Zoeken


 
Aan het einde van de jaren vijftig begon ik me te interesseren voor ‘popmuziek’. Bij ons thuis in Maastricht hoorde je vanaf dat moment regelmatig platen van Amerikanen als Paul Anka, Connie Francis, Elvis Presley, Kalin Twins, Bill Haley, Duane Eddy, Everly Brothers, Coasters, Drifters (met Ben E. King) en Olympics. Om zo’n single te kunnen kopen moest ik van mijn zakgeld wekelijks een aantal dubbeltjes opzij zetten. Dan ging ik in Maastricht naar winkels als de Harp, Woepen of de platenbar van Vroom & Dreesmann.
   Ineens werd het tijd voor een plaat van Italiaanse komaf. De artiest was Rocco Granata, een Italiaan die in België woonde. Zijn single met de liedjes ‘Marina’ en ‘Manuela’ vond ik de beste plaat van het moment. Granata had iets in zijn zang en spel op de accordeon dat je later met het woord ‘soul’ zou kunnen omschrijven.
   Ik was zeker niet de enige die zich de single op het Delahay-label aanschafte. ‘Marina’ werd een grote hit, in Nederland en heel wat andere landen kon ik lezen in het blad Billboard dat ik wekelijks bij platenwinkel de Harp in de Spilstraat mocht ophalen. Hoe kon ik in 1959 vermoeden dat ik 56 jaar later bij diezelfde Rocco Granata in Kapellen (België) op bezoek zou gaan om met hem over zijn carrière te praten? Het was dinsdag 28 juli 2015.

Internationale hits worden in onze tijd vrijwel altijd in het Engels gezongen. In de tijd van ‘Marina’ was dat anders. Successen waren er ook in het Duits, Frans, Spaans en andere talen. Artiesten kwamen ‘overal’ vandaan. Een echte hit kon bovendien ‘uit het niets’ oprijzen. Dat was de gewoonste zaak van de wereld. Londen was nog geen ‘hub’.
   In zijn autobiografie Rocco (2009) vertelde Rocco Granata (geb. 16 augustus 1938) het verhaal van zijn leven tot dan toe. Het is een persoonlijk boek dat leest als een trein en tegelijk vol met interessante achtergronden staat. Een ghostwriter had de artiest niet nodig. Ik las zijn boek, luisterde naar Granata’s levensverhaal en stelde aanvullende vragen. Die combinatie is de basis van onderstaand artikel.
 


Omslag van het boek in 2009

 

Van Zuid-Italië naar Waterschei in Belgisch Limburg

 
Rocco werd geboren in Figline Vegliaturo bij Cosenza. Het katholieke dorpje ligt in de teen van de Italiaanse laars – in de provincie Calabrië, niet ver van Messina op Sicilië. Op processie-dagen (Santo Rocco is een van de patroonheiligen van het dorp) trok de fanfare rond. “Dan droeg ik in de hoogte de partituur van de saxofonist of van de trompettist en liep recht voor hen uit. Ik wist dat ik de bladmuziek en hun instrument zou mogen vasthouden als ze stopten om ergens een paar glazen wijn te drinken. Zo voelde ik me een beetje muzikant. Ik was bezeten van muziek”.
   Rocco hield niet alleen van muziek, op jeugdige leeftijd organiseerde hij een eigen ‘fanfare’ met jongetjes van zijn leeftijd. “Ik deelde de instrumenten uit, twee pannendeksels voor de een, rietjes met gaten voor een ander en zo verder. We repeteerden dagelijks en trokken regelmatig het dorp door. Dan gingen we van deur tot deur wat ons een goede oogst aan snoepgoed opleverde”. Granata junior kreeg zo allure. “Ik was niet alleen de chef van de fanfare maar ook leider van de kinderen van het dorp”.
 
