Zoeken

 
 
Als je de recente media leest lijkt het wel eens alsof popmuziek pas begonnen is met de komst van de Beatles in de sixties. Een nieuwe generatie realiseert zich steeds minder dat die muziek van oudere datum is. De meeste ‘pioniers’ van de rock & roll, Buddy Holly, Elvis Presley, Bill Haley, Phil Everly, Eddie Cochran, Carl Perkins, Johnny Cash, Bo Diddley, Roy Orbison, Andy Tielman, zijn ofwel verongelukt, werden vanwege allerlei ‘middelen’ niet oud of zijn inmiddels gewoon overleden, zoals alle mensen dat nu eenmaal doen. Maar enkele rockers van weleer, Chuck Berry, Fats Domino, Jerry Lee Lewis, Peter Koelewijn, Ria Valk, zijn nog onder ons. Vaak worden ze met het woord ‘legende’ aangeduid.
   Richard Penniman (geb. 5 december 1932), bekend als Little Richard, is ook nog steeds van de partij. Op YouTube zijn filmpjes te zien van een optreden anno 2013 in Las Vegas. Op recente foto’s zie je hoe hij in een rolstoel wordt voortgeduwd. Jonge springerige idolen kunnen soms oud worden. 


Little Richard, 2011

 

De geboorte van Little Richard

 
In 1984, al weer 31 jaar geleden, verscheen de geautoriseerde autobiografie van Little Richard. Aan Charles White vertelde de artiest zijn levensverhaal. De auteur van het boek The Life and Times of Litle Richard praatte bovendien met tal van mensen uit zijn onmiddellijke omgeving. Zo kwam er een interessant inkijkje tot stand.
   Richard werd geboren in Macon, Georgia. Hij was zeker niet het enige kind van Leva Mae en Bud Penniman. Zijn moeder vertelde aan White: “Ik was dertien jaar toen ik mijn echtgenoot Bud ontmoette. Dat gebeurde tijdens een religieuze bijeenkomst, een ‘holy meeting’. Hij was de zoon van een predikant en zag er goed uit. Mijn zus, die uitging met zijn neef, bracht ons bij elkaar. We hadden een jaar verkering vóór we trouwden. Ik was veertien. Bud was metselaar, hij werkte in de bouw. Later handelde Bud in moonshine [illegaal gestookte whiskey]. Hij maakte de drank niet zelf, hield zich alleen maar met de verkoop ervan bezig”.
   Weldra kwamen de kinderen. “Peggy, onze eerste dochter, werd geboren toen ik nog geen zestien was”, zei ze. Maar een jaar eerder had Leva Mae al een zoon, Charles, al op de wereld gezet. Richard was nummer drie. “We noemden hem Ricardo. Die naam kwam echter niet in de officiële papieren terecht. Ze noteerden Richard. Ik heb het maar zo gelaten. Richard was de naam van mijn vader”.
   Richard was niet het laatste kind van Leva Mae en Bud. Na hem werden in elk geval nog Marquette, Walter, Horace, Roberto, Silvia, Elaine, Gail, Peaches en Peyton geboren. Alles bij elkaar twaalf kinderen. Als je afgaat op hetgeen moeder Penniman aangaf, zijn het er nog meer geweest.
   Richard was bij zijn geboorte zeker niet ‘little’. “He was the biggest baby I ever had. ten pounds at birth. A big boy”.
   Voor Leva Mae was het ter wereld brengen van zoveel kinderen niet uitzonderlijk. Richard: “Mijn ouders waren uit grote gezinnen afkomstig. Vader had vijf broers en vier zussen. Mijn moeder was de jongste dochter van acht kinderen”.
 


Bud Penniman

 

