Zoeken

 
 
“Het cliché klopt als een zwerende vinger. Drugs horen bij popmuziek”. Het zijn de woorden van Wim van Oevelen, geciteerd uit pagina 117 van een boek dat hij onlangs liet verschijnen onder de titel Doe Maar. Op de achterbank. Tourmanager vliegt uit de bocht. Wil Notten heeft zijn verhaal opgetekend. Het boek, met een macho-inslag, door uitgeverij Verbum in de handel gebracht, is verschenen met de bekende Doe Maar-kleuren groen, geel en roze. Ernst Jansz en Jan Hendriks hebben voorin een aanprijzing geschreven, Henny Vrienten niet.
 
 
265 1 omslag boek
 
 
 
Armand
 
 
Wim van Oevelen werd omstreeks 1950 in het Brabantse Geldrop geboren. Anno 1968 raakte hij in de ban van Armand (Herman van Loenhout, 1946-2015). “De single ‘Ben ik te min’ schalde in 1967 vrijwel om het uur uit de luidsprekers van de Poort van Kleef op de Markt in Eindhoven. Armand stond er half verlegen en volledig stoned bij te glimlachen. De maestro was vaste gast in de Poort, waar flink geblowd en gedeald werd”.
   Het was Wims eerste kennismaking met drugs. “Vaak zaten we aan tafel bij Armand. Op een dag bood hij mijn vriend Hennie van Ravenstein en mij heel lief een astmasigaret aan. Medicinale marihuana avant la lettre want in astmasigaretten zat toen nog marihuana. Ik merkte niets. Armand legde geduldig uit dat zo’n astmapeuk de eerste keer niet zo veel effect had. We namen er nog eentje”. Van Oevelen sprak van een ‘blow-ontmaagding’.
   Op weg naar huis merkte Wim het effect van de soft drug. “Ik heb er wel een uur over gedaan, terwijl het normaal een kwartiertje lopen zou zijn”. Ook zijn moeder merkte dat er iets aan de hand was. “Je ziet een beetje witjes en wat heb je kleine oogjes”, kreeg hij te horen. “Zodra ik mijn ogen sloot begon alles te draaien”, ervaarde hij.
   Luisteren naar het album van de Outsiders (Relax Records, 1967) op zijn kamer bracht redding. “Met de Outsiders kwam de mellow yellow. Het was een openbaring voor me. De muziek klonk ruimtelijk en overdonderend. Dit gedeelte van het high-zijn beviel me. De hele avond luisterde ik op mijn koptelefoon naar muziek. Het smaakte naar meer”...
 
Armand en Wim werden stamgasten van de Volksbond in Eindhoven. “In deze kroeg, bekend om zijn ‘rode sfeer’, was de eerste blow gratis en daarna moest betaald worden”. Thuis bij Armand speelden ze ‘knetterstoned’ met diens modelspoorbaan.
   De band met Armand werd aangehaald. “Hij was protestzanger maar ook zakenman. In de Poort van Kleef zaten behalve wat hippies vooral inbrekers, hoeren en pooiers. De bovenverdieping bestond uit peeskamertjes. Ook die scene wilde graag blowen. En Armand had hasj. Meer en meer verrichten Hennie en ik voor gratis joints allerlei hand- en spandiensten voor het aanwezige boeventuig. Iedereen smeet met geld”.
 
Armand, aldus Van Oevelen, werd steeds bekender en verdiende meer en meer. Hij schafte een grote Jaguar aan. “Met die limousine en zijn bontjas zag hij er echt uit als een hippe popster”. Het liedje ‘Ben ik te min’ was niet meer van toepassing. “Aan zijn arm paradeerde een nieuwe Franse vriendin”.
    Suzy bleek een zakelijke vrouw te zijn. “Na een tijdje wilde iedereen hasj bij haar kopen. Armand had het te druk met optredens. Ondertussen regelde Suzy de business. Tijdens optredens in België kon ze vanuit Antwerpen, met zijn vele smokkelroutes vanuit Afrika, veel meer soorten wiet en hasj inkopen dan andere dealers”.
 