De vader van Rocco werkte in de smederij van zijn familie. Zo kwam je niet veel verder in het leven. Elders in de wereld viel meer geld te verdienen. Je moest dan een tijdje hard ploeteren en vervolgens kwam je met een stapel lires terug in je geboortedorp.
   Met die gedachte vertrok Granata senior in een goederentrein naar België, werkte er in de mijn en woonde in een houten barak, nog uit de nazi-tijd. “Hij was van plan gauw terug te komen. Hij zou de smederij uitbreiden, mijn moeder fier maken en voor mij een accordeon kopen”. Voor de toekomst vam zijn gezin was hij bereid ‘slavenwerk’ te verrichten.
   Van terugkeren kwam het niet. In februari 1949 stuurde hij treinbiljetten naar Figline Vegliaturo.
   In Kapellen bevestigde Rocco hoe hij afscheid nam op school. In de klas zei de onderwijzer: “Kijk kinderen. Daar gaat Rocco met zijn moeder naar toe”. Rocco: “Met zijn lat op de landkaart wees mijn meester een plaats aan. Ik keek waar de lat neerkwam en las Inghilterra, Engeland.
   ‘Ga ik naar Inghilterra’, vroeg ik.
   ‘Nee het is naar Belgio. Dat is zo klein dat de lat er helemaal op ligt’”
   Rocco hoorde dat het ‘lontano, lontano’, heel ver weg was.
 


Rocco Granata (rechts) na hereniging van het gezin in België

 
Granata junior woonde lang genoeg in Italië om zijn moedertaal nooit te vergeten. In Belgisch Limburg aangekomen kwam hij in een omgeving met veel landgenoten. Zelfs de pastoor van Waterschei, Don Luciano, was een Italiaan. Zijn ouders bleven dan ook heel hun leven Italiaans praten. Rocco niet, die werd naar een Nederlandstalige school gestuurd.
   In het begin was dat moeilijk, maar het Italiaanse jongetje beschikte over prima sociale vaardigheden, die hem ook in België goed van pas kwamen. Hij deed mee met voetballen, at Belgische boterhammen en manifesteerde zich in de muziek. “Ik kwam in de klas van broeder Hendrickx. Hij speelde gitaar en omdat ik zo muzikaal was haalde ik bij hem goede punten”.
   Rocco kreeg muziekles in Genk, bij ‘meneer’ Coninx. Van het moeizaam in de mijn verdiende geld kocht Granata senior een Hohner-accordeon voor zijn zoon. “Ik deed mee aan wedstrijden die Coninx organiseerde. In Hasselt (1952) won ik meteen de hoogste prijs. Dat was mijn eerste contact met publiek en met applaus”. Rocco won met zijn accordeon ook de hoofdprijs bij een talentenjacht, georganiseerd door Radio Luxemburg. Het was een scheerapparaat. Rocco was nog zo jong dat hij in zijn boek kon schrijven: “Op de baard zou ik nog wat moeten wachten”.
 