Geen arme familie  
 

Popartiesten hoor je nog wel eens melding maken van armoede thuis. Bij Little Richard was dat niet het geval. “We waren geen arm gezin maar ook geen rijk gezin. Mijn vader zorgde goed voor ons en we hadden alles wat normale kinderen hebben, zoals een fiets. We hoefden niet te bedelen. In nette kleding gingen we naar school. Ons huis was schoon en met Kerstmis hadden we alles.
   Mijn vader was zijn tijd nog wel eens vooruit. Waar we woonden had iedereen gas-lampen. Wij niet. Wij hadden elektrisch licht”.
   Leva Mae was onder haar stand getrouwd bleek uit de woorden van Richard. “Mijn moeder kwam uit een rijke en goed-opgeleide familie. Ze hadden een lichte huidskleur. Ik denk dat ze indiaans bloed hadden. Mijn opa van moeders kant was echt licht van huid.
   Toen ik de eerste keer bij hen thuis kwam wist ik niet wat ik zag. Iedereen had een oven die met hout gestookt werd. Hij had een elektrische oven. Ze hadden er een echt ligbad met een kraan waar het water uitkwam. Wij moesten nog in een kleine badkuip. Oma en opa hadden twee huiskamers, met glazen deuren. Dat was het huis waar mijn moeder in opgegroeid was. Ik ging graag naar de familie van mijn moeder, al was het alleen maar om er rond te kijken. Everything was so cool”.
 

Afwijkingen

 
Richard had een geboorte-afwijking. Zijn rechterbeen was korter dan zijn linkerbeen. Toen hij leerde lopen draaide hij daarom met zijn heupen. Vanzelfsprekend werd hij er mee gepest. “De kinderen realiseerden zich niet dat ik kreupel was. Ze dachten dat ik met opzet draaide en op een verwijfde manier liep. Maar ik moest korte stapjes nemen omdat ik aan één kant maar een klein beentje had. Ik maakte rare, ongelijke stappen, afwisselend korte en lange”. Dat viel op. “The kids would call me faggot, sissy, freak, punk”.
   Richard herinnerde zich dat hij, waarschijnlijk al eerder, ook opmerkingen te horen kreeg. “Op een keer vroeg mijn broertje Peyton: ‘Richard, hoe kom je aan dat rare lijf?’
   Ik zei tegen mijn moeder: ‘Hoe komt het dat een van mijn benen korter is dan het andere?’
   Ze antwoordde: ‘Shut up, jongen. De borden moeten worden afgewassen. Maak je geen zorgen’.
   Maar ik wilde er met iemand over praten. Ik wilde een of andere uitleg. Ik had dit grote hoofd en kleine lichaam. Ook had ik een groot oog en een klein oog”.
 

Een bijzonder kind

 
Richard viel naar eigen zeggen niet alleen op door zijn afwijkende lichaamsbouw. Hij had ook aparte manieren. “Als iemand jarig was gaf ik die een stuk steen cadeau.
   Een andere keer deed ik mijn ontlasting in een schoenendoos en pakte het mooi in. Ik presenteerde die aan een oude dame. Ik ging naar haar toe op haar verjaardag en zei: ‘Miz Ola, I’ve just come to wish you a happy birthday, and I’ve brought you a present’.
   Dankbaar nam ze de schoenendoos van me aan. Ik vertrok en wachtte om de hoek van het huis op haar reactie. Ik hoopte dat ze de doos zou openmaken in het gezelschap van andere dames en dat deed ze. Ze wilde hen laten zien wat ik haar gebracht had. Toen hoorde ik iemand zeggen: ‘I’m gonna kill him, I’m gonna kill him!’ Ze was kreupel maar sprong van de veranda af en liep nu zonder stok. Ik lachte me rot”.
   Dezelfde truc haalde Richard ook in eigen huis. “Ik deed het nu in een jampot en stopte die in de kast bij de andere jampotten. Zodra mijn moeder het in de gaten had schreeuwde ze: ‘Richard!’ Ze wist meteen dat ik het gedaan had”.
   Samen met zijn nicht Bertha May haalde hij nog meer practical jokes uit. Het tweetal sloot een winkelier op in zijn eigen winkel door het hangslot van buiten te sluiten. Toen ze de auto van vader Bud (een T-Ford) onbeheerd boven op een heuvel zagen staan, gaven ze die een zetje en sprongen er in. “We wilden er in rijden maar hij ging zo snel dat we er weer uitsprongen en hem van de heuvel lieten afrollen”.
   Richard besefte ook zelf, vertelde hij later, dat hij enigszins gestoord was. “Als er dames op visite kwamen, klaagde mijn moeder: ‘Ik weet niet waarom hij zulke dingen doet. Het moet de duivel zijn’. Eén van de vrouwen sprak een vloek over me uit. Ik zou niet ouder dan 21 jaar worden. Ik geloofde haar. Dat maakte me alleen maar wilder”.
   Leva Mae bevestigde hoe ondeugend Richard was. “He was very mischievous, always getting up to tricks”. Af en toe kreeg hij een flink pak op zijn donder. Maar als Richard een afstraffing had moeten krijgen voor al zijn ‘mischievous things’ was het slecht met hem afgelopen. “He wouldn’t be here now”, vertelde ze White, “because he did something nearly all the time!”
 


