Zoeken


 
In zijn lange artikel over de geschiedenis van Pye Records maakte Jim Irvin duidelijk dat Pye een bijzondere platenmaatschappij was, zeker sinds de komst van Louis Benjamin aan de top. “Bij EMI en Decca werd gehandeld volgens regeltjes en procedures. Benjamin daarentegen luisterde naar wat zijn verkopers inbrachten. Ook promotie (radio) en public relations werden uitermate serieus genomen”.
   Promotieman Peter Prince: “In the morning [begin jaren zestig], when we got in, the first thing we always did was write ‘thank you’ letters to the producers who’d played our records. In those days, if you had six plugs, six plays over a week - one on ‘Juke Box Jury’ and then an ‘Easy Beat’ or a ‘Saturday Club’ and a ‘Two-Way Family Favourites’, then perhaps a play or two on Radio Luxembourg, you’d have a good shot at a hit.
   Then you had your plug list, what records were up for the week, you’d start making calls in the morning and making appointments with the people at BBC Light Entertainment.
   Then you’d have lunch, usually a business lunch with producers - DJ’s themselves weren’t that important in those days. In the afternoon you’d be going to appointments, keeping in contact with the artists and their managements”.
 

Veel nieuwe hits voor de Searchers 
 

Voor Pye stond 1963 in het teken van Frank Sinatra en Reprise Records. Maar toekomst was er voor de Searchers. Wat moest de opvolger worden van de nummer één-hit ‘Sweets for my Sweet’? Platenmaatschappij Philips wist nog ‘Sweet Nothin’s’ op de markt te brengen, een cover van de hit van zangeres Brenda Lee.
   Producer Tony Hatch vertelde dat men by Pye enigszins radeloos was na het grote succes van ‘Sweets for my Sweet’. “We used to sit around for hours, wasting valuable studio time, while we put together songs and arrangements”. De Searchers waren vooral bezig geld met optredens te verdienen. “Their schedule was very, very tight”.
 

 
Hatch schreef zelf maar een song. Het door hem gecomponeerde liedje moest hij vervolgens aan de groep zien te slijten. Helemaal eerlijk ging het er niet aan toe. John McNally: “He came in with this story about how he’d gone into this pub and a guy called Fred Nightingale was playing this song. He played it for us and we thought, Yeah, that sounds like a follow-up to ‘Sweets’, we’ll do it. We didn’t find out until a couple of years later that Tony had written it! I think he knew that if we’d known it was his song it would have been, ‘Sugar and spice and all things nice?’ Do us a favour Tony, piss off!”
   Op het label van de nieuwe single werd Fred Nightingale als componist aangegeven.
   Met ‘Sugar and Spice’ (oktober 1963, nummer 2 in de Britse hitlijsten) werd de horde van de opvolger genomen. Drie jaar lang wist de groep continu te scoren. Grote hits voor de Searchers en Pye waren ‘Needle and Pins’, ‘Don’t throw your love away’, ‘When you walk in the room’ en speciaal in Nederland ‘Take it or leave it’.
  

The Kinks

 
Pye was het beat-tijdperk dankzij de Searchers goed begonnen. Een tweede aanwinst was de Ravens. Arthur Howes zag de groep op 31 december 1963 spelen in het Lotus House-restaurant, ergens in Londen. Ray Davies en zijn jongere broer Dave schreven de songs. De impresario (van onder anderen de Beatles) wist de Ravens aan zich te binden door ze als voorprogramma van de Dave Clark Five te laten rondtrekken. Volgens Jim Irvin, auteur van het artikel over Pye Records, hadden managers Robert Wace en Grenville Collins al voor eventuele producers gezorgd: Larry Page en Shel Talmy.
   Vóór Howes aan het werk ging wilde hij eerst de naam van de groep veranderen. In een café kwam Page met het voorstel om verder te gaan als ‘The Kinks’. Zijn idee was gebaseerd op de in leer en ‘kinky boots’ geklede Cathy Gale uit de ‘Wrekers’, een tv-serie die ook in Nederland op het scherm te zien was.
 


