Zoeken

 
Hubert Kallen in China, 1897-1902
Een Limburgse missionaris doet verslag van zijn belevenissen
 
hoofdstuk 29
 
Een terugblik
 
FOTO Kallen
 
Op 6 september 1897 vertrok Hubert Kallen als missionaris vanuit België naar China. Hubert maakte de reis in gezelschap van vijf andere paters. Vanaf 1865 reisden er regelmatig groepjes missionarissen van Scheut om in China, later ook in de Kongo, het katholieke geloof te verbreiden. Kallen was Scheutist nummer 262.
   Toen hij begin 1902 in het hoge noorden van China aan een snel opkomende fatale ziekte bezweek was hij niet veel langer dan vier jaar actief. In dat opzicht was Kallen geen echte uitzondering. Al in 1867 verloor Alois Van Segvelt als eerste Scheutist het leven in het hoge noorden van China. In de statistieken van de Congregatie van het Onbevlekte Hart van Maria ontbreekt de rubriek ‘necrologie’ nooit. Kallen was Scheutist nummer 79 die op de dodenlijst in de voorstad van Brussel kon worden bijgeschreven.
 
29  annonce in de krant

Rouwadvertentie in de krant

 
Ziektes in den vreemde
 
 
Je zou misschien denken dat dat het vroegtijdig sterven van relatief jonge Belgen en Nederlanders vooral veroorzaakt werd door geweld. Dat was evenwel slechts gedeeltelijk het geval.
   Natuurlijk, de Bokseropstand had flink huisgehouden onder missionarissen, zendelingen, hun helpers en bekeerlingen. Maar de grote meerderheid van vroege sterfgevallen werd veroorzaakt door al dan niet besmettelijke ziektes. Europeanen kregen in verre landen te maken met een ander klimaat, onbekende ziektekiemen, gebrek aan hygiëne en nauwelijks of geen medische bijstand.
   In de eerste brieven aan zijn familie in het thuisland wond pater Kallen zich nog op over de ‘springdiertjes’ die hij overal aantrof. Na een paar jaar waren missionarissen er wellicht een beetje aan gewend. Ze schreven er in elk geval minder over.
   Als ze een levensgevaarlijke ziekte – het woord ‘(vlek)tyfus’ werd veel gebruikt – wisten te overleven (vrijwel elke pater werd er binnen een paar jaar door getroffen) leken de Europeanen bovendien enigszins immuun geworden te zijn.
   Hoe dan ook, Hubert Kallen leefde de laatste paar jaar in een oorlogssituatie. Waar hij verbleef was het soms extreem warm en extreem koud. Bovendien was er een tekort aan voedsel voor de mensen. Een besmettelijke ziekte kon zich snel uitbreiden en ook de allochtonen treffen die China waren binnengedrongen. Hubert Kallen was een van dat soort slachtoffers.
 
Eeuwig geluk na het korte leven op aarde
 
 
Ondernemende jongelui die zich geroepen voelden om als missionarissen, later ook als broeders en zusters, de wijde wereld in te trekken, beseften dat ze gevaar voor hun leven liepen. Wie aan het einde van de negentiende eeuw naar het verre oosten reisde maakte meestal een eerste stop in Parijs. In de Franse hoofdstad, waar ook de Sainte Enfance (Heilige Kindsheid) en Propagation de la Foi (Genootschap tot Voortplanting van het Geloof) gevestigd waren, logeerden ze dan bij de collega’s van de ‘Vreemde Missiën’ (Missions Etrangères de Paris). Alvorens uit Parijs te vertrekken naar Marseille aan de Middellandse Zee, waar hun schip aangemeerd lag, brachten ze een bezoek aan een museum. Daar lagen de martelwerktuigen uitgestald waar menige Franse pater mee bewerkt zou zijn, vooral in Vietnam.
   Als je afgaat op wat de jongemannen zelf op papier vastlegden werkte het mogelijke martelaarschap niet remmend. Integendeel. Naar het martelaarschap keek je uit – dat was althans het idee of werd van je verwacht. Iemand die sneuvelde door geweld stond onmiddellijk het eeuwige geluk naast de troon van God te wachten. Bovendien werd het vergoten martelaarsbloed gezien als het zaad voor nog meer activiteiten en bekeringen.
 