Wim van Oevelen leerde Armand goed kennen. “Cocaïne vond hij rommel”. De artiest hield van grapjes. Wim sprak uit eigen ervaring. “Op een kerstfeestje in een bar serveerde hij een stuk hasjcake”. Er bleek meer in het baksel te zitten. “Na een uurtje zat iedereen als een soort geest in het luchtledige te staren. Armand zelf was in geen wegen of velden te bekennen. Hij had er plezier in mensen heel erg high te maken, hun reactie af te wachten en vervolgens hard in de lach te schieten”.
   Ondanks dat soort grapjes bleef het contact. “Regelmatig ontmoette ik hem nog op festivals en optredens – mét joint. Hem een echte vriend noemen zou wat te ver gaan, maar ik koester warme en fijne gevoelens voor deze bijzonder excentrieke Eindhovenaar”, legde Wim vast nadat hij op 26 november 2015 aanwezig was bij de uitvaart van de artiest.
   Van Oevelen: “Naar eigen zeggen had hij drie keer zijn lichaamsgewicht aan cannabis verrookt. Om die reden wilde hij eigenlijk niet gecremeerd worden. ‘Verkoop mij maar in stukjes van 25 gulden’, beweerde hij”.
 
 
265 2 uitvaart Armand 2015
uitvaart Armand
 
 
CCC Inc.
 
 
Van het een kwam het ander. Soft drugs gingen, niet ongebruikelijk, over in hard drugs. Wim was tegelijkertijd gebruiker en dealer. Dat was lucratief. “In de jaren zeventig kon je soms wel tienduizend gulden op één dag verdienen”. Wim zag zich zelf echter niet als handelaar – en zeker niet als crimineel. “In het netwerkje heerstte een sfeer van kwajongens onder elkaar. Collega’s bijna. Samen tegen het establishment. In die tijd mocht dat blijkbaar want iedereen schopte tegen de gevestigde orde”.
   Het binnenstromende geld werd weer snel uitgegeven. “Na de handel gingen Hennie en ik regelmatig een nachtje stappen. Big Spendertje spelen. We hadden allebei een dikke Mercedes met koplampen als kerkramen. Op de snelweg mochten we nog zo hard rijden als we wilden. Dus knalden we regelmatig vanuit Eindhoven achter elkaar aan over de A2 naar Amsterdam. Volumeknop open en dan zo stoned als een garnaal over het asfalt in twee auto’s. Mooie auto, geld genoeg en geen schrik”.
   In het Amsterdamse nachtleven maakte Wim, naar eigen zeggen een ‘Brabants boertje’, indruk met het geven van rondjes voor de hele bar van dik honderd gulden.
 
In 1970 was de carrière van Armand enigszins in het slop geraakt. Maar muziek was er genoeg. Van Oevelen: “Ik kwam vaak in de Eindhovense stadsschouwburg. Daar waren echt vette rockconcerten: Yes, Iron Butterfly, Traffic, Robert Palmer, The Band. Ik herinner me dat ik op 18 september 1970 op de trap van de schouwburg zat ‘in te roken’ voor het optreden van The Band. Het nieuws ging [terecht] rond dat Jimi Hendrix was overleden.
   CCC Inc. stond er in het voorprogramma van The Free. Ik wist niet wat ik zag. Een bont gezelschap van mannen, vrouwen en honden, wierook en tapijten op de vloer, maakte vrolijke muziek met veel country en de nodige show: van de piano springen, wasbord bespelen, roffelende drumsolo’s. Ik zat in de zaal voor The Free maar CCC maakte veel indruk op me”.
   Een vriend nam hem een paar maanden later mee naar Neerkant, waar deze zo af en toe wat wiet aan de muziekgroep leverde. Wim voelde zich meteen thuis in de hippie-commune. “Ik ging er vaak heen om te kletsen, te roken en te luisteren. Heel fijne mensen daar. Ik ontmoette er Ernst Jansz en Joost Belinfante. Altijd plezier, altijd muziek”.
 