Moeder Leva Mae Penniman

In één opzicht was Richard op zijn hoede. Het gezin woonde dicht bij de grens met het blanke deel van Macon. Met de blanken kon je niet sollen. Op de ene fontein bijvoorbeeld las je ‘white’, op de andere ‘colored’. Het jongetje wist goed uit welke fontein hij drinken moest. Al was die oud en verroest. “Je kende je plaats. Je ouders wilden geen moeilijkheden”.
   Bij het huis van de Pennimans was een speelplek met een zelf-gemaakte glijbaan en draaimolen. “De blanke kinderen kwamen bij ons spelen omdat we altijd plezier hadden. Maar wij gingen zelf niet naar de andere kant. You couldn’t go over that side and play with them”.
 

Meisjesgedrag

 
Richard liep al heel jong als een meisje, hoorde hij van zijn omgeving. Maar het ging verder. Zijn moeder, niet zijn vader, was zijn voorbeeld in het leven. “Ik wilde zijn zoals zij was. Ze was mijn idool. Ik vond het geweldig als ze poeder op haar gezicht deed. Ik keek hoe ze het deed. Even later sloop ik haar slaapkamer in. Daar zat ik dan, deed haar spul op mijn gezicht en besproeide me zelf met rozewater”.
   Richard imiteerde bovendien de manier waarop haar moeder sprak. “Ze zei vaak: ‘Ooh. It’s so hot’. Dan ging ik naar buiten en aan mijn vriendjes liet ik weten: ‘Ooh. It’s so hot’. Ik oefende hoe zij articuleerde. Ik voelde dat ik liever een meisje dan een jongen wilde zijn”.
   Op school trok hij zoveel mogelijk op met meisjes. “De jongens wilden steeds met me vechten omdat ik er niet bij hoorde. Als ik met de meisjes speelde wilde ik mamma zijn. Dan zeiden ze: ‘Richard, gisteren was je al mamma’. Maar dat kon me niet schelen. I felt like a girl”.
   Op jeugdige leeftijd werd hij verliefd op een andere jongen. “Ik wist heel goed dat ik anders was dan dan de andere jongens. Sommigen van hen hadden een intieme vriendschap met een jongen. Bij mij ging het verder. Ik hield van een jongen zoals een meisje van haar verloofde houdt, of zoals een man van een vrouw houdt. Mijn affectie was onnatuurlijk. Ik realiseerde me dat toen evenwel niet”.
   Sommige oudere mannen vielen ook op hem.
 

Religieuze muziek

 
Volgens Charles, zijn oudste broer, was Richard als jongetje altijd aan het zingen. Mooi was het echter niet. “Ik was van mening dat hij helemaal niet zingen kon. Het was meer lawaai maken. De mensen in de buurt werden er soms boos om. Dan schreeuwden ze: ‘Hou nog toch eens je mond’. Het bracht hem alleen maar aan het lachen”.
   Richard bevestigde wat Charles Penniman zich van vroeger herinnerde. “Als jongetje was ik altijd aan het zingen. Ik klopte op de trappen vóór ons huis en zong erbij. Ma Sweety leerde ons gospel songs. Die zongen we dan met een klein groepje onder wie mijn broers Marquette en Walter. Met dat koortje, de Tiny Tots, traden we wel eens op bij gebedsdiensten. Oom Willard reed ons dan rond in de T-Ford van mijn vader. Mijn favoriete liedjes in die tijd waren ‘Precious Lord’ en ‘Peace in the Valley’.
   Zelfs onder het zingen hield hij mensen voor de gek. “Een lerares had een moedervlek in haar nek die op een braam leek. Haar stem trilde helemaal als ze ons liedjes leerde. Ik deed haar na en liet mijn stem trillen zoals dat bij haar het geval was. Iedereen moest lachen. Toen ze op me af kwam liet ik me lachend op de vloer vallen en maakte een opmerking over haar ‘braam’. Ze vond het zo erg dat ze thuis bij mijn ouders erover kwam klagen”.
 