Het bereiken van de hemel na het korte bestaan op aarde was waar het allemaal om draaide. Het woord ‘hemel’ was een constante in de brieven die de paters schreven. Als je je opofferde kon je er met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op rekenen dat je later voor altijd goed terecht kwam.
   In de vroege zomer van 1899 liet ook Hubert Kallen zijn familie weten: “De missie-jaren tellen dubbel in het leven, maar het is te hopen dat zij ook dubbel tellen voor de hemel. Meer vraag ik niet. Ik ben hier gelukkig, omdat ik maar één wens heb: naar de hemel gaan en dan amen. Het is mij juist hetzelve of ik gezond blijf of dat ik ziek word, of ik veel moet lijden of niet, of ik lang of kort moet leven. Alles volgens de aanbeden wil van de alwijze Jezus. In de hemel is alle ellende ten einde. Hoe eerder bij God hoe liever”.
 
 
Telegram uit China
 
 
In de Maas- en Kempenbode, de regionale krant die de familie Kallen las, werd op 2 februari 1902 verslag gedaan van de dood van hun zoon. “In ’t missiehuis van Scheut kwam een telegram, enkel bevattende dat pater Kallen aan de typhuskoorts overleden was. Op zondag ’s namiddags kwam een pater van Scheut te Lanaken bij de familie om te zeggen dat God, na het offer Hem alreeds vóór vier jaren bij ’t vertrek van de dierbare zoon en broeder gebracht, thans nog een tweede offer had gevergd, namelijk het leven van de jeugdige missionaris.
   Waar hij overleden is, hoe de ziekte bij hem is opgekomen, hoelang hij geleden heeft, weten wij niet. Dit enkel weten wij dat hij, na ouders en vrienden verlaten te hebben, ook blijmoedig zijn leven ten offer bracht – dat hij stierf met het volste vertrouwen op de barmhartigheid van zijn Rechter en Zaligmaker, en dat, bij gebrek misschien aan priesters rond zijn sterfbed, de engelen zelf de wacht hielden om zijn apostolische ziel bij haar verscheiden te verwelkomen en ten hemel op te voeren”.
   De familie Kallen was dus betrekkelijk snel op de hoogte van de dood van Hubert. Daar zorgde de telegraaf voor, een uitvinding die door de Europeanen in China op steeds grotere schaal werd toegepast. Ten eigen voordeel uiteraard. Voor de gewone Chinezen was er zelfs geen postbezorging opgezet. Als je een brief schreef moest je in het algemeen zelf maar organiseren dat die bezorgd werd.
 
In hun correspondentie hielden de missionarissen van Scheut de thuisbasis op de hoogte van die ontwikkeling. Theodoor Rutjes, de eerste bisschop van Oost-Mongolië, rapporteerde op 7 april 1883 vanuit Tianjin: “De telegraaf van Europa komt tot hier. Als het niet zoveel geld kostte zou ik u vanmiddag langs die weg op de hoogte brengen van de aankomst van de nieuwe missionarissen. Dan zou u het morgen al weten”.
   Bernard van Koot suggereerde in 1891: “China is zich waarschijnlijk niet bewust van de kostelijke diensten die het Europese vernuft haar kan bewijzen”. Daarbij constateerde hij dat vanuit Peking inmiddels per telegraaf steeds meer grote steden te bereiken waren.
 
