Poindexter, we cut a record on Sun by him and with 5 or 6 members in the band it sold about that many records. But we were still trying”.
 
 
296 4 Poindexter Sun
single Starlite Wranglers
 
 
1954: Elvis Presley
 
 
In 1954 was Sam Phillips, aldus Scotty Moore, voor Sun Records nogal in de weer met nieuw talent – zoals country artiest Earl Peterson uit Michigan, gospel-zanger Howard Serratt, Harmonica Frank Floyd, een blanke blues-artiest, en Hardrock Gunther die ‘hillbilly boogie’ maakte.
   Sam en ook Scotty voelden dat er iets nieuws was, maar wat wisten ze nog niet. “Sam came from pretty much the same background as the rest of us basically, growing up listening to black southern blues and, of course, country. We were all looking for something, we didn’t know quite what it was, just some way to get through the door”.
   Phillips had een streepje voor op anderen, vanwege zijn ervaringen in de studio. “He knew there was a crossover coming. He foresaw it. I think that recording all those black artists had to give him an insight; he just didn’t know where that insight would lead”.
 
De naam Elvis Presley viel zo maar. Scotty en Sam zaten weer eens aan de koffie in Miss Taylor Café toen deze tijdens een gesprek begon te vertellen over die jongen van 19 jaar. “He can sing pretty good”, met die woorden zou Phillips gepraat hebben over Elvis, die in zijn studio een liedje voor zijn moeder op een lakplaat gezet had.
   “Heb je die jongen ooit nog gebeld”, vroeg Scotty.
   Dat was niet het geval.
   Als Elvis Presley zo goed kon zingen, was het dan niet zinvol om contact met hem op te nemen, stelde Scotty Moore (later naar eigen zeggen) bij de koffie voor. Niet één keer, maar herhaaldelijk.
   “Sam finally went back to the studio one day and actually came up with the number. He told me, ‘You get him to come over the house and see what you think of him’”.
   Als Scotty Moore van de Starlite Wranglers, die meer tijd had dan Sam Phillips, zo nieuwsgierig was moest hij zelf maar eens naar Elvis luisteren. Niet in de studio maar bij zich thuis. Bill Black, bassist van de Starlite Wranglers, was er ook bij.
   Daar verscheen Elvis in een roze kostuum, witte schoenen en een vetkuif. “From the beginning I could see that he had a different outlook on things, just the way he dressed, the way he wore his hair. He was a rebel, really, without making an issue out of it”.
   De echtgenote van Scotty Moore wist niet hoe snel ze via de achterdeur het huis kon verlaten.
 
 
That’s All Right
 
 
296 5 Elvis Black Moore Phillips
In de studio van Sam Phillips: Elvis, Bill, Scotty, Sam
 
 
Opvallend was de enorme repertoirekennis van de jongeman. “When I first met him it seemed like he knew every song that had ever been recorded. Pop, R&B, country”. Te veel om op te noemen.
   Repertoire doornemen was dan ook geen probleem. “We sat around for a couple of hours, going through a little bit of everything – Marty Robbins, Billy Eckstine, [Roy Hamilton, Hank Snow,] you name it”.
   Heel enthousiast was Scotty Moore niet: “I said, ‘Well, he sings good, but I can’t really say he knocked me out’”. Maar met z’n drieën studeerden ze een mengelmoes van repertoire in zodat ze in de studio een uitgebreide demo konden maken. Guralnick: “Eventually Sam Phillips decided they were ready to record”. Als je iets op tape zette, was de redenering van Phillips, had je een beter idee van hoe eventueel een plaat zou worden, dan gezellig in een huiskamer samen muziek maken.
 
Het maken van de demo liep niet meteen soepel. “Met Bill Black erbij probeerden we wat dingen uit. Het eerste nummer dat we daadwerkelijk op tape zetten was ‘I Love You Because’”. Dat was een country & western hit uit 1949, geschreven en gezongen door Leon Payne.
   Tijd voor koffie en cola. Maar niet lang. Scotty Moore: “All of a sudden Elvis started singing a song, jumping around and just acting the fool, and then Bill picked up his bass and he started acting the fool, and, you know, I started playing with them”.
   De deur van de opnameruimte naar de control room stond open, meende Scotty zich te herinneren. Sam kwam aanlopen en vroeg wat ze aan het doen waren.
   “Wij zeiden dat we dat niet wisten”.
 