Van Oevelen had het gevoel dat hij door de politie in de gaten gehouden werd. Omdat hij in een ‘blitse, grote, goudkleurige Mercedes-limousine’ rondreed was dat niet moeilijk. CCC Inc. ging op toernee naar Denemarken. Wim had er wel oren naar om als chauffeur te fungeren en zo even aan de aandacht van de overheid te ontsnappen. “Ik heb mijn wagen volgeladen, vol met jonge muzikanten. We reden hartje winter van de ene sneeuwstorm naar de andere. Midden in de nacht kwamen we aan op een boerderij in the middle of nowhere. Ook een commune waar we super gastvrij werden ontvangen”.
   De volgende dag was het uitzicht overweldigend. “Buiten was het wit, wit, wit, zo ver het oog reikte”. Even later veranderde dat. “In de verte zagen we een rode stip verschijnen, die alsmaar groter en groter werd. Dat bleek de postauto te zijn. Die stopte recht voor de boerderij, waarna de bezorger een pakketje overhandigde aan een van de bewoners. Dat was de smokkeltruc voor Scandinavië: gewoon een pakketje opsturen naar het te bezoeken adres. Zonder afzender uiteraard. De inhoud was een grote variëteit aan vele soorten serieus goede hasj. Compleet feest in de commune”.
 
 
265 3 Castle in Spain
 
 
CCC Inc. was geen lang leven beschoren. ‘Castle in Spain’, met een hoes, ontworpen door drummer Johnny Lodewijks (John Lodi), was in 1973 het laatste album. Van Oevelen: “Het waren zeer dynamische tijden. Al snel schoten alle leden allerlei andere muzikale richtingen in. Een jaar na Denemarken deden we in Nederland al een afscheidstoernee. Goodbye CCC – welcome Slumberland Band”.
 
 
Slumberland Band
 
 
Ernst Jansz, Joost Belinfante, John Lodi en Frits van Doornick, is in het boek van Wil Notten te lezen, zetten de Slumberland Band op. Piet Dekker solliciteerde met succes op een advertentie voor een bassist. “Er volgden vele vrolijke optredens: prachtige muziek, spetterende lichtshow, veel humor, originele details en volop interactie met het publiek. Altijd spektakel”.
   Wim van Oevelen was er direct bij betrokken. “Samen met technicus José bouwde ik voor elk optreden een giga lichttoren op. Hell of a job maar indrukwekkend. Ik stond met de mengtafels onderin de toren. José regelde de vele spotlights en projectors vanaf haar stekkie bovenin. Qua muziekstijl prachtige melodramatische songs met flinke scheuten CCC en vaudeville.
   John Lodi, een hardcore reggae fan, pushte alle muzikanten om zich heen altijd de reggae-kant op. Hij wist echt alles van reggae en was superenthousiast. Hij reisde zelfs naar Jamaica om inspiratie op te doen en nieuwe songs te ontdekken. Maar hoe indrukwekkend de optredens ook waren, de verkoop van het album ‘Slumberland Band’ viel tegen”.
 
 
Boudewijn de Groot
 
 
Wegens het uitblijven van succes gingen de leden van de Slumberland Band op zoek naar andere activiteiten (‘bijbaantjes’). Boudewijn  de Groot had begeleiders nodig voor optredens in België. Ernst Jansz, Piet Dekker en John Lodi grepen de kans die hun geboden werd. Een nieuweling in het gezelschap was Henny Vrienten omdat Joost Belinfante niet mee deed.
   Wim van Oevelen: “Samen met Willie van Hal deed ik de techniek tijdens Boudewijns toernee. John bleef hameren op de reggae en zijn enthousiasme werkte aanstekelijk. Tijdens de pauzes speelden ze vaak reggae-riffs. Door ‘apostel’ John, een jointje en een drankje kon het niet stuk. Boudewijn noemde zijn begeleiders gekscherend de Rumbonen. Na de toernee gingen de muzikanten door als The Rumbones”.
   Volgens Wim was het een erg toffe tijd. “We blowden even hard als echte rasta’s. The Rumbones waren echt steengoed en iedereen kon zien dat die jongens op het podium genoten. Met name ons optreden in de Melkweg scoorde als een tierelier”.
 