Zo kwamen de Kinks aan hun naam

 
Ray Davies later: “I don’t think the sex thing really occurred to us. We were innocent kids. It was just a five letter word that looked good on the posters. Better than a long name at the bottom of the bill”.
   Platenmaatschappijen Decca en Philips legden geen belangstelling voor de Ravens/Kinks aan de dag. Pye wel. Dat kwam Ray Davies goed uit, “I thought Pye was cool. They had all that R&B, Chuck Berry and Bo Diddley, and they’d put out ‘Preachin' The Blues’ by Cyril Davies which I thought was the best British R&B single ever made. So I was very happy to be on Pye”.
   Wat betreft de voorwaarden van het contract hadden de Kinks weinig in te brengen. Niemand stond immers in de rij voor de nieuwe groep. Ray Davies: “It was a terrible deal. 2% in England, 1.5% everywhere else”.
   Pye stond überhaupt niet bekend om het toekennen van hoge royalties (ook niet voor de Searchers). Medewerkster Madeline Hawkyard: “Louis Benjamin didn’t believe in paying too much. He preferred to spend the money on promotion. That’s what he used to tell them: ‘Right, you don’t mean anything now, but if you’re not greedy with us now, and you let us spend the money on promotion, we’ll renegotiate later on’”. Soms werd de royalty elk jaar een half procent hoger, tot een maximum van ongever 3,5 procent.
   De Searchers en de Kinks tekenden min of meer blindelings. Wat konden ze anders doen?
 

You really got me

 
Pye Records pakte de promotie van de Kinks inderdaad stevig aan. Zozeer zelfs dat er van een hype gesproken werd. Waren de Kinks wel zo goed als de platenmaatschappij beweerde? Arthur Howes had geconstateerd hoeveel succes de Beatles tijdens hun optreden hadden met hun versie van de Little Richard-hit ‘Long Tall Sally’. Die uitvoering verscheen echter niet op single. Bovendien was er een optreden voor de Kinks geregeld in het tv-programma Ready Steady Go!
   Pye zette alles op alles. Meteen na het tekenen van het contract maakten de Kinks hun eerste opnamen. Pat Pretty (in de promotie werkzaam) zorgde voor ‘passende leren’ kleding. Pye zette op de voorpagina van New Musical Express een grote advertentie voor de nieuwste beat-aanwinst. De cover van de Beatles/Little Richard-oldie maakte echter geen indruk op het platenkopend publiek.
   Pye probeerde het nóg een keer, opnieuw met een Beatles-achtige song, ‘You still want me’, deze keer een compositie van zanger Ray Davies. Ondanks een toernee samen met de Hollies en de Dave Clark Five werden er geen resultaten geboekt. Het leek wel of Pye met het contracteren van de Kinks een stommiteit begaan had.
   Larry Page had een idee. Pye International had begin 1964 een hitje met ‘Louie Louie’ van de Amerikaanse Kingsmen. Page stelde Davies voor zélf een nummer te schrijven in de stijl van ‘Louie Louie’. Zo kwam ‘You really got me’ in de zomer van 1964 tot stand. De groep moest er wel twee keer voor de studio in. De eerste keer, in de Pye-studio, viel het resultaat tegen. Een tweede poging, in de IBC-studio, pakte beter uit. De eerder genoemde plugger Peter Prince was enthousiast. Ray Davies: “I remember going into Pye and hearing it coming out of Peter Prince’s office. He loved the bit where I shouted ‘Oh no’ before the solo. He said that would sell it on its own”.
   De Kinks hadden het imago van veelbelovende nieuwe groep inmiddels verloren. Toen ze in het voorprogramma van de Beatles in Bournemouth mochten optreden werden ze aangekondigd als ‘a new and unknown London group’. Hypen was met zo’n goeie single echter niet meer nodig. ‘You really got me’ bereikte op 11 september 1964, nauwelijks een maand na de release, de bovenste plaats van de Britse hitlijsten.
   De Kinks veroverden ook meteen het buitenland. Hun single kwam niet alleen op 23 in Nederland, maar ook op 7 in Amerika. Daar was ‘You really got me’ op Reprise Records uitgebracht. Dat gaf een band tussen de twee platenmaatschappijen. Het succes van de Searchers pakte Louis Benjamin op dezelfde manier aan. Voor de Amerikaanse markt bracht bij de groep onder bij Kapp Records, een label dat Pye voor de Engelse markt had.
 