De ontwikkeling werd zeker niet door iedere Chinees als een vooruitgang gezien.
   In 1891 schreef pater De Smet bijvoorbeeld: “Een Engelse maatschappij was bezig met palen te planten van een telegraaf. Langs de draden van de telegraaf sluipen ziektes binnen. U lacht daarom? Dat is hier niet om te lachen. Moest ik u al de histories vertellen, die omtrent de telegraaf in omloop zijn, uw haren zouden te berge rijzen”. De telegraaf zou onder meer de gelukswinden tegenhouden en de lucht uitdrogen zodat de oogst mislukte.
   De missionaris ging verder. Volgens de Chinezen stond onder elke paal een Europeaan met de wapens in de vuist om iedereen onmiddellijk te doden die die telegraaf aanraakte.
   In 1894 gaf bisschop Hubert Otto weer wat veel Chinezen dachten te weten: “Van de pek waarmee men de palen bestrijkt zit het bloed van kleine kinderen. Twee Chinese kinderen zijn gedood voor elke paal”.
   Geen wonder dat de plaatselijk bevolking soms fel reageerde als die de kans kreeg, aldus Otto. “Bij onlusten heeft het volk honderden telegraafpalen omvergeworpen”. De regering in Peking, met coontracten gebonden aan het westen, moest wel ingrijpen. “De mandarijn is er met zijn soldaten op af gekomen. Aan vijf of zes weerstrevers van de telegraaf heeft hij het hoofd doen afslaan”.
   Dankzij de telegraaf was de familie Kallen snel op de hoogte van het overlijden van Hubert.
 
 
Uitleg aan de gelovigen in Nederland en België
 
 
In de katholieke pers van die tijd vond je bij het bericht over het omkomen van de missionaris geen achtergrond over het steeds verder oprukken van de westerlingen (en Japanners) in het Chinese keizerrijk.
   In de krant waren regelmatig (bewerkte) brieven van Hubert Kallen afgedrukt. Nu werd gemeld: “Onze lezers hebben steeds met de grootste belangstelling de brieven gelezen, waarin de moedige missionaris zijn reizen, bezigheden en moeilijkheden verhaalde, de toestand van zijn missie beschreef, ons zowel de blijde als de bange verwachtingen van zijn ziel mededeelde”.
   In 1901 had Kallen zelf nog een brief aan de redactie gestuurd. Daarin stelde hij: “Christus zal heersen in weerwil van al zijn vijanden. Leve onze goede Jezus en Zijn rijk op aarde”.
   Een redacteur legde uit: “In die woorden liggen vervat al zijn gedachten en gevoelens, het doel waar hij naar streefde, de vertroosting die hij zocht, de zoete verwachting welke hij voor zijn dierbare missie koesterde”.
De Annalen van Scheut (Nederlandse vestiging in Sparrendaal bij Vught) gaven op hun eigen manier uiting aan het verdriet. “Het telegram van zijn overlijden ging rond in de bevende handen van zijn familieleden. Een traan vloeide uit het oog. Het hart bloedde”.
   Maar niet helemaal terecht. “Voor het godvrezend huisgezin was het grote eer dat een van zijn zonen in de vervulling van zijn apostolisch ambt gestorven was. De familieleden waren uitgenodigd dit offer van hem en met hem te brengen. De ouders hadden hun kind aan de Heer gewijd. Zij hadden hun zoon aan de Heer geschonken. De priester die zij aan Hem offerden, droogde de tranen. Een blik omhoog naar hun dierbare in het eeuwig geluk troostte, ja verblijdde het hart”.
   Bij Scheut werd nadrukkelijk gesteld dat Hubert Kallen ‘de vrede en de goede tijding had rondgedragen’. Onverschrokken, jong en sterk, gelukkig door een altijd opgeruimd karakter en bezield met de geest van onderneming en volharding, hadden die een echte missionaris van hem gemaakt. “Zijn zielenijver, gesteund door een ware godsvrucht, maakten hem vindingrijk en onvermoeid als hij langs bergen en valleien rondtrok”.
 