In het liedje ‘Hilversum III’ (met een tekst van Willem Wilmink) gaf Herman van Veen in 1984 aan hoe de mensen vroeger overal zelf zongen in plaats van muziek passief te consumeren. Zo was het ook in de zwarte buurt van Macon, Georgia, toen Richard er opgroeide. “Altijd hoorde je mensen zingen. Bijvoorbeeld als vrouwen de was deden of hun straatje schoon veegden. Iemand begon met ‘Nobody knows the trouble I’ve seen’. Eén voor één begonnen de andere vrouwen mee te zingen. Bij ‘Sometimes I feel like a motherless child’ deden ze dan allemaal meteen mee. Als iedereen aan het zingen was liep ik op en neer door de straat en zong zo hard als ik maar kon.
   Er werd niet alleen gezongen maar ook gitaar gespeeld. Iedereen was arm. Door religieuze muziek te maken was er bovendien een connectie met God. Zo werden de dagelijkse problemen een stukje minder”.
   De familie Penniman bleef niet achter. “We hadden een groep die zich de Penniman Singers noemde. De hele familie was van de partij. We trokken rond en zongen in alle kerken. We deden ook mee aan wedstrijden met andere familie-groepen zoals de Brown Singers. Dat noemden ze de ‘Battle of the Gospels’”.
   Richard deed zijn best om zo hard en zo hoog mogelijk te zingen. Dat werd niet altijd op prijs gesteld. In die tijd wist hij ook wat hij later wilde worden: predikant. “I wanted to be like Brother Joe May, the singing evangelist, who they called the Thunderbolt of the West”. Predikant zijn zat sowieso in de familie. Vooral de Pentecostal Church sprak hem aan - vanwege de muziek en de heilige dansen.
 

Sister Rosetta Tharpe

 


Sister Rosetta met het orkest van Lucky Millinder

Richard kwam tevens in aanraking met wereldse muziek, die nog wel eens muziek van de duivel genoemd werd in die tijd. Om wat geld te verdienen had hij een baantje in het City Auditorium van zijn woonplaats Macon. Tijdens shows van optredende artiesten verkocht hij cola.
   “Dat was geweldig”, vertelde hij later. “Ik hoorde de beste artiesten en orkesten die rondrokken. Mensen als Cab Calloway, Hot Lips Page, Cootie Williams en Lucky Millinder”.
   Sister Rosetta Tharpe, die zowel geestelijke als wereldse muziek in haar muzikale loopbaan bracht, was zijn favoriet. “Toen Sister Rosetta naar het auditorium kwam hing ik rond bij het theater tijdens het uitladen en opstellen van de geluidsapparatuur. Ik zag haar binnen komen en begon een van haar liedjes te zingen. Op dat moment [1945] had ze een hit op Decca met ‘Strange things happening every day”. Ze reisde meestal rond met Lucky Millinder en zijn orkest en zong niet alleen, maar speelde tevens gitaar. Ik zong nóg een van haar songs: ‘Two little fish and five loaves of bread’”.
   Blijkbaar kende het 13-jarige jongetje ook andere muziek dan gospels.
   Richard: “Ze kwam naar me toe en praatte met me. Sister Rosetta vroeg of ik die avond misschien de bühne op wilde komen en samen met haar iets wilde zingen. Tijdens haar show, waar iedereen bij was, nodigde ze me uit om te komen zingen. Iedereen juichte en klapte. Zo iets moois had ik nog nooit meegemaakt.
   Na de show overhandigde Rosetta Tharpe me een handvol geld, vijf en dertig of veertig dollar. In heel mijn leven had ik nog nooit zoveel geld in bezit gehad”.
   Blijkbaar werd Richard werd vaker op het podium uitgenodigd. Dat leverde hem soms meer op dan zijn baantje als cola-verkoper. Gospelzangeres Marion Williams drukte hem een onvoorstelbaar aantal dollars in de handen. Wie weet kreeg de jongeman bij dat soort ‘fooien’ wel in de gaten hoe lucratief het leven van een artiest kon zijn. Hij leerde trouwens ook saxofoon spelen. Volgens zijn moeder was hij er best goed in.
    