Inspiratie kwam er uit Italië, Amerika en Nederland. In zijn geboortedorp hoorde hij ineens dat er muziek uit een radiotoestel kwam.  Toen Rocco in België kwam luisterde hij veel naar Italiaanse zenders. Het meest sensationele Italiaanse radioprogramma was gewijd aan het songfestival van San Remo. Dat was het muziekgebeuren van het jaar. “Ik luisterde vanaf het ontstaan van het festival elk jaar naar de uitzending ervan. Winnaars in het begin van de jaren vijftig waren Nilla Pizzi met ‘Vola Colomba’ (1952) en Giorgio Consoloni mert ‘Tutte le mamme’ (1954)”.
   Maar je kon in Limburg tevens de Amerikaanse legerzender goed ontvangen. “In Limburg, zowel in Nederland als in België, luisterden veel mensen naar deze zender, waarop natuurlijk de Amerikaanse muziek aan bod kwam. Deze muziek kon je [in die tijd] niet horen op de Europese zenders, die vooral staatszenders waren. Muzikanten en muziekliefhebbers raakten door deze zender vertrouwd met rock & roll en country & western. De AFN heeft de muziekscene positief beïnvloed, hoorde ik van muzikanten in de streek”.
   Een Nederlander die Granata stimuleerde was Eddy Christiani. In zijn boek Muziek in zwart-wit schreef Cor Gout al dat Christiani, vooral populair als zanger, een fantastische gitarist was. Rocco hoorde hem in België spelen. De gitarist trad er op, samen met Johnny Hoes, Johnny Jordaan en Helma & Selma. Tientallen jaren later tekende Rocco voor mij de indeling van de ronde tent met het podium, de stoeltjes en de tafeltjes.
   “Op de kermissen stonden overal ronde danstenten voor de orkesten, bijna altijd Hollandse. Eddy Christiani speelde ‘Olé Guapa’, een tango voor accordeon. Ik kende het nummer, gespeeld door het orkest van Malando, de Nederlandse componist-orkestleider en tevens accordeonspeler. Hij had zijn naam veranderd van Maasland in Malando. Ik kon het met veel moeite op mijn accordeon spelen. Maar toen ik het door Eddy Christiani zag uitvoeren op gitaar kon ik mijn ogen en oren niet geloven”.
   Ook de zangstijl van Johnny Jordaan was een bron van inspiratie voor Granata, hoorde ik in Kapellen.
 


Eddy Christiani als jonge gitarist

 

Veelbelovend talent

 
De jonge Rocco manifesteerde zich eveneens op kermissen. “In mijn korte broekje trok ik van het ene naar het andere café – overal waar het kermis was. Zo belandde ik in café Maria in Hoevezavel [bij Genk]. Daar wilden ze me eerst niet laten optreden. Maar ik drong aan: ‘Laat me hier in een hoekje zitten met mijn accordeon. Je hoeft me niet te betalen’.
   Dat kon. Ik speelde mijn hele repertoire. Alle kermisgangers gluurden door het raam, zo ook mijn ouders en hun kennissen. Ik zag de trots in de ogen van mijn vader. De café-baas ging een paar keer met zijn plateau rond en ik ontving ongeveer 300 frank. Meer dan mijn vader met een hele dag wroeten in de mijn verdiende. Dit was het echte begin”.
   Rocco moet charisma gehad hebben. Steeds meer werd hij overal gevraagd. Bovendien wilden andere jongens uit de streek graag met hem optreden. Zo ontstond het ‘Quintetto Internazionale’. Voor de tweede keer was hij leider van een ‘fanfare’.
   De jongeman was nu toe aan een betere, een ‘zwaardere’, accordeon. Met de trein ging hij helemaal naar Brussel. “Van het Zuidstation te voet en aanhoudend de weg vragend. In de etalage van de oude meneer Fiocchi zag ik een droom van een accordeon staan. Hij kostte 24.900 frank. Ik durfde niet naar binnen gaan”. Toen de Italiaanse winkelier het muziekinstrument in de armen van de jongen legde was er geen houden meer aan. “Zo mooi, met parelmoer en glinsterende stenen. Ik speelde een nummertje en zag aan zijn ogen dat het [Fiocchi] beviel”.
   Moeder Granata stak de helpende hand toe. Bij zijn tweede bezoek kon Rocco dan ook zeggen. “Mijn mama gaat de was doen voor vreemdelingen. Dan kan ik u elke maand een beetje afbetalen”.  En hij antwoordde: “Hier, neem de accordeon mee”.
   De Stradella, die Rocco mee naar huis mocht nemen, is altijd bij hem gebleven. “Ik nam er ‘Marina’ mee op. Ik verkocht hem wel eens aan een muzikant (Jacky Coppejans). Maar kort daarna kocht ik hem terug. Nu staat mijn Stradella op mijn zoldertje en mag hij rusten”.
 


