Zoeken

 
Het duurt meestal een hele tijd voor je een verhaal met enige diepgang over een fenomeen kunt schrijven. Pas na veel jaren doen de betrokkenen hun mond open en worden de archieven min of meer openbaar. Zo is het ook in de (geschiedenis van de) popmuziek. Hoe weinig wisten we bijvoorbeeld van Elvis Presley vóór zijn dood in 1977. Dat hij een manager had die in de Nederlandse stad Breda geboren was hoorde je pas veel later. Voor artiesten is het voor hun loopbaan sowieso van belang dat ze het juiste imago uitdragen en niet alles vertellen. Het is goed dat pop-journalisten van de gelegenheid gebruik maken om indringende vragen te stellen. Voor een historicus is het van belang de antwoorden (en ook de vragen zelf) achteraf in de juiste context te plaatsen.
   Het zal nog wel een hele tijd duren voor je goed weet wat er echt is gebeurd en gebeurt in het leven van hedendaagse popsterren als Miley Cyrus, Madonna, Taylor Swift, Beyoncé, Justin Bieber, Adele, Ed Sheeran, Katy Perry en hun belangenbehartigers. Een autobiografie schrijf je meestal pas op gevorderde leeftijd.    
   Artiesten als Buddy Holly, Brian Jones, Jimi Hendrix, Janis Joplin, Jim Morrison, Jim Reeves, Otis Redding en Amy Winehouse hebben vanwege hun voortijdige dood geen memoires geschreven. Anderen doen dat wel, al dan niet met behulp van een ghostwriter. Een recent voorbeeld is de autobiografie van Graham Nash, vooral bekend van de Hollies en Crosby, Stills, Nash & Young. In 2013 verscheen Wild Tales. Zijn boek, geschreven zonder vermelding van een ‘helper’, belandde zelfs in de bestsellerlijsten van de New York Times.
 

 

De prille jeugd van Graham Nash

 
Graham Nash werd op 2 februari 1942 geboren in de Engelse stad Blackpool, niet ver van Schotland. Je hoort het niet veel mensen zeggen in deze tijd, maar Graham liet weten dat hij als jongetje graag naar de kerk ging. Op zondag maar liefst drie keer. In de kerk kon hij zingen in het koor.
   “I loved singing in the choir, with that organ swelling like a heavenly score. It was the first time I ever got to sing with people, hearing voices lift, combining in harmony. Man, what a thrill. I had this bell-like voice – and high. I could sing high. I learned how to put my voice above the melody, something that would serve me well for the rest of my life”.
   Graham was evenwel niet religieus. Het ging hem om de muziek. “I guess music was my religion”.
   Muziek hoorde hij wel eens op zo’n ouderwetse platenspeler bij zijn neef Ray. En van de radio kon hij zich de stemmen van Frankie Laine, Rosemary Clooney en Johnnie Ray herinneren. Dankzij radio Luxemburg kwam de popmuziek in zijn leven. “When I was a teenager, everything they played made an impression on me: The Platters, Fats Domino, Gene Vincent, Jerry Lee Lewis, Buddy Holly, Elvis, the whole pantheon of early gods”.
   In de jaren vijftig kwamen pop-artiesten maar zelden vanuit Amerika naar Engeland. Wilde je ze toch kunnen zien dan moest je naar de bioscoop. Samen met zijn vader bekeek Graham de film ‘The Girl can’t help it’ met daarin onder meer Little Richard, Eddie Cochran, Fats Domino en de Platters. “All my favorite rock ’n’ rollers were in the movie”. Bovendien begonnen zijn hormonen te werken bij het zien van Jayne Mansfield. “She looked like an angel – and more”.
   Onderweg in het park zong zijn vader. Graham deed de tweede stem bij liedjes als ‘Ghost Riders in the Sky’ (Vaughn Monroe, 1949). ‘Shrimp boats’ (Jo Stafford, 1952) en ‘This old house’ (Rosemary Clooney, 1954).
 