Phillips moedigde het drietal aan opnieuw te beginnen en door te gaan. Zo kwam ‘That’s All Right’, een song uit 1946 van Arthur Crudup, op tape te staan. Samen met ‘Blue Moon of Kentucky’, een bewerking van een bluegrass-song van Bill Monroe, kon de demo zowaar als plaat op Sun Records verschijnen.
   In plaats van Doug Poindexter (in grote letters) met de Starlite Wranglers was nu op het label afgedrukt: “Elvis Presley (in grote letters), Scotty and Bill”. De single verscheen weliswaar niet in de hitlijsten van Billboard maar was toch goed voor een verkoop van enkele tienduizenden exemplaren. Dat was aanzienlijk meer dan de plaat van Doug Poindexter met de Starlite Wranglers.
 
 
296 6 Elvis thats all right
 
 
Hoe moest het nu verder?
   Scotty Moore: “Elvis zou lid kunnen worden van de Starlite Wranglers en als speciale gast ten tonele verschijnen. In de praktijk kwam daar evenwel niets van terecht. Al snel viel de groep uit elkaar. Poindexter ging verder als verkoper van verzekeringen”.
   Het verliep gelukkig in pais en vree. “There were no hard feelings. All of us were looking for the breaks, whichever way they came, and that just seemed like the best thing to do at the time”.
 
 
Optredens dichtbij Memphis en ver weg
 
 
Met z’n drieën traden Elvis, Scotty en Bill voorlopig op: “High school auditoriums, one-night stands, eight-hundred-mile hops between gigs, fifteen-minute spots on talent-crammed package shows”. Na een aantal maanden werd het trio met drummer D.J. Fontana uitgebreid tot een kwartet. Ter plekke deden ook andere muzikanten mee zoals de pianisten Floyd Cramer en Leon Post. Ze moesten soms enorme afstanden afleggen om van het ene optreden bij het andere te komen. Onderweg werd veel naar muziek op de radio geluisterd.
   Als gevolg van het toeren kon Scotty niet meer de rol van organisator-manager spelen zoals hij dat bij de Wranglers altijd gedaan had. Na korte tijd gaven ze dat werk dan ook over aan Bob Neal, een lokale impresario – totdat Tom Parker (Dries van Kuijk) om de hoek kwam kijken. Parker had veel ervaring opgedaan met artiesten als Gene Autry, maar vooral RCA-zangers Eddy Arnold en Hank Snow.
   Onder elkaar bedachten ze wat voor repertoire geschikt was voor volgende platen en bij optredens. Liedjes waren er genoeg en Elvis kende ze allemaal. “Some of the stuff at Sun was just a matter of well Sam, myself, Bill and Elvis would just think of a song and say: ‘Do you know that one?’ We might run it three times and see. If it didn’t feel like anything happened, we’d go on to something else”.
   Het was een kwestie van uitproberen. Wat lekker klonk werd gespeeld en eventueel in de studio vastgelegd. De rest viel af. Tot die laatste categorie hoorden bijvoorbeeld ‘Only You’ (Platters), ‘Rock around the clock’ (Bill Haley), ‘Hearts of Stone’ (Jewels) en ‘Little Mama’ (Clovers).
 
Tijdens het reizen en trekken waren Scotty, Elvis en Bill nadrukkelijk op elkaar aangewezen. Misschien sliepen ze soms in één kamer. Moore: “We were very, very close. We had to be. We practically lived together, the three of us, just months and months on end sometimes. I remember very well in the early days, there were all kinds of experiences, fights, show dates canceled, not getting paid, it was fairly rough”.
   Volgens Scotty werd Elvis, een jaar of 18, door zijn moeder stevig in de gaten gehouden. “Every time before we would leave to go out, Elvis’ mother [Gladys] would call either Bill or myself. ‘You be sure and take care of my boy’, she’d say, and we’d assure her, of course, that we would”.
   Scotty Moore, ruim vijf jaar ouder dan Elvis, trad onderweg een beetje op als vaderfiguur. Bijvoorbeeld om hem ’s morgens op tijd uit bed te krijgen, op weg naar het volgende optreden, soms vele honderden kilometers verder. “We would have to just absolutely threaten to dump water on him sometimes to get him out of bed in the morning. I guess, he was a typical teenager in that way. I mean, I wasn’t that much older myself, but I had to kind of take charge”.
   Scotty had nog om een andere reden recht van spreken. De auto waarin ze zich verplaatsten was zijn eigendom.
 
Om de moed erin te houden haalde Elvis practical jokes uit (dat bleef hij zijn hele leven doen). Bill Black speelde sowieso de clown. Scotty: “I was never the clown myself. With just the three of us, there had to be somebody to keep the beat going. We had a good time. We really had a good time. And the crowds just kept getting bigger and bigger”.
   De optredens gingen meestal zonder microfoon. Vanwege de overweldigende reacties uit de zaal konden zijn begeleiders de zang van Elvis vaak niet horen. Scotty ging van achter dan maar op de bewegingen van de artiest af met wat hij speelde.
   “Half the time we couldn’t even hear ourselves play. We kidded a lot of times that we were the only band in history that was directed by an ass. Because, you see, we had to take all our cues and things visually. Even with D.J. Fontana playing as loud as he could, you still couldn’t hear the drums.
   Of course nothing was miked back then, but it was an experience that wasn’t to be missed. You really got the true feeling of an audience”.
 