Rocco Granata met zijn Stradella

 
Na zijn schooltijd werkte Rocco nog een tijdje als monteur. Maar alle kansen greep hij aan om muziek te maken en op te treden voor publiek – en applaus. Radio Limburg in Hasselt gaf hem de kans om zich live, voor de microfoon, in de ether te manifesteren. Van het een kwam het ander.
   “Ik voelde iets onbeschrijflijks toen ik in 1958 Domenico Modugno ‘Volare’ hoorde zingen. Voor mij was dat het einde. Het was een andere manier van zingen, anders dan die andere Italiaanse zangers”.
   Modugno, winnaar van het San Remo songfestival, veroverde Europa (en later Amerika) met die plaat. Rocco: “Hoe zou ik [zelf] een plaatje kunnen maken? Hoe zou ik op tv kunnen komen? Rond die periode was ook Tony Corsari op tv met de ‘Muziekkampioen’ en ‘Ontdek de Ster’. Ik schreef Italiaanse uitgevers aan wiens adres ik afgedrukt vond onderaan de bladmuziek. Later ontdekte ik dat ik niet de muziekuitgevers aangeschreven had, maar de drukkers. Ik kreeg dus nooit antwoord”.
 
Rocco begreep dat je met accordeon spelen alleen niet zo gauw verder kwam. Met zang erbij had je meer kans op succes. Er moest dus extra apparatuur komen. Voor zijn begeleiders hoefde dat niet. Het ging toch prima zo. Ze lieten hem weten: “Wij hebben geen (zang)installatie nodig. Jij wilt zingen. Dan moet jij ook maar betalen”.
   Rocco had meer ambities dan de andere leden van het kwintet, vertelde hij me. Hij investeerde in eigen apparatuur. “Ik hield nauwelijks iets over van wat ik verdiende. Het kon me niets schelen. Ik had succes en werd overal gevraagd”.
   Toch leek zijn toekomst nog even in gevaar te komen. “De Belgische staat vond het niet goed dat ik optrad. Mijn vader was als mijnwerker gekomen. Dus vonden ze dat ik ook in de mijn moest werken. Op een avond kwam de politie mijn optreden stil leggen na een klacht van een Belgische muzikant. De politie vroeg naar mijn beroepskaart, die ik niet had. Ik moest onmiddellijk stoppen met optreden. Om zo’n beroepskaart aan te vragen ging ik toen naar het gemeentehuis van Genk”.
   In Brussel moest hij voor een jury verschijnen. “De heren achter de tafel beslisten dat ze me geen beroepskaart zouden geven”. Hij was immers een vreemdeling, een ‘straniero’, bestemd voor het vuile werk onder de grond .
   Die affaire is Rocco Granata altijd bijgebleven. Italianen werden toch al gediscrimineerd in België kon hij zich anno 2015 nog goed herinneren. Als jongetje werd hij bijvoorbeeld met ‘spaghettivreter’ aangesproken. Later toen hij door ‘Marina’ beroemd geworden was, vond hij midden in een zak fanmail onverwacht zijn beroepskaart. “Ik heb die terstond kapot gescheurd en zei ‘Vafanculo!’”
   Vanwege zijn ervaringen als allochtoon heeft de artiest een natuurlijke sympathie met een volgende generatie ‘vreemdelingen’. Dat gevoel werd enkele jaren geleden nog versterkt toen hij met pech langs de weg stond en probeerde de aandacht van passerende automobilisten te trekken. “Ik hoopte dat ze mij zouden herkennen en dan zouden stoppen. De Belgen reden door. Een Marokkaan trapte op de rem en hielp mij”.
 

De geboorte van ‘Marina’