Jonge artiest

 
Vanwege zijn afwijkend gedrag kwam er volgens White voorlopig weinig van hem terecht. Op school kon hij in elk geval niet meekomen. Zonder iemand te waarschuwen ging hij op stap met rondtrekkende artiesten en verkopers van zogenaamde geneesmiddelen. Bij Dr. Hudson’s Medicine Show zong hij ‘Caldonia’. “Dat liedje was bekend van Louis Jordan en zijn Tympany Five. Bij het orkest van B. Brown, dat voor blanken optrad, bracht hij rustig repertoire als ‘Goodnight Irene’ (een hit van de Weavers, met Pete Seeger) en ‘Mona Lisa’ (Nat ‘King’ Cole). Aan de titels van de door Richard genoemde songs kun je afleiden dat Richard intussen een jaar of zeventien geweest moet zijn.
   Het orkest van B. Brown trad in die tijd (1950?) ook in Macon op. Leden van het gezin gingen natuurlijk kijken hoe Richard het er van af bracht. Zijn oudere zus Peggie deed later verslag: “Het was de meest opwindende gebeurtenis die de familie ooit overkomen was. Op een grote auto was een poster geplakt met daarop de naam ‘Little Richard’ in grote letters. Voor ons was het de eerste keer dat hij Little Richard genoemd werd.
   Mijn broer droeg zijn haar hoog opgestoken in pompadour-stijl. Zoiets had hij thuis al gewild. Maar dat mocht niet van vader. Nu vond hij het goed – het hoorde blijkbaar bij de opmaak van een artiest. Vader en moeder hadden intussen zijn nieuwe bestaan geaccepteerd. Moeder was er niet blij mee omdat hij nog zo jong was. Tijdens een discussie thuis zei vader: ‘Hij wil niet naar school en hij kan zingen. Dat is ook wat hij wil doen. Laat hem gaan. Hij heeft mijn telefoon-nummer. Als er iets gebeurt kan hij altijd bellen en dan halen we hem meteen op. Laat hem maar gaan’”.
 
Richard veranderde nog wel eens van gezelschap. Wellicht had dat mede te maken met sexuele avontuurtjes. Na de Dr. Hudson’s Medicine Show en het orkest van B. Brown kwam hij terecht in een showprogramma dat rondtrok als ‘Sugarfoot Sam from Alabam’.
   Richard: “Voor het eerst trad ik op in een jurk. Een van de meisjes was die avond niet op komen dagen. Ze stopten mij in een avondjurk en noemden me prinses Lavonne. Ik wist niet hoe ik op hoge hakken moest lopen. Daarom zetten ze me voor een microfoon en daar wachtte ik totdat de gordijnen open gingen. Daar stond ik dan met die rode jurk aan. Toen ik klaar was met mijn liedje ging het gordijn weer dicht zodat ik niet hoefde te lopen”.
   Het optreden was een groot succes. Steeds weer opnieuw ging hij in travestie het podium op. En steeds meer wilden de gezelschappen voor zijn optreden betalen. Richard had zijn eerste doorbraak met optredens op plaatsen waar homo’s hun vertier zochten. “We speelden elke donderdag in Birmingham, Alabama. De mensen kwamen om de travestie. Ik ging met makeup het podium op en zong een paar liedjes. Iedereen schreeuwde. Ik dacht dat ik beroemd was”.
 

Billy Wright

 