265 4 Rumbones 1977
Rumbones
 
Marokko en Colombia
 
 
Van Oevelen was niet alleen actief bij popgroepen en als leverancier van ‘spul’ bij tal van muziekpodia. Hij handelde in het groot en het klein, legde hij vast in het boek.
   Om zo veel mogelijk te verdienen in de handel maakte hij reizen naar het buitenland. Iemand als Armand had hem de weg gewezen naar Marokko. Graham Nash had de song ‘Marrakesh Express’ geschreven. Jimi Hendrix was in Diabat en andere plaatsen geweest. Om maar eens een paar bekende popartiesten te noemen die Marokko in hun vaandel hadden.
   Van Oevelen had in die tijd zijn eigen ervaring in Ketama tussen de Marokkaanse wietvelden. Hij rookte er de beste hasj van zijn leven. Tijdens een rondleiding schuifelde Wim in het schemerdonker naar een schuur. “Tot mijn grote verbazing zag ik zo’n tweehonderd vuilniszakken vol hasjpoeder op elkaar gestapeld tot aan het plafond. Zoveel hasj had ik nog nooit gezien. Ik voelde me meteen thuis tussen de lachende mannen en de flink gevulde zakken”.
   Wim waande zich in een film. Hij werd naar een tweede schuur gebracht. “Stel je voor, een ruimte van wel twintig bij twintig meter met een enorme boekenpers, een professionele garagehefbrug, een grote steenoven. Er liep een dozijn druk rokende en hevig gesticulerende personeelsleden rond, die dag en nacht bezig waren het poeder tot hasj te persen, te verpakken en in auto’s in te bouwen”.
 
Er was nog maar net genoeg benzine om Tanger te bereiken. De rest van de Renault 16 – benzinetank, dorpels, reserveband enzovoort – werd volgepropt met hasj, 71 kilo. Goed voor een mooie opbrengst in Nederland. Maar het ging mis. De chauffeur werd aangehouden en belandde voor een flink aantal jaren in een Marokkaanse gevangenis. Wim hield het hoofd koel en wist met geluk de dans te ontspringen.
 
Later reisde Van Oevelen naar Zuid-Amerika, om precies te zijn: Colombia. “Zonder enige voorbereiding, maar wel met honderdduizend dollar op zak vloog ik er heen. Het duurde niet lang of om me heen hoorde ik: ‘Buy coke?’ De eerste twee dealers haakten af toen ik over kilo’s begon. Met het geld contant bij me kwam ik tenslotte in een oude Volkswagen in Cali terecht. Onderweg werd ik stiller en stiller. In deze contreien, dit afgelegen gebied, werd voor minder geld een moord gepleegd. Tot mijn opluchting werd mijn naïeve vertrouwen niet beschaamd".
   Evenals in Eindhoven mocht je eerst ‘proeven’. “De big boss liet me plaatsnemen aan een flinke tafel met een spiegel als tafelblad en schudde daar pardoes een lijn van een meter coke op. Ik kreeg een soeplepel in de handen gedrukt en kon mijn gang gaan. Ik ruilde mijn kapitaal voor drie kilo coke, de beste kwaliteit”. Van Oevelen wist wat hij in Nederland zou doen: “Van die drie kilo maak ik er makkelijk zes”.
   De rockmuziek-liefhebber nam de cocaïne in een Samsonite-koffertje mee door de douane. “Geen enkel probleem. Nergens scanners of drugshonden te bekennen”. Met een big smile voegde hij zich bij zijn maten op Schiphol. “Bingo. Mijn buit was binnen. Uiteraard startte het testfeest onmiddellijk op de eerste plee die we tegenkwamen”.
 
Met behulp van laxeermiddel Mannitol wist Van Oevelen de hoeveelheid drugs inderdaad te verdubbelen. Zijn ‘businessplan’, zoals hij het omschreef, werkte.
   “Een halve kilo puur woog ik af voor eigen gebruik. Klanten waren er genoeg, vooral op de Gooise matras. Zangers, producers, danseressen, would be’s en allerlei artistiekelingen betaalden graag tweehonderd gulden per gram voor een snuifje van mijn Colombiaanse coke. Inderdaad: zesduizend gram à tweehonderd gulden was meer dan een miljoen. Ik deed goede zaken en was een graag geziene gast in de muziekscene. Het feesten nam alleen maar toe in heftigheid”.
 