 
Rocco had nog op een andere manier te maken met de houding ten opzichte van buitenlanders. Een verplicht nummer op het repertoire was de ‘kusjes-dans’. Tijdens het spelen was er gelegenheid om aan onbekende personen van het andere geslacht een kusje uit te delen. Zo konden Italianen en andere allochtonen aansluiting vinden bij de Belgische meisjes.
   Het steeds maar uitvoeren van de ‘kusjes-dans’ riep steeds meer weerzin op bij Rocco. Het meest had hij het nog naar zijn zin tijdens een sanitaire stop van zijn muzikanten. Dan bleef hij alleen op het podium zitten, pakte zijn accordeon en begon in het Italiaans te improviseren. “Ik zong liedjes die niet bestonden. Ik speelde en zong met gevoel naar een climax toe. De mensen zaten te luisteren als bij luistermuziek en applaudisseerden oorverdovend. Ik kreeg een euforisch gevoel zoals een entertainer voelt als het podium van hem alleen is. Zo is ‘Marina’ geboren.
   Soms deed ik bij het optreden mijn ogen dicht. Als ik ze dan weer opende keek ik het publiek niet aan, maar keek ik naar de donkere ramen of de muren. Zo zag ik op een dag een reclamepaneel voor Marina-sigaretten met de afbeelding van een mooi meisje. Ik improviseerde... ‘Marina, Marina, Marina’”...
   Het publiek van het Berkenhof in Molenstede applaudisseerde wild, Rocco zou het nooit vergeten. De volgende dag was hij weer als monteur aan het werk. Maar met ‘een hoofd vol muziek’ schreef hij flarden op van de tekst, zoals die in zijn gedachten waren blijven ronddwarrelen.
 

231 5 Marina sigaretten in België

Belgische Marina sigeretten zonder inspirerende dame

 
Af en toe lukte het om voor een engagement in een betere gelegenheid geboekt te worden. Het Kelderke in Diest is hem altijd bijgebleven. Daar hoefde hij de kusjes-dans niet opnieuw ten gehore te brengen. Bovendien liet de baas hem kennis maken met andere muziek. In de jukebox hoorde hij voor het eerst Nat ‘King’ Cole (‘Quezas Quezas Quezas’, ‘Come closer to me’), Harry Belafonte (‘Banana Boat Song’) en Louis Prima (‘Buona Sera’).
   Vanzelfsprekend bleef hij ook in het ‘Italiaanse circuit’ hangen. Daar viel waarschijnlijk niet aan te ontkomen. Twee Belgisch-Italiaanse pastoors speelden elkaar het balletje toe. Don Luciano uit Waterschei stuurde hem naar zijn landgenoot in het Waalse Seraing die er een Italiaanse festival organiseerde. Voor die gelegenheid schreef Rocco ‘E Primavera’. Toen hij met enige moeite ex-aequo als winnaar werd uitgeroepen besloot hij ter plekke om opnieuw ‘Marina’ te vertolken. “Ik zei tegen mijn orkestleden: ‘Wij gaan het liedje spelen van in het Berkenhof. Ik begon ‘Marina’ te spelen, nog steeds onafgewerkt. Maar tijdens het spelen – we moesten drie bisnummers geven – wist ik het refrein te voltooien”.
   In Seraing reeds ontdekte Granata voor het eerst de kracht van het liedje. “We waren nog niet van het podium af of de muziekuitgevers, die in de jury van de Italiaanse pastoor zaten, kwamen op mij af. Of ik hen het liedje wilde verkopen. Ter plekke waren ze bereid enkele honderdduizenden franks te betalen. Ik was net twintig en duizelde van de bedragen. Maar ik heb ‘Marina’ niet verkocht. Het besef kwam boven dat het liedje ook voor mij zelf van grote waarde zijn kon”.
 
Mede als gevolg van het succes dat hij bij zijn optreden met ‘Marina’ had besloot Rocco zijn vleugels verder uit te slaan. Hij stuurde een brief naar impresario Robert Bylois, die zich steeds nadrukkelijker manifesteerde in België. Na enig aandringen beloofde deze naar een optreden te komen kijken als het Internationale Quintet in Brussel of de directe omgeving op het podium zou staan.
   Rocco liet Bylois weten dat hij geboekt was in Aarschot (De Witte Molen). Hij rekende er dan ook op, vertelde hij me op 28 juli, dat Bylois in het horeca-etablissement van de partij was. Ook die avond was een succes. Maar na afloop kwam er niemand op hem aflopen. Zelfs in 2015 kon ik de enorme teleurstelling nog uit zijn woorden opmaken.
   In zijn boek legde Granata vast: “De parking stond vol Amerikaanse sleeën van ouders die hun dochters vergezelden, Zij kwamen in wervelende en veelkleurige petticoats dansen. De mensen bleven naar voren komen. ‘Rocco, speel en zing nog eens ‘Manuela’ of ‘Anema e core’.
   Na het optreden vroeg ik Jules Nijs, schoonzoon van de eigenares in Aarschot, of er iemand naar mij had gevraagd. Ik hoor hem nog antwoorden: ‘Maar Rocco, ze vragen allemaal naar jou’”.
  