Het missie-maandblad eindigde met een ‘ingezonden brief’. De niet met name genoemde auteur [!] had de familie geluk gewenst. Zij moesten zich verheugen dat zij een zoon aan de Kerk geschonken hadden. Hadden alle families maar zulk een geluk.
   Door zijn dood had Hubert zijn zending voltooid. “Nu eerst worden zijn schapen [bekeerlingen] gehard. Tussen hen zullen nieuwe herders en zaaiers verrijzen en het zaad uitstrooien dat in het bloed van hun voorgangers [paters] welig zal ontkiemen en opschieten en al zo de macht van Satan zal knakken”.
   Dat was voor iedereen duidelijk. “Hoeveel missionarissen zijn er niet, ja hoeveel gaan er niet weg omdat zij het leven, de martelingen en ontberingen van hun broeders hebben gelezen! Hoeveler hart gloeit niet bij het lezen van de folteringen en uitmoorderingen, hetzij door het zwaard, hetzij door het klimaat, dat de missionarissen uit te staan hebben en worden met brandend verlangen vervuld om ook de palm der martelaars te gaan plukken.
   Volgens de ‘ingezonden brief’, mijns inziens in eigen kring geconcipieerd, was Hubert Kallen een icoon, een martelaar, een heilige, een held geworden. “Hubert heeft zijn doel bereikt. Hij heeft zijn kroon verworven, die hem de Heer beloofd had. Hij zal nu uit de hoge hemel op zijn kudde neerzien. Als u hem later daarboven zult wedervinden, zult u hem herkennen aan de martelaarspalm, die hij zal dragen”.
 
 
Limburgse helden offeren zich op voor het goede doel
 
 
29 kalender
Kalender, uitgegeven door de krant
 
In de krant werd de dood van Kallen in een wat groter kader geplaatst. Hubert was niet de enige afgezant van zijn streek (Belgisch Limburg) die voor het goede doel gesneuveld was:
   “Op de kalender, voor 1901 door de Maas- en Kempenbode uitgegeven, stonden zeven portretten van missionarissen uit Limburg. Een hunner, de eerwaarde pater Frencken, was op reeds gevorderde leeftijd naar Indië vertrokken. De zes andere, wanneer zij in 1896, 1897, 1898 en 1899 het Belgisch vaderland verlieten, waren in de eerste bloei van hun krachten.
   Pas waren zij priester gewijd en terecht mochten wij hopen dat zij vele jaren in Congo en Mongolië zouden werkzaam wezen en vele zielen voor Christus’ Kerk winnen. Onverschrokken, jong en sterk, waren zij heen gegaan. Van die zes missionarissen zijn er op tijd van vijf jaren reeds vijf bezweken!
   De eerw. pater Jan Mallet vertrok in 1896 en werd in september 1900 in China vermoord. Hij was bijna 30 jaren. De eerw. pater Jean Roex vertrok in 1898 naar Congo en stierf er in januari 1900, in de ouderdom van 26 jaren. De eerw. paters Bongaerts en Jehoel vertrokken, de ene naar China, de andere naar Mongolië. Pater Jehoel stierf al één jaar na zijn vertrek, in de ouderdom van 28 jaren en pater Bongaerts mocht slechts twee jaren aan de bekering der Chinezen wijden, toen hem de martelkroon geschonken werd. Hij was 27 jaar en 2 maanden.
   Pater Hubert Kallen heeft van de jonge bezweken Limburgers het langst mogen arbeiden, namelijk van 1897 tot 1902.
   Een enkele blijft nog [over]: pater Scheymans van Kinroy, die in mei 1899 naar Belgisch Congo inscheepte”.
Meer dan verdriet uitte de redactie namens de achterban bewondering en eerbied. “Met bewondering beschouwen wij de portretten van die helden. Eerbiedig vouwen wij onze handen en herhalen het woord dat hun bij ’t afscheid op de lippen lag:
   ’k Wil zielen, waarvoor Jezus’ bloed
   Als prijs en losgeld werd gegeven.
   Mij treffe ginds de pijl of ’t zwaard:
   Eén ziel is meer dan ’t leven waard!
 
Fier zijn wij, Limburgers dat zoveel streekgenoten blijmoedig ontbering en dood tegemoet gingen. Fier ook, dat voortdurend nog Limburgse jongelingen zich in Scheut tot het leven van missionaris bereiden. Verlangend zien zij uit naar het ogenblik waarop zij in de plaats van hun gevallen broeders zullen treden!”
 