 
265 5 Wim van Oevelen 1978
Wim van Oevelen (foto uit boek)
 
Van Oevelen werd wel eens gepakt, maar altijd voor lichte vergrijpen. In 1970 was hij in Eindhoven aangehouden voor het bezit van drie gram hasj. Dat stelde niet veel voor. “Osibisa en de Mr. Albert Show traden er op. Tijdens het wachten haalde ik een blok hasj te voorschijn en begon joints te draaien voor ons groepje van een man of twaalf”. De politie greep in. “Ik werd bekeurd en moest 150 gulden dokken”.
   Toen Wim anno 1978 in Dover aangehouden werd met hasj kwam zijn dossier met het voorval in 1970 te voorschijn. Van dat nadeel maakte hij een voordeel. De soft drugs waren voor eigen gebruik legde hij koel uit: “Zie je wel dat ik al heel lang rook en dat dat in Nederland niet echt bestraft wordt”. Bij een rechter herhaalde hij naar eigen zeggen zijn pleidooi voor het gezonde verstand. “Your honour, in Nederland is wat stuff heel normaal. Ik rook al lang zoals u ziet in mijn dossier”. Met wat heen en weer praten kwam Wim er ondanks zijn handelswaar ook nu goed van af. Hij kreeg een boete van 50 Engelse ponden en een stempel in zijn paspoort dat hij nooit meer naar dat land mocht reizen.
   Dat laatste was geen probleem. “Thuis heb ik mijn paspoort in de wasmachine laten meedraaien zodat ik een nieuw exemplaar kon aanvragen”.
 
 
Herman Brood en de Earring
 
 
Van Oevelen was veelzijdig. Hij haalde zijn handel soms zelf op, tot in Colombia toe. Hij passeerde grenzen en hij had afnemers onder wie veel artiesten. In Eindhoven zette hij zelfs een coffeeshop op die eerst ‘Pink Panther’ en vervolgens ‘Pink’ heette. Toen hij zich in zijn winkel bedreigd voelde liet hij er een ijzeren rolluik plaatsen ter bescherming.
   Het rolluik kreeg nog een passend kleurtje. “In die tijd beschilderde Herman Brood voor duizend gulden wat je maar wilde, tot vuilcontainers toe. Ik kende Herman en nam contact op. Natuurlijk had hij wel zin om dat lelijke rolluik met een paar spuitbussen op te vrolijken. Een week later stond er voor hem een optreden in de buurt van Eindhoven gepland. Die zondag kwam hij naar Pink. Wij zorgden voor spuitbussen, een pak melk en een fles Cointreau. Een uur later was het rolluik een kunstwerk”.
   De bedreiging hield aan voor Van Oevelen. Hij maakte een einde aan de openbare gedoogde verkoop. “Ik ben een hippie, geen gangster. Ik was best bang en had, ondanks het rolluik geen zin in oorlog. Daarom gooide ik de handdoek in de ring. Handel genoeg”.          
   Wim leerde de scene van Herman Brood goed kennen. Enthousiast was hij er niet over. “Allemaal opgefokt door speed en heroïne. Van roadie tot leading act Herman, ze gingen stuk voor stuk te hard naar mijn smaak. Ik heb als sound engineer bij wat optredens gewerkt in de tijd dat de band echt in topvorm was, met sterren als Lademacher, Cavalli, Meerman, Hollestelle en de Bombita’s.
   Etaleurs van de Bijenkorf verzorgden het psychedelische artistieke decor, Bertus Borgers [van de Mr. Albert Show] was gastheer voor het live-gedeelte. De Eindhovense onderwereld verzamelde zich in de lounge-banken. Joints gingen constant stomend rond en tussendoor werd een snuifje genoten”.
 
 
265 6 Bertus Borgers
Bertus Borgers
 
Van Oevelen had meer cliënten. Omstreeks 1978 kwam hij naar eigen zeggen bij de Golden Earring terecht. “Met Bertus Borgers ben ik nog vaak op bezoek geweest bij George Kooymans in Rijckevorsel. De jongens betaalden weinig belasting in Nederland doordat hun bedrijf in Lichtenstein zat. De sfeer was erg goed onder elkaar. Veel sex, veel drugs en veel rock ’n’ roll. Als roadie profiteerde ik volop mee van de geneugtes die als zoete honing kleefden aan succesvolle popsterren. Speed stond uitgebreid op het programma. Meedoen was min of meer verplicht”.
   In het boek regent het namen van pop-artiesten en wat ze allemaal uitspookten. Wim trad onder meer als intermediair op bij de Sex Pistols, Stray Cats, Joe Jackson, Talking Heads, Blondie en Ramones.
 