In de studio van Decca in Brussel

 
Granata raakte in gesprek met Jules Nijs. Hij vertelde hem van zijn ambities, het opnemen van een plaat en (vervolgens) optreden voor radio en televisie. Hoe teleurgesteld was hij dat iemand als Robert Bylois niet was komen opdagen en dus niet zelf ervaren had hoe goed zijn muziek in Aarschot overkwam.
   Jules Nijs was in de verste verte geen Bylois maar hij zat wel een beetje in de muziek. Rocco: “Hij kende niets van muziek, maar wou wel mijn  manager worden. Hij bezat een hele reeks jukeboxen, die hij in cafés plaatste en van plaatjes voorzag”.
   Rocco Granata, Jules Nijs en het  kwintet boekten een paar uur studio bij Decca in Brussel. Wat zou het repertoire zijn voor een mogelijke single?
   “Ik had voor ‘Manuela’ gekozen - een oud Italiaans liedje, waarvoor ik op accordeon een zeer herkenbaar intro gemaakt had. Voor de b-kant zocht ik een tijdje in de liedjes van het Italiaanse repertoire dat we brachten. Maar toen dacht ik: wat zit ik hier te zoeken? Het is maar een b-kant. Ik zet er gewoon ‘Marina’ op.
   Eddy (Achilles) Palmans zat achter de knoppen. Hij was ook artistiek directeur van Decca. Door het venstertje zag ik hem heel ongeduldig worden. De tekst van ‘Marina’ was nog niet af. Daardoor moest hij af en toe stoppen. Ik had geen tijd meer om de tekst volledig af te werken en eindigde maar met ‘oh no no non o no’. Toen alles was opgenomen zag pas een glimlach op het gezicht van Palmans. Denk vooral niet dat de opname [op twee sporen] van de twee liedjes veel tijd in beslag nam. Inclusief de vertragingen duurde die niet langer dan twee uur. De totale kosten bedroegen 1800 frank”.
 
Het was nu zaak om de single met ‘Manuela’ en ‘Marina’ uitgebracht te krijgen. Platenmaatschappij Decca, waar hij het plaatje had opgenomen, was niet geïnteresseerd. Palmans had er later spijt van, vertelde hij aan de Nederlandse muziekuitgever Joop Gerrits.
   Op de website Dureco schreef Gerrits in 2009 wat Eddy Palmans hem ooit toevertrouwd had. “Tja, Joop. Ik ben producer geweest en had te maken met al die nieuwe zogenaamde artiesten. Ze konden geen noot lezen en dan die orkestjes met hun drie akkoorden. Maar je wist het nooit. Er kwam eens een Italiaan met wat muzikanten in de studio, met een onbenullig liedje. Die heb ik onmiddellijk op straat gezet [toen hij me benaderde om de plaat bij Decca uitgebracht te krijgen]. Bij een andere platenmaatschappij werd het een wereldhit, ‘Marina’ door Rocco Granata”.
   Palmans had een ‘borreltje’ op toen hij zijn verhaal vertrouwelijk vertelde. Maar hij voegde er fluisterend alsnog aan toe dat Gerrits het niet verder moest vertellen. Het stukje werd geplaatst onder de titel ‘Het geheim van Eddy Palmans’.
   Decca was niet de enige Belgische platenmaatschappij die het liet afweten. Rocco in Kapellen: “Met een lakplaat ben ik overal geweest, bij Polydor, Philips, Vogue, Barclay, noem maar op. Een positieve reactie bleef uit”.
 