Vrouwen bij Pye Records

 
In 1964 had Pye nog een bijzondere act onder contract. De Honeycombs hadden een jonge meid, Honey Lantree, als drummer. Dat was een nieuwe ontwikkeling. Misschien zou de groep wel nooit een plaat gemaakt hebben zonder deze gimmick. In elk geval vielen ze op dankzij Honey die in het dagelijkse leven kappersassistente was. Haar baas, Martin Murray, speelde gitaar in de Honeycombs.
   Joe Meek (1929-1967), een onafhankelijke producer, rook dat je met zo’n groep kon scoren. Niet voor niets werd de naam van de amateurgroup, Sheratons, bij het verschijnen van de eerste single omgezet in Honeycombs. Meek had een goed gevoel voor wat de Britse jeugd mooi vond. Op eigen houtje, vaak in z’n eigen studio thuis, produceerde hij eerder hits als ‘Johnny remember me’ (John Leyton), ‘Telstar’ (Tornadoes), ‘Tribute to Buddy Holly’ (Mike Berry) en ‘Just like Eddy’ (Heinz). Ook de Honeycombs maakten hun opnamen op Holloway Road 304 in Islington. Pye kocht de master.
   In het weekblad Record Mirror schreef Peter Jones: “For a year they played at a pub in London’s legendary Balls Pond Road. Then they applied to record wizard Joe Meek for an audition. They were given an appointment, played three numbers. One of them was ‘Have I The Right’ (written by the Honeycombs’ two managers who use the nom-de-hit Howard Blaikley).
   As soon as Pye decided to release the disc The Honeycombs had to turn professional. Honey explained: ‘We’d already been taking far too much time off from work. And we had to do lots of promotion and touring for the disc so we had no alternative’”.
 

 
‘Have I the right’ bereikte niet alleen de bovenste plaats van de Britse top 40. Ook Amerika hapte toe in de tijd van de British Invasion. Het nummer stootte door tot nummer 5 bij Billboard.
   Zo goed waren de Honeycombs ook weer niet. Dankzij de gimmick van de vrouwelijke drummer en het leuke liedje vestigden ze even alle aandacht op zich. Een echt sterke opvolger kwam er niet. In 1965 schreef Ray Davies ‘Something better beginning’ voor zijn label-genoten. Een paar maanden later haalden de Honeycombs met ‘That’s the way’ voor de laatste maal een hit-klassering. Bij die gelegenheid werd Honey Lantree zelfs als (mede)-zangeres geëtaleerd. Pye had zijn best gedaan.
 
Media jaren zestig wist Pye met Petula Clark opnieuw goed te scoren, vooral met ‘Downtown’. Pet was inmiddels een volwassen entertainer geworden. Ze maakte niet alleen platen voor de Britse maar ook voor de Franse, Duitse, Italiaanse en Amerikaanse markt. De ene hit volgde de andere op in de sixties. Haar grootste succes had ze in 1967. ‘This is my song’, dat ze op aandringen van de componist, voormalig filmster Charlie Chaplin, met Amerikaanse sessiemuzikanten in Los Angeles opnam, veroverde de wereld. Clark, bijgestaan door arrangeur Ernie Freeman en producer Sonny Burke, nam de song van Chaplin tegelijk in vier talen op – Engels, Duits, Frans en Italiaans.
 

Sandie Shaw (en manager Eve Taylor)