 
Doe Maar
 
 
Naar eigen zeggen kreeg Wim van Oevelen wederom een telefoontje van Ernst Jansz. “Hij belde me op of ik kon bijdragen aan zijn nieuwe project: Fools Band Doe Maar. Ik heb het altijd een voorrecht gevonden om met deze jongens te mogen werken, dus: ‘Ja graag’”.
   De groep bestond aanvankelijk uit Ernst Jansz, Piet Dekker (‘de steeds excentriekere naakte basgitarist’), gitarist Jan Hendriks en drummer Carel Copier. Af en toe zong Wim in die tijd wat nummers mee: “Waaronder het beruchte ‘Incest’ waarbij ik me in een zwart leren pak met allerlei suggestieve viezigheid aan mijn moeder én mijn dochtertje vergreep”. Veel succes was er aanvankelijk niet. Al in 1979 leek het erop dat Doe Maar zou ophouden te bestaan.
   Omdat er nog contractuele beslissingen voor optredens vastgelegd waren stond manager Frank van der Meijden erop dat die afspraken gerespecteerd werden. “Zo kwam Henny Vrienten weer in beeld. Met zijn terugkeer op bas ging het plotseling heel erg lekker”. Van Oevelen kreeg als taak het geluid te perfectioneren.
   De komst van Vrienten bij Doe Maar was volgens Wim een zegen. “Er veranderden veel dingen. Het werd beter – want doelgerichter en effectiever. In de pre-Henny periode werd lekker gemusiceerd met Nederlandstalige popmuziek op basis van ska en reggae. Met Henny viel alles mooi samen en ontstond er één lijn; één gezamenlijke ambitie. Scoren met lekkere liedjes. Die cultuuromslag bleek geen shock maar eerder een logisch vervolg. Iedereen was er aan toe. At the end of the day is een sterk liedje waar alles om draait.
   Welke band zoekt niet het grote succes?    
   Henny was rationeler. Hij had een heuse HBO-opleiding op zak en daar een visie aan overgehouden. Hij zei: ‘Muzikant zijn is een beroep. Je moet je best doen om een mooi product te leveren. Daar hoort plezier bij, maar ook discipline”.
 
Wim had veel bewondering voor Ernst Jansz, die hij al kende van de CCC-commune. “Van muziek genieten stond nadrukkelijk centraal. Geld verdienen was een toevallige bijkomstigheid. Bezit moest je trouwens delen. Het was Enst die voorstelde ieder bandlid 25 gulden te laten lappen om mij te betalen. Niet dat ik dat geld als amateurdealertje echt nodig had. Maar het voelde waarschijnlijk veel eerlijker voor hem. Wat een schat. Soms zelfs enigszins te veel naar boven afgerond.
   Toen Doe Maar erg succsvol was, kwam het idee van Ernst om alle inkomsten met alle bandleden en helpers op basis van gelijkheid te delen. Ernst en met name Henny schreven de meeste liedjes en dus verdienden zij het meeste. Dat plan is nooit doorgezet”.
 
 
265 7 Doe Maar
Doe Maar
 
Henny Vrienten
 
 
Van Oevelen: “Henny en ik hadden wel eens een conflictje. Zoals die keer toen ik vroeg om meer geld.
   Henny merkte nuchter op: ‘Als je meer geld wilt, Willem, dan moet je goede liedjes schrijven’. Punt”.
   Elders in het boek blijkt dat Vrienten nog meer teweeg bracht in Doe Maar. “Henny vond het niet lastig andermans vriendinnen in te pikken. Met de charming bijl ging hij erin. Ik heb het zelf aan den lijve ondervonden. Ik bracht vrouwen mee waar ik behoorlijk gek op was. Maar Henny kende geen scrupules en versierde ze gewoon met alles wat daar bij hoorde. Ik heb hem daar wel eens over aangesproken en hem gevraagd: ‘Moet dat nou. Ik heb die meiden hier toch mee naar toegebracht?’
   Standaardantwoord in de trant van: ‘Je weet toch wel dat ze hier voor mij komen, Willlem’. Of: Ik zag het toch in haar ogen’. En anders de keiharde klassieker: ‘Het is toch gewoon een lekker wijf’.
   Daar kon ik het dan mee doen”.
   De rol van vrouwen, en niet alleen jonge fans, speelden volgens Wim een doorslaggevende rol in de ontwikkeling van Doe Maar. “Bij een toernee naar de West spraken de boys af dat er geen vrouwen meegingen op deze reis. Grote verbazing alom toen Henny op Schiphol aankwam met Charlotte. Wat daar precies gebeurde, weet ik niet maar het voelde niet echt lekker. Dat was niet de afspraak. Bovendien hadden de twee veel aandacht voor elkaar en was er een soort scheiding tussen Henny en de rest van de band.
   Persoonlijk heb ik het idee dat dit sterk bijdroeg aan het einde van Doe Maar. De sfeer veranderde onherroepelijk. Je voelde de spanning”.
 