Palmans

 
‘Marina’ wordt een hit in Nederland en België

 
Omdat er geen belangstelling in België was, kwam Jules Nijs in Nederland terecht - via iemand die werkte waar hij zijn juke-boxes kocht. Hans Kellerman van Delahay Records (met een afbeelding van het Vredespaleis op het label) was bereid een helpende hand toe te steken, tegen betaling uiteraard.
   In een interview met Michel Verstegen van Warm Sounds liet Kellerman weten: “Op een gegeven moment belde een relatie van me op, Jean Nijssen uit Antwerpen: ‘Ik heb hier een bandje van Jules Nijs, een café-houder uit Aarschot, van een groepje Italiaanse jongens die bij hem in zijn zaak spelen. Of ik van dat bandje 200 singles kon laten persen’. Dat kostte zo’n twee kwartjes per single en honderd gulden voor de persmatrijzen. Ik deed er honderd piek voor mezelf boven op en klaar. Dat bandje vond ik echter wel aardig klinken en dacht: ‘Ik laat er 300 persen, dan heb ik die matrijskosten niet en geef die 100 platen aan de vertegenwoordigers mee en kijken wat het gaat worden’. De café-houder kwam zijn 200 platen ophalen en maakte geen bezwaar tegen de 100 extra exemplaren”.
   Naar eigen zeggen ging de directeur van Delahay verder toen zijn vertegenwoordigers enthousiast reageerden. In die tijd was er nog geen radio Veronica. De gewone omroepen draaiden nauwelijks actuele populaire muziek. Kellerman zocht naar een alternatief. “Ik bedacht een stunt voor de promotie. In het voetbalstadion speelde die zondag de wedstrijd Nederland-België. Een volle bak, met wel 60.000 mensen. Ik ging naar de radiokamer en gaf vijfentwintig gulden als ze die plaat vooraf wilden draaien”.
   Skip Voogd bleek bereid een stukje in Tuney Tunes te schrijven, hetgeen in die tijd van belang was. Al snel moesten er in de perserij van Phonogram vijfhonderd nieuwe exemplaren bijbesteld worden. Nu deed ook de radio mee. ‘Marina’ was op weg om een gigantische hit te worden in Nederland.
 
In België ging het moeizaam. Volgens Rocco werd de plaat voorlopig geen enkele keer op de radio gedraaid. Bovendien constateerde hij dat Kellerman enigszins slordig gewerkt had. Op het label was een ‘c’ weggelaten bij zijn naam. Op die eerste persing werd hij dus ‘Roco Granata’ genoemd.
   Dat soort dingen kwam wel meer voor bij nieuwe artiesten. Buddy Holley werd ‘per vergissing’ als ‘Holly’ geïntroduceerd en op een oude poster voor een optreden van Elvis Presley werd deze als ‘Ellis’ aangekondigd.
 