 
Lijkdienst
 
 
Ongetewijfeld zal er in Lanaken een speciale kerkdienst plaats gevonden hebben. De krant die daar verslag van deed is echter waarschijnlijk verloren gegaan. Maar in de krant van 2 februari 1902, die de dood van Hubert Kallen berichtte, was een verslag te lezen van de ‘lijkdienst’ van missionaris Bongaerts, die kort voor het overlijden van Kallen eveneens ‘voor het geloof in China gestorven was’.
   Scheutist Bongaerts was afkomstig uit het Limburgse Tongerloo, niet meer dan enkele tientallen kilometers van Lanaken verwijderd. De lijkdienst van Kallen zal ongetwijfeld geleken hebben op die van Bongaerts. Daarom nu een en ander over die andere lijkdienst.
   “De kerk [van Tongerloo], voor de gelegenheid gans in het zwart, was gevuld met gelovigen van alle zijden samen gestroomd om een laatste hulde te brengen aan hem, die voor God en het heil der zielen in die ver verwijderde streken, verre van al wat hem lief was, zijn leven ten beste gaf.
   Treffend mag ook de dienst geheten worden: die menigvuldige priesters, hun stemmen verenigd met die der leden van het zangerskoor, die ingetogenheid der schare, dit alles maakte een overweldigende indruk.
   Na de H. Mis beklom een kapelaan de kansel en schilderde, in een diep-gevoelde rede, het leven van de jeugdige martelaar. Op die dag heeft de eerwaarde meer dan ooit de bewondering van zijn toehoorders opgewekt. Geen oog bleef droog. Allen hingen om zo te zeggen aan de lippen van de spreker, getuige de doodse stilte die in Gods huis heerste”.
De volledige tekst van de toespraak was in de krant afgedrukt. Het noorden van China werd door de kapelaan afgetekend als ‘een streek waar de duivel vereerd wordt, waar de mensen bedolven liggen in de duisternissen van het walgelijkste heidendom, waar de zeden gedaald zijn tot de laatste graad van bedorvenheid’.
   Zo’n missionaris van Scheut trad als een redder op. “De Voorzienigheid wierp hem in die onmetelijke mestpoel als een lelie op de slijkhoop, om de goede geur van Jezus Christus te verspreiden".
   Makkelijk was dat niet. “In China zijn andere wetten, andere zeden, andere gebruiken. Het volk is boos en vals, het draagt een ingewortelde haat aan al wat christen is”.
   De Bokseropstand was dan ook makkelijk duidelijk te maken. “Het Chinese keizerrijk was in gisting. De hel spuwde haar walging tegen het christendom. Geheime secten riepen het volk bijeen en zworen dat ze het land zouden zuiveren van de westerse duivels (dit is de naam die men in China aan de Europeanen geeft)”.
   Die verderfelijke ideeën werden ten uitvoer gebracht. “Een algemene vervolging begon. De huizen brandden. De dorpen verdwenen. De christenen werden bij duizenden vermoord”.
   Na het neerslaan van de opstand was er weer hoop. “Maar er moet nog christenbloed vloeien om die dorre aarde nog meer te bevochtigen, om die barre streek nog meer te bevruchten, om die weelderige bloemen ten volle te doen kiemen”.
   Evenals Hubert Kallen had ook pater Bongaerts zijn taak volbracht door zijn dood. “Vaarwel. Rust in vrede. U hebt God gevreesd. U hebt zijn geboden onderhouden. Dit zal de oorzaak van eeuwige vreugde zijn. In de eeuwigheid zult u ondervinden wat u in het aardse leven al ondervonden hebt. Jezus laat zich nooit in edelmoedigheid overwinnen. Indien wij met hem gestorven zijn, zullen wij met hem leven. Indien wij met hem lijden zullen wij met hem verheerlijkt worden”.
   Geen oog bleef, zoals gezegd, droog bij die woorden. “Diep getroffen gingen allen huiswaarts, vast overtuigd dat de heilige martelaar voor hen genade zal verkrijgen. Misschien zal er onder de brave jongelingen nog iemand opstaan om zijn begonnen werk in China te gaan voortzetten”.
   Bij de lijkdienst van Hubert Kallen, niet veel later in dat zelfde Belgisch Limburg, zal het waarschijnlijk niet veel anders toegegaan zijn.
 