Billy Wright, 1955

Met de Broadway Follies uit Georgia kwam Richard in Atlanta terecht. Dat was volgens Charles White een belangrijk centrum voor gospel en rhythm & blues-muziek. Chuck Willis, Tommy Brown, Zilla Mayes, Helen Thompson en het orkest van Austell Williams deden allemaal mee in de Broadway Follies.
   Richard: “In Atlanta zong ik in het Bailey’s 81-theater. Ik trad er samen met onder anderen B.B. King en Jimmy Witherspoon op. In het theater leerde ik Billy Wright [1932-1991] kennen, een entertainer met zeer kleurige en opvallende kleding en zijn haar in krullen. Hij was de meest fantastische entertainer die ik ooit gezien had. Zijn manier van zingen beïnvloedde iedereen in Atlanta en omgeving, mensen als Tommy Brown en Clyde Lyn. En door naar die twee te luisteren ontwikkelde Johnnie Ray zijn ‘Cry’-stijl”.
   “Billy Wright”, wist Richard, ‘had vier top tien rhythm & blues hits in de jaren 1949-1951. Hij was toen een van de beste verkopende artiesten, maar is nooit door het grote publiek ontdekt. Ze noemden hem de ‘Prince of the Blues’. Hij was een geweldige blues-zanger. Hij maakte platen voor Savoy Records in New Jersey. Hij had een song, getiteld ‘Keep your hand on your heart and your mind on me’, en een andere zelf-geschreven song ‘Stacked Deck’, over een spel kaarten. Zijn eerste grote hit heette ‘Blues for my baby’. Hij was een fantastische entertainer. Een fantastische entertainer. Zijn make up, Pancake 31, was heel bijzonder. Ik ontdekte wat het was en begon die zelf te gebruiken”.
   Toen ik [HK] de autobiografie van Little Richard een aantal jaren geleden voor het eerst las was Billy Wright ook voor mij een onbekende artiest. Maar dankzij YouTube kun je zijn muziek anno 2015 gewoon horen. Op foto’s valt bovendien op hoeveel Billy Wright en een latere Little Richard op elkaar leken. Ook Wright had zijn haar in de pompadour-stijl.
 

Esquerita

Esquerita

Steven Reeder (1935-1986) was een andere man met zijn haar in de hoog opgestoken stijl van Richard en Billy. Hij werd bekend onder de naam Esquerita (SQ Rita). “In 1951 leerde ik piano spelen bij Luke Gonder thuis. Ik ontmoette er die ‘gay guy, a piano player’. Hij begeleidde Sister Rosa, die gezegend brood verkocht. Ze zei dat het gezegend was, maar het was niet anders dan gewoon oud brood dat je in de winkel kocht. Esquerita speelde piano. Een klein jongetje, Shorty, zong. Esquerita en ik gingen naar mijn huis. Hij nam plaats achter de piano en speelde ‘One Mint Julep’ met veel hoge noten. Het klonk zo aardig. Zijn handen waren twee keer zo groot als mijn twee handen samen. Daardoor kon hij de lage noten ook makkelijk meepakken.
   Hij zei: ‘Ik zal je leren hoe je piano moet spelen’. Ik heb ontzettend veel geleerd.”.
   In 1984 vertelde Penniman dat Esquerita waarschijnlijk hevig verliefd op hem geweest was. Maar ook in die tijd, twee jaar voor zijn vroege dood als gevolg van aids was hij volgens Richard een van de allerbeste pianisten. “Inclusief Jerry Lee Lewis en Stevie Wonder".
 

Contract met platenmaatschappij RCA

 
Billy Wright bracht Little Richard in contact met Zenas Sears, een blanke diskjockey die in Atlanta zwarte muziek in zijn programma’s draaide. Zears maakte zich in 1960 onsterfelijk door een concert van Ray Charles vast te leggen, dat bij Atlantic verscheen als ‘Ray Charles in Person’.
   Negen jaar eerder, in 1951, gebruikte de discjockey van radio WGST zijn invloed in de muziekwereld door Richard Penniman met succes aan te bevelen bij RCA Records. Sears zat zelf achter de knoppen van de radio-studio toen Richard, achttien jaar oud, er zijn eerste opnamen maakte. Hij werd begeleid door de muzikanten die ook altijd voor Billy Wright in de weer waren. Charles White legde uit dat niet alleen RCA maar ook andere platenmaatschappijen R&B-opnamen door de invloedrijke Sears lieten maken. Dan wisten ze zeker dat de platenaankondiger die daarna in zijn programma’s zou promoten. Een bekend verschijnsel van alle tijden. De carrières van discjockeys, producers en artiesten zijn vaak met elkaar verbonden.
   Op lokaal niveau, in Macon, Georgia, was het Bud Penniman die aan de bel trok voor zijn zoon. In elk geval zorgde deze ervoor dat ‘Every Hour’ in de jukeboxen terecht kwam. Zo nodig gooide Bud zelf muntjes in het apparaat om iedereen te laten horen hoe goed zijn zoon was.
   ‘Every Hour’ kreeg bovendien aandacht van sommige radiostations. Toen Richard zijn eigen opname voor het eerst hoorde, thuis in Macon, was hij er helemaal het onderste boven van. “When it came on, I jumped up and started screaming and running through the house and shouting: ‘That’s my record, my record, my record. That’s my record!’”. Het was laat in de avond. Menig lid van het gezin lag al te bed. Richard maakte iedereen in huis wakker.