ROCO Granata, het originele label op Delahay

 
Die fout kon Granata niet veel schelen. “Ik voelde me fier mijn naam gedrukt te zien in die gouden letters. Mijn vrienden en ik gingen met de Vespa naar alle platenwinkels in Limburg om de plaatjes [proberen te] verkopen”. In zijn boek is te lezen: “Ik verkocht hier twaalf plaatjes, daar twintig en in een mum van tijd waren ze allemaal verkocht. Ik nam een risico en bestelde er 500 bij”. Was dat de nabestelling waar Hans Kellerman van opgaf?
   Tijdens mijn bezoek in Kapellen liet Rocco zich wat minder enthousiast uit. Het begin was heel erg moeilijk geweest, zei hij. Hoe kon hij van zijn voorraad zelf-gefinancierde singles af komen? De redding kwam van een platenwinkel in Winterslag. Rocco: “Ik heb Betty [Peeters] indertijd gesmeekt om 25 platen af te nemen”. U hoeft ze niet meteen te betalen. En als u ze echt niet kunt verkopen mag u ze weer teruggeven, zou hij gezegd hebben. “Kort daarna hoorde ik dat Betty me telefonisch had proberen te bereiken. Alle exemplaren waren verkocht. Er moesten zo snel mogelijk 50 nieuwe exemplaren komen”.
   Een jaar geleden schreef Xavier Lenaers een artikel waarin hij Betty Peeters (bijna 80 jaar) aan het woord liet. “Zestig jaar geleden was de Vennestraat [in Winterslag] een bruisende uitgaansbuurt voor de mijnwerkers. Betty Peeters runde er de platenwinkel Disco (toen nog ‘Huis Peeters’) en speelde een cruciale rol bij het uitbrengen van de single ‘Marina’. Op een avond eind jaren ’50 van vorige eeuw stapte een groep jongemannen de platenwinkel binnen. ‘Ze hadden een plaatje dat ze me wilden laten horen’, herinnert Betty zich nog levendig. ‘Destijds zette ik enkel de a-kant van het 45-toerenplaatje op. Dat was ‘Manuela’, een mooi en romantisch nummer. De b-kant draaide ik zelden of nooit. Ik heb het toch gedaan maar vraag me niet waarom. Ik hoorde ‘Marina’ en ik was verkocht. Ik vroeg aan de gasten van wie dat plaatje was. Een kleine maar tengere jongeman stak ietwat bedeesd z’n vinger op en zei dat hij de zanger (lees: Rocco) was. Ik kocht meteen 25 plaatjes die de volgende dag als zoete broodjes verkochten’”.
   Zo zijn er altijd verschillende interpretaties en invalshoeken.
 

Een trotse Betty Peeters en een dankbare Rocco Granata (2014)
 

De bal ging in elk geval steeds harder rollen. Granata: “Betty sprak erover met de vertegenwoordigers van de grote platenmaatschappijen toen die naar haar winkel kwamen en die vertelden het aan hun bazen in Brussel. Opeens vonden de grote bazen de weg naar de Kwikstaartstraat 6 in Waterschei. Ik kon krijgen wat ik wilde”.
   Rocco Granata besefte dat hij zich achteraf in een gelukkige positie bevond. Hij was zelf eigenaar van de master en zijn song ‘Marina’ gebleven. “Als een firma mij eerder toegezegd had om het plaatje uit te brengen en te distribueren voor een paar centen per plaat, dan had ik toegehapt. Maar dan zou ik niet alleen de opname kwijt zijn maar ook de wereldrechten op de compositie”.
   Op zijn kantoor liet Rocco Granata mij een kast zien met alle moederbanden van opnamen die hij gemaakt had, inclusief ‘Marina’. In plaats van met een grote platenmaatschappij in zee te gaan maakte hij afspraken met René van Hoogten, eigenaar van platenmaatschappij Moonglow en muziekuitgeverij Class Music.
 
Het succes in België en Nederland van ‘Marina’, de b-kant van ‘Manuela’, zou nog een vervolg krijgen...
 
Harry Knipschild
1 augustus 2015

Clips

* Calabrië
* Nilla Pizzi, Vola Colomba
* (Italiaanse) mijnwerkers staken in België, 1959
* Geschiedenis van Stradella
* Nat 'King Cole', Quizas, Quizas, Quizas
* Kalin Twins in Frankrijk, When, 1958
* Rocco Granata. Manuela, 1959
* Rocco Granata, Marina, 1959
  
Literatuur
 
Michel Terstegen, ‘Hans Kellerman’, Warm Sounds, november 2001
Cor Gout, Muziek in zwart-wit, Zaltbommel 2006
Rocco Granata, Rocco. De autobiografie, Antwerpen 2009
Joop Gerrits, ‘Het geheim van Eddy Palmans’, website Dureco, 16 januari 2009
Xavier Lenaers, ‘Betty verkocht eind jaren 50 eerste platen van ‘Marina’’,  HLN, 18 juli 2014