 
In het tijdperk van Dusty Springfield, Marianne Faithfull, Lulu en Cilla Black had ook Pye Records een eigen beatzangeres. Dat was Sandra Goodrich, oftewel Sandie Shaw (geb. 26 februari 1947).
   Johnny Wise, de nieuwe promotieman van Pye, kreeg opdracht om Shaw van de grond te krijgen. Wise was niet de eerste de beste. Ray Davies: “Johnny was one of the last great promo men. He was one of the breed who would hang around outside the BBC until someone listened to his record. Later on, he was the guy who got me to fly back from America and change that line in ‘Lola’ about the champagne tasting like Coca Cola to ‘cherry cola’, because he was worried that the BBC might not play it because it was advertising. It didn’t seem to occur to him that they might not play it because it was about a transvestite”.
   Sandie Shaw had een vrouw als manager: Eve Taylor. De dames konden maar moeilijk verdragen dat de eerste single, ‘As long as you’re happy’ niet onmiddellijk alle aandacht kreeg die gewenst was. Eve Taylor, eerder in de weer met Adam Faith, was woedend, hoorde Jim Irvin, de schrijver van het artikel over de geschiedenis van Pye. Zoiets moest niet nóg eens gebeuren.
   De tweede Pye-single van Sandie Shaw was een cover van ‘Always something there to remind me’, geschreven door Burt Bacharach en Hal David. In Amerika waren er hitversies van Lou Johnson en Dionne Warwick. Eve Taylor wist wat haar te doen stond toen ze het nummer tijdens een bezoek aan de VS hoorde.
   Pye-Promotieman Johnny Wise: “Sandie was in my office daily, hanging around, asking me, ‘How are we doing?’ and all that”. She was very pushy. I didn’t like the look of her, I didn't like the sound of her and I didn’t like her attitude, but I didn’t have to. All I had to care about was a 7” piece of vinyl, that’s what I was interested in. And not crossing Evie”. ‘(There’s) Always Something There To Remind Me’ bereikte de bovenste plaats van de Britse hitlijst.
   Zoals altijd was het niet eenvoudig om een tweede hit te scoren. Sandie Shaw was geen uitzondering. Haar manager was op eigen houtje al aan het werk gegaan en regelde tv-optredens. Pye had weinig in te brengen bij de twee dames. Maar promotieman Johnny Wise schrok zich rot toen hij ‘I’d be much better off without you’ hoorde. Hij vond het helemaal niks. “It was weird, a slow drag with no personality. I was horrified. So I turned it over and played the other side - a song called ‘Girl Don’t Come’, which was in a similar vein to ‘Always Something There’”.
   Wise beschouwde het als zijn plicht de directie op de hoogte te brengen. Louis Benjamin durfde echter niet in te grijpen. Hij liet zijn promotieman weten: “Between you and me, I agree with you, but there’s nothing we can do about it”.
   Wise vond Benjamin een lafaard omdat hij niet tegen Eve Taylor durfde in te gaan. “I said, ‘Well, there’s something I can do about it. That’s the A-side as far as I’m concerned, and that’s the side that I shall work with’.
   He said to me, ‘Johnny, if you want to do this, you’re on your own. If you succeed, all well and good. But if you fail, your job’s on the line - Eve’ll demand it’.
   I said, ‘I don’t give a monkey’s. I worked myself to death on the last single, and ‘Girl Don’t Come’ is the follow up’”.
   De manager van Sandie Shaw kreeg zowat een beroerte toen ze de ‘verkeerde kant’ van wat de tweede hit moest gaan worden, op de radio hoorde. “All hell broke loose. She went to Benjamin demanding to know who was responsible. He said, ‘I don’t know. Maybe the radio producers prefer it!’
   But she knew, though she couldn’t prove anything. It was very successful. . . number 3. For a follow-up to a number one debut, you can’t ask for much more. But from that day to this, Sandie Shaw wouldn’t talk to me. I saved her life! If she’d gone along with the A-side, it would have died. And she would probably have died with it: become a one-hit wonder”.
 


Sandie Shaw en Eve Taylor

 
Sandie Shaw hield het dus nog een tijd vol. Ze maakte Britse top tien-hits met ‘I’ll stop at nothing’, ‘Long live love’, ‘Message understood’, ‘Tomorrow’, ‘Monsieur Dupont’ en vooral ‘Puppet on a string’, waarmee ze, op blote voeten, haar gimmick, in 1967 Groot-Brittannië vertegenwoordigde op het Eurovisie Songfestival. En won.
   In Amerika werden de platen van Sandie Shaw op Reprise uitgebracht. Van een echte doorbraak was geen sprake. Drie keer wist Sandie in de Billboard hitlijsten door te dringen, maar nooit op een hoge positie. Met ‘Puppet on a string’ lukte het helemaal niet aan de overkant van de grote plas.
 