 
Hubert Kallen
 
 
Was Hubert Kallen een uitzondering?
   Mijn inziens niet. Wat hij in de brieven aan zijn familie vastlegde lees je tevens in hetgeen de andere paters schreven. Een voorbeeld daarvan vind je bijvoorbeeld in de correspondentie van Henri Bongaerts. Ook van deze Scheutist zijn heel wat brieven bewaard gebleven. Vrijwel alle paters hielden de thuisbasis regelmatig op de hoogte van hun wederwaardigheden. Hun mening staken ze zelden onder stoelen of banken. In grote trekken was die gelijk aan de woorden die Hubert aan het papier toevertrouwde.
 
 
Van toen naar nu
 
 
Het unieke van Kallen is mijns inziens dat er een grote hoeveelheid brieven bewaard gebleven is. Brieven bestemd voor leden van zijn familie. Brieven waarin Hubert vrijwel ongecontroleerd en redelijk ongecensureerd kon uiten wat hij dacht, wat hij voelde, hoe hij het missieleven in China beleefde. Heel wat vertrouwelijke correspondentie is op nadrukkelijk verzoek van missionarissen vernietigd. Veel is bovendien in latere jaren gewoon verdwenen. Die van Kallen niet. (Henri Houben is er in geslaagd ze binnen de familie te verzamelen, zodat dit boek geschreven kon worden).
   Wie heeft in onze tijd nog belangstelling voor de katholieke missie? Een eeuw geleden was het katholieke geloof een leidraad voor een groot gedeelte van de Nederlandse bevolking. Missiebladen en andere katholieke lectuur werden gretig gelezen. Op school was godsdienstles een vast onderdeel van het rooster. De mensen gingen minstens één keer in de week naar de kerk om er de mis en misschien ook wel het lof bij te wonen. Je werd geacht alleen naar de KRO te luisteren. Biechten deed je tenminste één keer per jaar. Voorafgaand aan de nachtmis op kerstavond zaten mensen soms lang in de biechtstoel en kwamen er met rood hoofd uit. Met kermis was er een processie. Als je trouwde deed je dat niet alleen voor de staat maar ook voor de kerk. Op katholieke scholen kwam met een zekere regelmaat een missionaris op bezoek om te vertellen welke mooie dingen iemand als hij meegemaakt had. Aan het einde van zijn praatje vroeg hij dan belangstellend: wie wil er later ook missionaris worden. Dan gingen er handen omhoog. Ik heb het zelf meegemaakt op de Sint Martinusschool in de Lage Barakken in Wijk-Maastricht.
   Toen ik in Utrecht (nota bene zetel van de kardinaal-aartsbisschop) ging studeren was mijn participatie in het katholieke leven snel afgelopen. Op mijn eerste Allerheiligen in de Domstad, 1 november 1962, merkte ik er niets van dat het een feestdag was. Niemand had vrij. Dat ben ik niet vergeten. Enige tijd daarna bezocht ik het lof in een kerk bij het Wilhelminapark. Er waren niet veel gelovigen aanwezig. In plaats van de katholieken te prijzen die gekomen waren voelde de geestelijke zich geroepen verwijten te maken al diegenen die hun geloofsplicht verzaakt hadden. Dat werkte niet stimulerend. Ik mag wel zeggen: integendeel.
   Steeds meer mensen gingen op zondag niet meer naar de kerk. In plaats daarvan sportten ze, bezochten een sportwedstrijd of luisterden naar popmuziek. Het lichamelijke verving het geestelijke, het leven bestemd voor de eeuwigheid. Om het in één zin te zeggen: Johan Cruijff en de Beatles waren ‘populairder’ dan jongens als Hubert Kallen of bisschop Hamer die bij de verbreiding van het geloof omgekomen waren.
  