 
Geld en media bij Doe Maar
 
 
In de eerste helft van het boek speelden drugs een grote rol in het relaas van Wim van Oevelen. Op de vele pagina’s over Doe Maar was dat nauwelijks het geval. Toch kon je lezen: “De tijd tussen 1979 en 1983 [de hoogtijdagen van Doe Maar] was de heftigste tijd qua seks en drugs. Rock ’n’ roll kreeg ik er gratis bij van Doe Maar. Café Nutz in Valkenswaard was hét café waar veel onderwereld, dealers en kunstenaars kwamen. Niks was te gek. Geld en drugs in overvloed”.
   Over het gebruik van middelen bij zijn groep in die tijd is bijna niets te lezen. Al vind je dan onverwacht een zinnetje als: “Op het eetgeld werd bespaard voor belangrijkere dingen. Bij het begin van de tweede set kwam de spiegel uit de kast en startte de sneeuwstorm [cocaïne]”.
   In Slagharen probeerde Van Oevelen een nederwiet-plantage op te zetten. Wim volgde zijn hart, lijkt het wel. “Met de adviezen van Joost Belinfante, componist van de hit ‘Nederwiet’ ging ik experimenteren”.         
   In Overijssel werd in een weids maisveld een stuk van 200 vierkante meter voor wiet vrijgemaakt. Dat jaar, 1981, genoot Nederland van een mooie warme zomer en de wietplanten groeiden en groeiden. Zelfs omgeven door mais vielen ze echt op. Gelukkig was de maisveldtruc nog relatief onbekend en daarom was er nooit controle. Alles verliep naar wens. September was de maand om te oogsten: wel tweehonderd kilo”.
 
In zijn boek, met Doe Maar prominent aanwezig, wond hij zich op over de rol van de serieuze media. “In het begin werden we niet serieus genomen. Met name popjournalisten van de belangrijke Nederlandse kranten, van muziekblad Oor en dergelijke publicaties, schonken weinig aandacht aan ons”. En dan te bedenken dat Doe Maar, ‘naast Bots, als een eerste Nederlandstalige band sociale ontwikkelingen aan de kaak stelde’.
   Wim: “Het succes hield aan en nam on-Nederlandse proporties aan. De serieuzere pers kon niet meer om Doe Maar heen: alles voor de oplagen en de kijkcijfers nietwaar? Dus kwamen interview-verzoeken binnen van grote kranten en vroegen de publieke omroepen of ze reportages en specials mochten maken. Geleidelijk volgde erkenning van het fenomeen dat het nu eenmaal was. Het uiteenvallen van de groep, in april 1984, was voor het NOS-journaal van acht uur zelfs aanleiding om te openen met een item over een Nederlandse popband: Doe Maar stopt”.
   In de gewone media (Muziek Parade, Hitkrant, Top Pop) was het anders gegaan. Daar werd het groeiende succes en de hits gewoon van week tot week gevolgd.
   Wim van Oevelen kon niet nalaten de Pinkpop-recensie af te drukken van Elly de Waard  in de Volkskrant van 24 mei 1983: “Spreekkoren en gegil gingen aan de topact vooraf, het Nederlandse Doe Maar, in een jaar geëvolueerd van de laagste tot de hoogste plaats op Pinkpop. Iets dat bij nader inzien lijkt op een noodgreep van de organisatie om tot hogere bezoekersaantallen te komen.
   Zonder afbreuk te doen vormden zij toch in muzikaal opzicht een anti-climax en er daalde over de hoofden van de duizenden idolate jongeren rondom het podium dan ook al spoedig een regen van projectielen op de groep neer.
   Hun werk was zeker in het begin uiterst traag van tempo en droeg zelfs de sporen van het cabaret. Ze maken aanstekelijke kindermuziek en hadden, gezien de leeftijd van hun volgelingen, beter aan het begin van de dag kunnen blijven staan [zoals een jaar eerder]”.
   Van Oevelen voegde er als commentaar aan toe: “Elly de Waard is al 42 jaar oud en hoogdravend elitair, als ze dit schrijft”.
 