Een bijzondere artiest: Donovan

 
Met eigen artiesten als Sandie Shaw, Petula Clark, Searchers, Honeycombs en Kinks wist Pye Records halverwege de jaren zestig heel wat te bereiken in Groot-Brittannië. Aan deze opsomming moeten we zeker de Schotse zanger Donovan Leitch toevoegen.
   Leitch zong liedjes van de Everly Brothers en Buddy Holly – gewoon met een akoestische gitaar en af en toe een solo op mondharmonika. Tijdens een van zijn optredens in St. Albans werd hij ontdekt door Geoff Stevens (o.a. componist van ‘The Crying Game’ voor Dave Berry). Muziekuitgeverij Peer Southern in Londen stelde hem in de gelegenheid demo-opnames te maken. Voor Donovan was het een eer om juist met die uitgever samen te werken. “I was a big fan of Buddy Holly. Southern published Buddy. His picture was up on the wall, so I felt right at home there. I walked in and they said, ‘What shall we do with this young man with a guitar? Perhaps he can be a Bob Dylan for Europe’”.
   In eerste instantie zou er een cover gemaakt worden van de Amerikaanse hit ‘We’ll sing in the sunshine’ (Gale Garnett). Donovan wist echter door te drukken dat hij zijn eigen song ‘Catch the Wind’ op de band mocht zetten. Stevens bezorgde Donovan meteen een optreden in het tv-programma ‘Ready Steady Go. Dat was in februari 1965. Het ging allemaal snel, zeer snel. Donovan vatte het begin van zijn carrière in één zin samen: “Two nights on from sleeping on somebody’s floor I was on national television!”
   Voor de zanger het goed en wel in de gaten had was hij al een ster. Ready Steady Go haalde hem meteen terug in het programma. Bij die gelegenheid mocht hij ‘Catch the Wind’ vertolken. Achter de schermen was er hard en snel gewerkt. Pye wist de rechten te verwerven en bracht de demo vrijwel in de oorspronkelijke staat als single op de markt. Binnen een paar weken was ‘Catch the Wind’ op nummer 4 geklasseerd in de hitlijsten van het popblad New Musical Express.
 

 
Amerika bleef niet achter. Hickory Records, een Amerikaans label, waarvan Pye de Britse rechten had, bracht ‘Catch the Wind’ in de VS uit. Ed Sullivan, die eerder de Beatles gelanceerd had, gaf ook Donovan een kans. Een paar weken na zijn optreden in St. Albans was de Schotse artiest al present in de veelbekeken Amerikaanse show. Zo snel kon (en kan) het gaan in de muziekbusiness.
   Voor Donovan, omgedoopt tot ‘Britse Bob Dylan’, en Pye was het nog lang niet afgelopen. Niet alleen verschenen er twee albums, maar ook de single ‘Colours’ en een EP met daarop ‘Universal Soldier’.
 

Organisatorische dilemma’s

 
Pye zat een beetje anders in elkaar dan Decca en EMI. Er was weinig bureaucratie en er kon dus snel gehandeld worden. Bovendien was de platenmaatschappij onderdeel van media-concern ATV onder leiding van Lew Grade. Als gevolg van die structuur had Pye een bijzondere relatie met het commerciële tv-station.
   In het artikel van Jim Irvin verklaarde Maurice Kinn, eigenaar van New Musical Express: “Alan A Freeman [van Pye] had a regular assignment from the producers of [TV show] ‘Thank Your Lucky Stars’ to select three records each week that were played to a panel during the programme, a bit like ‘Juke Box Jury’. Alan picked the records each week and, invariably, there’d be one on Pye”.
   De speciale relatie had voor- en nadelen is te lezen. Louis Benjamin behartigde in Engeland de belangen van diverse Amerikaanse labels. Zoals gezegd was hij in de weer met Hickory Records. In de zomer had de maatschappij in Amerika een hit met ‘Bread and Butter’ van de Newbeats. Benjamin liet Freeman weten dat de groep meteen in de ATV-uitzending moest komen. In principe was dat geen probleem. Maar Alan had die week al een afspraak gemaakt voor een optreden van Big Dee Irwin, een artiest van het Amerikaanse Colpix-label dat eveneens in Engeland bij Pye zat.
   Pye kon min of meer zelf beslissen welke artiest in het belangrijke tv-programma mocht optreden. De ‘schuld’ aan een ander geven was er dus niet bij. Freeman kon niet anders dan Tito Burns, manager van Big Dee Irwin (bekend van ‘Swing on a star’) bellen en hem meedelen dat het optreden van zijn artiest geen doorgang kon vinden. Maar, volgens Jim Irvin althans, belde hij daarna met een verdraaide stem Benjamin en liet hem, als Irwin, weten hoe kwaad hij was. Een dezer dagen zou hij hem persoonlijk komen opzoeken.
   Irvin: “When Big Dee Irwin had been here a week or so Tito took him round to ATV House [waar ook Pye Records gevestigd was]. The receptionist called up, ‘Mr Benjamin, there’s a Big Dee Irwin here to see you.’ and he said ‘Tell him I’m out’ and ran out the back door!”
   De directeur van Pye Records werd opnieuw als een lafaard in het artikel neergezet.
 