‘Every Hour’ was gedraaid op radiostation WLAC, helemaal  in Nashville. De zender die een groot bereik had, kreeg bekendheid door ‘Randy’s Record Shop’, een programma met zwarte muziek. Randy was Randy Wood, die door middel van een postorderbedrijf de platen verkocht die op de zender onder de aandacht gebracht werden. Met het verdiende geld begon Wood een eigen platenmaatschappij, Dot Records. Een van zijn specialiteiten was het coveren door blanken van (mogelijk) zwarte hits. Zijn ster was Pat Boone. Die maakte in 1956 zo snel mogelijk een blanke versie van de liedjes ‘Tutti Frutti’ ‘Long Tall Sally’, die Little Richard opgenomen had.
   Maar zover was het nog lang niet. Richard stond anno 1951 onder contract bij RCA Records en hij was meer dan blij dat hij in ‘Randy’s Record Shop’ onder de aandacht van het platen kopend publiek gebracht werd. Op latere leeftijd vertelde hij nog wel eens dat hij Elvis Presley vóór geweest. Niet Elvis maar hij, Little Richard, zei hij, was de eerste rock & roll-zanger, die RCA onder contract genomen had. Penniman junior verzweeg dan dat zijn plaat ‘Every Hour’ niet voor een succes zorgde. Bij Presley in 1956 was dat anders. Diens eerste RCA-single, ‘Heartbreak Hotel’, was een sensatie bij de toenmalige Amerikaanse jeugd. Na korte tijd bewerkte ‘Heartbreak Hotel’ de echte doorbraak van de zanger uit Memphis. Het tijdperk van de rock-muziek was aangebroken, tot groot verdriet van een eerdere generatie.
  

***

 
 Little Richard vóór zijn doorbraak met 'Tutti Frutti'.

Als je Little Richard, nu 82, ziet optreden in recente filmpjes op YouTube kun je er zeker van zijn dat hij zijn eerste repertoire niet meer ten gehore zal brengen. Zoals gebruikelijk komt het publiek om de bekende liedjes te horen. Richard moest nog vijf jaar voortmodderen, bij RCA en Peacock Records, voor hij in New Orleans onder leiding van Bumps Blackwell (1918-1985) zijn grote hits maakte. Dat is al zo lang geleden dat de hedendaagse generatie er nauwelijks meer belangstelling voor heeft.
   Op de Nederlandse versie van Wikipedia wordt de carrière van Little Richard in slechts enkele regels afgehandeld. “Richard is het derde kind uit een gezin van zestien, en doet in zijn jeugd muzikale ervaring op als pianist in de kerk. Na in 1951 op een talentenjacht ontdekt te zijn maakt hij enige plaatjes, die echter niet aanslaan. Als in 1955 de rock-’n-roll-rage op gang komt breekt hij door met nummers als 'Tutti Frutti', ‘Long Tall Sally’, ‘Lucille’ en ‘Good Golly Miss Molly’, die allemaal de status van gouden plaat behalen. Hij drukt een eigen stempel op de rock-’n’-roll, door zijn opzwepende en elektriserende wijze van zingen. Na zijn successen trekt hij zich in 1957 terug”.
   Meer zit er momenteel niet in voor de oude rocker. De tijden zijn veranderd.
 
Harry Knipschild
12 februari 2015

Clips

* Sister Rosetta Tharpe, Lucky Millinder, Four or five times, 1941
* Cab Calloway, Foo a little ballyhoo
* Pearl Bailey & Hot Lips Page, Hucklebuck, 1949
* Billy Wright, Blues for my baby, 1949
* Little Richard, Every Hour, RCA, 1951
* Esquerita, Hey Miss Lucy
* Little Richard, Peace in the valley
* Interview Jools Holland, Little Richard, Charles White, over boek, 1985
* Radio WLAC
* Film over het leven van Little Richard (fictie), 2000
* Little Richard, Tutti Frutti, Las Vegas, 2013   
* Little Richard, Good Golly Miss Molly, Las Vegas, 2013

Literatuur
Charles White, The Life and Times of Little Richard. The autorised biography, Londen 2003 (1994)