 
296 7 Elvis Scotty Bill
Scotty, Elvis en Bill, september 1954
 
 
Col. Tom Parker
 
 
Toen Tom Parker het heft eenmaal in handen had ging het snel. Sun Records was volgens hem te klein en te ver weg uit het centrum van de muziekindustrie om een landelijke doorbraak te forceren. Parker zocht zijn heil bij de mensen van RCA Records, die hij al kende van zijn activiteiten met Eddy Arnold en Hank Snow.
   Sam Phillips was volgens Scotty Moore van mening dat er meer goede nieuwe artiesten waren dan alleen Elvis Presley. “A whole generation of rockabillies had sprung up virtually full-blown out of such southern backwaters as Pocahontas, Arkansas; Ferriday, Louisiana; Lubbock, Texas; and Tipton County, Tennessee”.
   Er was een muzikale revolutie gaande. “Within months of the release of Elvis’s first record, the revolution had arrived, and musicians like Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Gene Vincent, Buddy Holly and a whole host of lesser known but no less ardent practitioners of the art were knocking on record company doors. Indeed it was almost as if the new music had been in a stage of secret gestation, just waiting for the proper conditions to burst into full flower”.
 
 
Carl Perkins, Johnny Cash, Jerry Lee Lewis en Roy Orbison
 
 
Scotty Moore had zijn eigen theorie: “It had been there for quite a while, really. Carl Perkins was doing basically the same sort of thing up around Jackson, and I know for a fact Jerry Lee Lewis had been playing that kind of music ever since he was ten years old”.
   Een nieuw soort up tempo-klanken kwam in de plaats van de langzame nummers die in het begin van de jaren vijftig opgang gemaakt hadden. Dankzij Presley waren jonge artiesten in staat de muziek te maken die ze zelf mooi vonden.
   “You see, from the honky tonks you got such a mixture of all different types of music, and I think what happened is that when Elvis busted through, it enabled all these other groups that had been going along more or less the same avenue – I’m sure there were hundreds of them – to tighten up and focus on what was going to be popular.
   If they had a steel guitar they dropped it. The weepers and slow country ballads pretty much went out of their repertoire. And what you had left was country-orientated boogie music”.
 
Volgens Scotty Moore greep Sam Phillips de kansen die hem geboden werden. Door Elvis Presley voor 35.000 dollar aan RCA door te verkopen kreeg hij werkkapitaal in handen om aandacht te besteden aan al die fantastische artiesten die bij hem aan de deur kwamen kloppen. Op die manier kon hij de omzet van Sun Records flink omhoog stuwen.
   Moore: “The only reason he sold Elvis was to get the capital to produce the others. He figured – and I think he was right – that with the money, instead of having one Elvis he could have four or five. Well, it didn’t work out that way, but he came pretty close”.
   Peter Guralnick kon het wel begrijpen: “Indeed, for a time Sun had Carl Perkins, Johnny Cash, Jerry Lee Lewis and Roy Orbison all under contract”.
 
 
Einde van de samenwerking met Elvis Presley
 
 
Vanaf het moment dat Tom Parker ten tonele verscheen draaide alles alleen nog maar om de zanger van wie hij de manager werd. De voormalige inwoner van Breda had niets op met de belangen van zijn trouwe begeleiders Bill Black, Scotty Moore en D.J. Fontana.
   Als het aan Elvis had gelegen zouden zijn mede-muzikanten bijvoorbeeld goed in het succes mee delen, zoals in de opbrengst van de platen waarvan binnen korte tijd miljoenen exemplaren verkocht werden. Scotty en Bill waren immers als muzikant van de partij bij de opname van ‘Heartbreak Hotel’, ‘All Shook Up’, 'Hound Dog’, Too Much’, ‘Jailhouse Rock’ enzovoort.
   Tom Parker stond op de bres voor Elvis, niet voor Scotty Moore. “Als Elvis zijn zin had gekregen, waren ook bij mij miljoenen dollars binnengestroomd”.
   Moore profiteerde evenmin van de torenhoog gestegen gages bij de optredens. Parker zette hem (en de anderen) op een weekloon – 200 dollar als ze op pad waren, 100 dollar als dat niet het geval was. Daar moesten ze het maar mee doen. Toen Scotty Moore aan Tom Parker een opslag van 50 dollar vroeg kreeg hij ‘nee’ te horen. Van die 200 dollar moesten ze bovendien hun eigen (reis)kosten betalen.
   Scotty en Bill voelden zich zo slecht behandeld dat ze al vóór Elvis in dienst ging besloten het bijltje erbij neer te gooien als vaste begeleiders. “It was strictly a financial problem. After that we worked with them on a per date basis, although we didn’t do but a couple of tours”.
 