Eigen ervaringen met Pye-platen

 
Eind 1965 kwam ik [HK] in dienst bij Negram-Delta. De Haarlemse platenmaatschappij, onderdeel van de activiteiten van Ger Oord, had de niet alleen de vertegenwoordiging van Pye Records, maar ook van bedrijven waar Pye internationaal mee samenwerkte: Reprise, Warner Brothers, Vogue (Frankrijk) en Kapp. Bij mijn aantreden kon ik meteen aan het werk voor Nancy Sinatra’s ‘These boots are made for walking’ op Reprise, in Engeland uitgebracht door Pye Records.
   Na een paar weken had ik te maken met een nieuwe Engelse groep. Bij Pye waren ze bedreven in het snel coveren van interessante songs, merkte ik. Op het nieuwe Beatles-album ‘Rubber Soul’, uitgebracht in december 1965, waren mooie nummers te vinden. Eén ervan was ‘Michelle’, dat door menigeen gezien werd als de opvolger van’ Yesterday’. Voorlopig was er geen sprake van dat het nummer door de Beatles als single uitgebracht werd.
   Dick James was in 1965 de uitgever van de songs van Lennon & McCartney. Hij had zich al ingespannen om zoveel mogelijk covers van ‘Yesterday’ te bewerkstelligen. In een persbericht meldde James trots dat de song maar liefst 446 keer was vastgelegd. Bij het verschijnen van ‘Rubber Soul’ ging de uitgever opnieuw de platenmarkt op. Hoe het toeging is te lezen in een boek over de geschiedenis van muziekuitgeverij Northern Records.
   Tony Hatch, producer van de Searchers en Petula Clark, mocht op het kantoor van Dick James Music komen luisteren nog vóór het album in de winkels lag: “Dick asked if I wanted to go round his office and listen to some of the songs on the new Beatles album. I don’t think he was supposed to look for cover versions of songs before The Beatles’ versions came out but, once it was released, everybody had a copy and could pick songs off the album”.
  Hatch liet James weten dat hij bereid was meteen een cover te maken. James werkt er maar al te graag aan mee. Wachten was niet nodig. “He played the songs and I picked out ‘Michelle’. Somehow he managed to get me a copy of it and I recorded it with The Overlanders”, een nog onbekende groep die bij Pye onder contract gekomen was. Het was een mooie coup voor Hatch en Pye Records. In een mum van tijd stonden de Overlanders op nummer één in de Britse charts – om daarna weinig of niets meer van zich te laten horen.
  Rond de jaarwisseling 1965-1966 werd ik als de nieuwe Negram-promotieman geconfronteerd met de versie van de Overlanders (en een van Billy Vaughn op Dot Records). Het origineel van ‘Michelle’ was alleen te koop op het album van de Beatles. Dat zat bij Bovema, direct gerund door Ger Oord, eigenaar van Negram-Delta. Oord gaf Negram-directeur Kellerman toestemming om de versie van de Overlanders (en die van Vaughn) in een rushrelease uit te brengen. Goed of niet goed, de Nederlandse deejays konden er niet om heen. Zo had de groep ook bij ons een hit, totdat de versie van de Beatles alsnog op single verscheen.
 


Hoesje van Nederlandse single, januari 1966

 
In 1966, het jaar dat ik voor Negram-Delta werkte, was Pye Records uiterst actief met eigen talent. In Haarlem ontvingen we wekelijks de nieuwe Pye-singles in zesvoud. Dat was een flinke stapel met voornamelijk onbekende artiesten en groepen. Een van die onbekende artiesten was Davy Jones, die zich onder leiding van Tony Hatch probeerde te manifesteren. Omdat Davy Jones van de Monkees zo populair was, veranderde hij zijn naam in David Bowie.
  Hoogtepunten van Pye waren de nieuwe producten van Sandie Shaw, Searchers, Petula Clark en vooral de Kinks, die dat jaar een creatief hoogtepunt beleefden met nummers als ‘Well respected man’, ‘Till the end of the day’, ‘Dedicated Follower of Fashion’, ‘Sunny Afternoon’ en ‘Dead End Street’. Regelmatig kon je een half dozijn Pye-nummers in de top 40 vinden. Pop-elpees leken voor het bedrijf in 1966 een tamelijk ondegeschikte rol te spelen.
  In de vroege zomer verscheen er een nieuw album van de Rolling Stones, ‘Aftermath’. Pye was er weer als de kippen bij om te coveren wat er te coveren viel. De nog onbekende David Garrick, uit Liverpool, werd met succes ingezet voor ‘Lady Jane’. Het leverde hem in Nederland een top tien-hit op (gevolgd door ‘Dear Mrs. Applebee’, eveneens een succes). Een andere Aftermath-song, ‘Take it or leave it’, sloeg in Nederland geweldig aan voor de Searchers.