265 8 Wim van Oevelen en Henny Vrienten
Wim van Oevelen en Henny Vrienten (foto uit boek)
 
Met de groeiende populariteit stegen ook de inkomsten. In het begin werd er opgetreden voor 500 [‘ongeveer 220 euro’] gulden per avond. Van dat geld moesten ook nog onkosten en benzine betaald worden. “Behalve creatief plezier bleef er voor de mensen weinig over. In stijl met de filosofie van de groep speelde Doe Maar ook flink wat benefietconcerten voor goede doelen”.
   Na de eerste hits groeiden de gages flink. Maar ook de kosten stegen met sprongen. Roadies Janneman en Cees kwamen evenals Wim van Oevelen in vaste dienst. De ploeg beveiligers groeide tot vijftien jongens. Het voorpgramma moest worden betaald. Geld was er volop. “Als tourmanager kreeg ik van manager Frank van der Meijden altijd een flinke pot geld mee voor aankopen onderweg bij horeca en coffeeshops en soms een snuifje coke”.
   Hoe snel de inkomsten groeiden demonstreerde Wim aan de hand van Pinkpop: in 1982 bedroeg de gage 2.500 gulden, in 1983 125.000 gulden. “Vijfduizend procent opslag in één jaar”.
   Van de Golden Earring had Van Oevelen gehoord hoe je het betalen van belasting tot een minimum kon terugbrengen: via een belastingparadijs. “De jongens wilden daar niets van weten. ‘We zingen in het Nederlands en dan gaan we ook in Nederland belasting betalen’, was hun nobele conclusie. Dat hebben ze geweten. Ik meen dat Henny’s eerste belastingaanslag 250.000 gulden was”. Een ingehuurde accountant wist niet hoe de vork in de steek zat.
 
Doe Maar had een contract met Telstar in Weert afgesloten. De band was heel erg blij met het aanbod van Telstar om een plaat te maken. De royalty was aanvankelijk ongeveer 5 procent van de prijs in de winkel. (Henny Vrienten gaf zijn liedjes bovendien uit bij Wim Landman van Universal Songs, die hem tevens van adviezen bleef voorzien).
   “Later steeg die vergoeding dank zij vele moeizame onderhandelingen door met name Frank van der Meijden tot 25%”. Wim betwijfelde of dat wel redelijk was. Ook twijfelde hij aan het opgeven van de juiste verkoopaantallen. “Ik sluit niet uit dat Doe Maar flink genaaid is door de firma Hoes. Zeker is wel dat Telstar er meer aan heeft verdiend dan de artiesten zelf”.
   Afgeven op de platenmaatschappij die in een nog onbekende popgroep investeert was vroeger gemeengoed. Nu dat in onze tijd niet meer kan is er vooral sprake van onderlinge ruzies en binnen de families – zoals bij Jimi Hendrix, Michael Jackson, James Brown, Marvin Gaye en Prince. Inkomsten uit de verkoop kunnen trouwens gecontroleerd worden door de uitbetalingen van (Buma)-Stemra.
 
***
 
Wim van Oevelen heeft een boek boordevol met nieuwe inzichten van ‘opzij’ laten verschijnen. Het is een interessante aanvulling op hetgeen popartiesten zelf vertellen en/of (bewust) weglaten. Ik durf er evenwel niet voor in te staan dat het precies zo gegaan is als Wil Notten heeft opgetekend uit de mond van de man die als zestiger op het Spaanse eiland Ibiza woont.
 
Harry Knipschild
14 juli 2016
 
Clips