Voor een groot deel van de Nederlandse bevolking raakte het geloof vanaf de jaren zestig steeds meer in de verdrukking. In feite werd religie stapje voor stapje uit de samenleving geëlimineerd. Het was beter om te genieten, te stappen, leuke dingen te doen, bruin worden op vakantie enzovoort.
   Missionarissen hadden hun werk vaak kunnen doen als onderdeel van de koloniale overheersing door het christelijke westen van andere delen van de wereld. In de Tweede Wereldoorlog bevochten de westerlingen elkaar in plaats van het uitoefenen van hun macht in verre landen. De ‘inboorlingen’ of ‘wilden’ zoals ze vaak getypeerd werden, grepen hun kans. Na 1945 kwam er een einde aan de ‘bezetting’ van hun streken.
Als de paters op hoge leeftijd terug kwamen in de kring die ze soms tientallen jaren eerder verlaten hadden, wisten ze niet wat ze meemaakten. Van de idealen die hen bezield hadden was helemaal niets meer over gebleven.
 
 
Andere religies
 
 
Andere religies waren in opkomst, aanvankelijk in verre landen. Het boeddhisme werd in het westen gezien als een mooi en inspirerend alternatief. Minder vredig was de opkomst van de islam, vooral tijdens de bloedige revolutie in Iran en de uitstraling daarvan in andere landen met moslims. De ideeën van imam Khomeiny en zijn volgelingen zijn sindsdien gemeengoed geworden. In Iran zelf bleken ze sterker te zijn dan die van het Sovjet-socialisme.
   V.S. Naipaul wilde begrijpen wat er omstreeks 1980 aan de hand was. Hij reisde niet alleen door Iran, maar bezocht tevens Pakistan, Indonesië en Maleisië. In Among the believers deed hij verslag.
   Het boek stond meteen op mijn verlanglijstje. Menige recensie was evenwel negatief. Naipaul zou er maar weinig van begrepen hebben. Na het intensief lezen van het boek was ik het daar helemaal niet mee eens. Helaas hebben de ontwikkelingen in de wereld me steeds meer gelijk gegeven.
   Eén van de vele believers (geen ‘beliebers’, aanhangers van Justin Bieber) met wie V.S. Naipaul uitgebreid van gedachten wisselde was ‘Shafi’, een jongeman die in het westen geleefd had en daarna naar zijn eigen land, Maleisië, was teruggekeerd. Met name over zijn verblijf in de VS verklaarde hij: “Basically, from the conversations and discussions with the people, they said that money is religion and sex is the prophet. Basically their life revolves around money and sex”. In Pakistan kwam de schrijver op een dag tot de conclusie: “Every muslim is a missionary for islam”.
 
 
Bestuderen van katholieke missie is zinvol en actueel
 
 
De veranderingen die zich vandaag de dag voltrekken in ons leven gaan zo snel dat het werkelijk onmogelijk is om ze voor een lange tijd vast te leggen. Elke dag zijn er belangrijke ontwikkelingen op technisch (digitaal) maar ook op religieus gebied. Opnieuw zijn mensen bereid hun leven te geven voor wat zij als de goede zaak beschouwen. Ook zij zijn ervan overtuigd dat ze als (islamitisch) martelaar na hun dood voor eeuwig goed terecht zullen komen. Hun idealen lijken in sommige opzichten op die van pater Hubert Kallen en andere Europeanen die nog niet zo lang geleden de wijde wereld introkken om, desnoods ten koste van hun leven, het ware geloof te verbreiden.
   Bestudering van de katholieke missie, van het leven van Hubert Kallen, heb ik daarom ervaren als zinvol. En nog meer sinds 11 september 2001. Met de aanslagen op die dag werd de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, mijns inziens, aanzienlijk minder belangrijk als basis van de huidige cultuur. De opkomst van de islam in onze samenleving is in deze eeuw tot nog toe het meest essentiële thema.
   Religie is opnieuw ‘springlevend’.
 
Harry Knipschild
15 april 2016