 

 
Het effectief bedrijven van publiciteit voor Pye bestond nagenoeg alleen uit het bewerken van de Nederlandse radio – vooral Veronica. De deejays vonden een nieuwe single goed of niet. Als er voldoende airplay was zag je die kort daarna meestal terug in de top 40. Eenvoudiger kon het haast niet. De invloed van de pers (kranten, bladen) was sterk teruggelopen. Popprogramma’s op de televisie waren er nog nauwelijks en hadden weinig impact op het creëren van een hit.
  Pye-artiesten kwamen anno 1966 nauwelijks naar Nederland om een tv-optreden te doen. Ik kan me nog herinneren dat Bob Rooyens (Moef Ga Ga, Avro-tv) helemaal naar Haarlem kwam rijden om me op te peppen onze artiesten voor zijn programma aan te trekken. Soms kwamen de artiesten voor optredens deze kant uit, zoaks de Kinks, die een PvdA-feest in Utrecht mochten opvrolijken. De platenmaatschappij was er niet bij betrokken. De artiesten waren al blij als je kwam kijken en een praatje met ze maakte. Bij de komst van Donovan organiseerden we in Amsterdam een bijeenkomst voor de pers. Veel belangstelling was er niet.
 
Pye had een goede naam dank zij zijn vele hits. Nederlandse (beat)groepen, die verkondigden dat Engelse platen beter klonken dan die in eigen land waren opgenomen, trokken naar Londen om in de Pye-studio’s hun nieuwe nummers vast te leggen. Dat deden de Golden Earrings, Motions, Sandy Coast en Outsiders.
 

Freddie Lennon

 
Een bijzondere Pye-single in die tijd was ‘That’s my life’ van Freddie Lennon, de vader van de prominente Beatle. Op het album ‘Rubber Soul’ zong John Lennon ‘In my life’. Vader en zoon hadden al jaren geen contact meer. Freddie voelde zich geraakt door de song van John. Lennon senior, die altijd al muziek maakte, kwam met ‘That’s my life’. Het leek er (in de media) op alsof Freddie alsnog wilde profiteren van de populariteit van de Beatles. Brian Epstein, de machtige manager, deed er alles aan om te verhinderen dat ‘That’s my life’ op de markt verscheen. Achter de schermen liet hij Joseph Lockwood, chairman van EMI, zelfs contact opnemen met Lew Grade, de grote baas van ATV-Pye. Die liet zijn directeur, Louis Benjamin, echter niet vallen. De single kwam gewoon in de winkels, op het Piccadilly-label van Pye.
   De single van Lennon senior was geen sensatie. Ook hier liet de pers zich negatief uit. Zo schreef Hugh von Ash in Muziek Parade: “Op de laatste dag van 1965 verscheen hier een plaat, ‘That’s my life’, gezongen door Freddie Lennon, de vader van Beatle John. Freddie verwachtte dat de plaat een geweldig succes zou worden omdat de naam Lennon natuurlijk iets te betekenen heeft in de wereld van de lichte muziek. Het kwam echter heel anders uit. Brian Epstein vond het allemaal niet zo leuk en hij wist te bereiken dan een geplande tv-uitzending met Freddie Lennon niet doorging, en dat de plaat door de Engelse radiostations werd geboycot. De verhouding tussen vader en zoon is nooit erg goed geweest”.
   Op de radio werd de single, als ik me goed herinner, nauwelijks ten gehore gebracht. Maar Willem Duys had interesse, vooral omdat Freddie ook aardig Nederlands kon spreken. De kennis van onze taal had hij tijdens zijn zeereizen opgedaan. Cees de Man, producer van de Motions, Jan Cremer en Tee Set, maakte snel een ‘Hollandse’ versie van ‘That’s My Life’ en zo kwam Freddie Lennon met zijn song in ‘Voor de Vuist Weg’. Maar omdat de radio er niet op inhaakte werd de single geen succes. Daarmee was het voor Pye, zoals gebruikelijk, afgelopen. Een echte visie op langere termijn hadden de mensen van dat bedrijf anno 1966 niet, lijkt het als je er een halve eeuw later op terugkijkt. Ze wilden hits maken, veel hits, grote hits. Daar waren ze goed in.
   Eind 1966 stapte ik zelf over van Negram-Delta naar Iramac in Bussum, de ‘platenmaatschappij van Willem Duys’.
 