Bill Black en Scotty Moore moesten het verder zelf maar uitzoeken. Voor de bassist was dat geen enkel probleem. Met het naar hem genoemde combo maakte hij vanaf 1959 de ene hit na de andere voor het Hi-label – hits als ‘Smokie, part 2’, ‘White Silver Sands’, ‘Don’t be cruel’, ‘Blue Tango’ en ‘(My Girl) Josephine’.
   Zelfs na zijn overlijden in 1965 bleef Bill Black’s Combo goed verkopende albums met instrumentale muziek maken, zoals ook Billy Vaughn, Lawrence Welk en anderen dat deden.
 
 
Een nieuw leven voor Scotty Moore
 
 
296 8 Thomas Wayne
Scotty met Thomas Wayne
 
 
Ook Scotty Moore bleef in de muziek na zijn vertrek als gitarist van Elvis Presley. Sam Phillips huurde hem in voor werk in de studio met artiesten als Jerry Lee Lewis en Charlie Rich en liet hem een kantoor in Nashville runnen.
   Scotty trad bovendien op als producer van Thomas Wayne (1940-1971), broer van Luther Perkins, gitarist van Sun-artiest Johnny Cash. De single ‘Tragedy’ van Thomas Wayne, geproduceerd door Moore, bereikte in 1959 een hoge klassering in de top 10 van Billboard. Er werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. Zo’n succes had Elvis in zijn Sun-periode nooit gehad.
   Het succes van ‘Tragedy’ bewees nog eens hoe gevaarlijk het bestaan van kleine platenmaatschappijen was. De single werd uitgebracht door Fernwood Records waarvan Moore mede-eigenaar was. Omdat de maatschappij na ‘Tragedy’ niet onmiddellijk met een nieuwe hit kwam betaalden veel klanten (distributeurs) hun rekening niet. Het gevolg: Fernwood ging bijna failliet – bijna ten onder aan het grote succes. Dat had Sam Phillips ook kunnen overkomen als zijn Sun single ‘That All Right’ met Elvis meteen naar de top was doorgeschoten. ‘Tragedy’ leverde Scotty Moore een gouden plaat op, maar kostte hem een hoop geld.
 
Voor het Fernwood label nam Scotty Moore bovendien een nieuwe single met de Starlite Wranglers op – met de nummers ‘Rest’ en ‘Have guitar will travel’. Opnieuw bleef succes uit.
   Voor het Epic-label maakte hij een album met de songs van Elvis Presley. “We had basically the same personnel on the recordings as we did with him. So really what it sounds like is like we took his voice out. We had Boots Randolph on saxophone, The Jordanaires, D.J. Fontana and Buddy Harman on drums, Bob Moore on bass and myself and Jerry Kennedy on guitar, and the only one on there who hadn’t worked with Elvis on his sessions was Bill Pursell who played piano. Just for reason that Floyd Cramer was out of town and we couldn’t get him to play when we started cutting”.
   In 1968 traden Elvis Presley en Scotty Moore opnieuw samen op. Dat was ter gelegenheid van de special voor NBC-televisie. In 1973 vertelde Scotty aan de Engelse popjournalist Norman Jopling: “Last time I talked to Elvis was a couple of years back when we did the Singer TV Special and he’d more or less come out of hiding after all those years. He was even talking about a European tour, but it hadn’t been put together at that time, and still hasn’t”.
   Jopling vroeg aan de gitarist wat hij van het nieuwe werk van Presley vond.
   Het antwoord was duidelijk: “Quite frankly, the last couple of things have just turned me off”.
   Een uitnodiging om naar Las Vegas te komen sloeg Moore dan ook af. Maar hij bleef altijd goede herinneringen houden aan wat ze in Memphis samen gedaan hadden in de studio van Sam Phillips.
 
Harry Knipschild
7 juni 2017
 
Clips
 
 
Literatuur
Norman Jopling, ‘Scotty Moore: The Man Who Launched A Thousand Licks’, New Musical Express, 27 januari 1973
‘Scotty Moore Way Ahead Of The Gang’, mei 1973, website Elvis Australia, 2000
Arjan Deelen, ‘Interview with Scotty Moore, Elvis’ guitarist’, 28 maart 1998, Elvis Information Network, 2006
Peter Guralnick, Lost Highway. Journeys and Arrivals of American Musicians, Boston 1999 (1979)
Peter Guralnick, Sam Phillips – the man who invented rock ’n’ roll, Londen 2015