Freddie Lennon in Amsterdam, 18 maart 1966

 

Pye na 1966

 
Langzamerhand braken er andere tijden aan. Beatmuziek werd popmuziek. Met ‘Sergeant Pepper’ kwam er een nieuwe revolutie: albums gingen de business bepalen. Singles, waar Pye zo goed in was, werden relatief minder belangrijk. Aan de redelijk dominante positie van Pye op de Britse platenmarkt kwam, ondanks nieuwe acts als de Foundations, Status Quo en Mungo Jerry, geleidelijk aan een einde. Heel wat acts van Pye liepen weg zodra ze de kans kregen. Menige concurrent was bijvoorbeeld bereid veel hogere royalties te betalen.
   Pye had nog een probleem. Gevestigd in Londen, het centrum van de ‘British Invasion’, was de maatschappij een belangrijke speler in een internationaal netwerk. In Frankrijk (en Duitsland): Vogue, in Duitsland: Ariola, in Nederland: Negram-Delta, in Amerika: Warner Brothers-Reprise (en andere platenmaatschappijen). Van mijn directeuren, Hans Kellerman en Rob Oeges, hoorde ik regelmatig hoe er gestreefd werd naar een of andere combinatie om samen de wereld te veroveren. Het pakte anders uit. Ariola ging zelfstandig opereren in Nederland. Warner Brothers, dat eerder Reprise van Frank Sinatra had overgenomen, kocht Atlantic en Elektra en zette (onder de naam Kinney, later WEA) eveneens een eigen wereldwijde distributie op. Pye, met een ‘ouderwetse’ manier van denken, viel uit de boot. Genoeg stof om nog eens een artikel over te schrijven.
 
Harry Knipschild
21 januari 2016

Clips

* Searchers, Sugar and spice, 1963
* Cathy Gayle in de Wrekers
* Kinks, Long Tall Sally, 1964
* Newbeats, Bread and butter, 1964 
* Honeycombs, Have I the right, 1964
* Sandie Shaw, Girl don't come, 1964
* Donovan, Colours, 1965
* Freddie Lennon, That's my life (Engels gezongen), 1966
* Freddie Lennon, That's my life (Hollands gezongen), 1966
* Beatclub met o.a. Spencer Davis, Overlanders, 'These boots are made for walking' en Sandie Shaw, Bremen, 1966
* Kinks, Dead End Street, 1966
      
Literatuur
 
Alan Smith, ‘Searchers paid £40 to make LP’, New Musical Express, 12 juli 1963
Peter Jones, ‘The haphazard hit’ (van de Honeycombs), Record Mirror, 15 augustus 1964
Peter Jones, ‘The Kinks livened up the champagne circuit’, Record Mirror, 15 augustus 1964
‘WB-Reprise overseas push’, Billboard, 16 januari 1965
Alan Smith, ‘Donovan gambles on anti-war song about Vietnam’, New Musical Express’, 2 juli 1965
Keith Altham, ‘Eve Taylor, queen bee of show business’, New Musical Express, 16 juli 1965
Hugh von Ash, ‘Freddie Lennon mag niet zingen’, Muziek Parade, maart 1966
Henk Weynands, ‘Deze week nummer 1: The Kinks met ‘Dedicated follower of fashion’, Nieuwsblad voor Gorinchem en omgeving, 15 april 1966
Brian Hogg, inlay Donovan-cd ‘Troubadour’, Epic/Legacy, 1992
Jim Irvin, The Story of Pye Records, Sequel Records, 1998
Francis Rossi, Rick Parfitt, Mick Wall, The Status Quo Autobiography, Londen 2004
Hester Carvalho, ‘Joe Meek, de eerste van de grote geluidsmagiërs’, NRC, 28 november 2005
Brian Southall en Rupert Perry, Northern Songs. The true story of the Beatles song publishing empire, Londen 2007 (2006)
Frank Allen, The Searchers and me, uitgeverij Aureus, 2009
‘My secret life, Sandie Shaw, 66, singer’, Independent, 30 maart 2013