Vader Nash achter de microfoon, 1954

Allan Clarke

 
Op school gebeurde iets bijzonders. De familie Clarke verhuisde van Broughton naar Salford, waar ook Graham met zijn ouders was komen wonen. Hun zoontje Harold verscheen daarom onverwacht in het lokaal. Harold, die zich Allan liet noemen, kreeg een plekje aangewezen. Hij kwam naast Graham in de klas te zitten. Graham was nog maar zes jaar. Ze werden boezemvrienden.
   “Clarkie en ik zongen samen met anderen elke ochtend het Onze Vader vóór de lessen begonnen”. Ook toen al had Allan een fantastische strot, noteerde Graham in 2012. “He had a great set of pipes and a tone in his voice that was undeniable. It was rich and powerful”.
   Steeds kwam het weer terug in zijn levensverhaal: samen zingen met anderen gaf hem het grootste genoegen. Niemand had hem ooit uitgelegd hoe je dat moest doen. Het ging gewoon vanzelf, bekende hij. Allan en hij zongen met z’n tweeën. “We sang everywhere – in school and in each others houses, but especially in front of mirrors, where we would pantomime our favorite artists.
   I imagined how Elvis would do it. So I made myself a guitar out of an old piece of plywood, painted it red, and shook my bony ass in that mirror, pretending to be the King”.
 


Schoolfoto met Alan Clarke (midden) en Graham Nash (rechts)

Grammofoonplaten

 
Graham had er waarschijnlijk geen weet van maar in één opzicht leek zijn jeugd op die van Elvis Presley. Ook zijn vader belandde in de gevangenis. Nash senior had (waarschijnlijk) een fototoestel gestolen. Een jaar lang kwam hij achter de tralies te zitten (‘a brutal high-security prison’). Bovendien werd hij na terugkomst in Salford door zijn werkgever ontslagen. Het gezin kwam in moeilijke omstandigheden terecht. Ondanks dat kreeg Graham een Philips-platenspeler toen hij slaagde voor zijn schoolexamen. “I loved that machine, even if we had no records”.
   Graham ging zich nu ook voor grammofoonplaten interesseren. De eerste rock & roll die hij via de plaat te horen kreeg was ‘Heartbreak Hotel’ van Elvis Presley. Familieleden van mensen uit Salford (dicht bij zee) namen uit Amerika platen mee. Graham: “‘The Great Pretender’ [Platters], ‘Butterfly’ [Charlie Gracie, Andy Williams], ‘That’ll be the day’ [Buddy Holly], ‘Hound Dog’ [Elvis], ‘Long Tall Sally’ [Little Richard, Pat Boone]”. ‘Be Bop a lula’ van Gene Vincent was de eerste single die hij zelf bezat.
   Vrijwel alle teenager-idolen waren Amerikanen. Vooral Elvis natuurlijk. Die werd in 1958 als dienstplichtig militair echter naar West-Duitsland ‘verbannen’. Een oudere vriend van Graham deed als soldaat eveneens dienst in dat land. Toen die voor zijn verjaardag een fiets kreeg, maakte hij per rijwiel een tocht naar Bad Nauheim en had er zowaar een ontmoeting met de koning van de rock & roll. Wat een sensatie!
   Maar ook Engeland had een echt idool in de jaren vijftig. Dat was Lonnie Donegan, de koning van de skiffle. Donegan was geen solo-zanger, zoals de meeste Amerikaanse artiesten. Hij trad op met een eigen groep, allemaal met de meest simpele ‘instrumenten’. Een bron van inspiratie voor jonge Britten. “He made it possible for even poor kids like me to assemble a band using things you already had around the house, like a washboard and a tea chest for percussion and bass. It was a brilliant intro to playing music”.
 

Een duo

 
Graham en ‘Clarkie’ gingen samen muziek maken, vooral toen zijn vriend voor zijn verjaardag een gitaar kreeg. Tijdens het oefenen werden ze ‘betrapt’ door Frank, de oudere broer van Allan. Die was nogal onder de indruk van de manier waarop het tweetal liedjes zong. Frank Clarke zou gezegd hebben: “I really like the way you guys sound. Do you mind if I suggest that you entertain at a club I belong to?”
   Kort daarna traden ze voor het eerst op. En ze kregen er nog wat voor betaald ook. Graham ontdekte dat je geld kon verdienen met zingen. Hun ‘gage’ liep soms op tot boven de twee Engelse ponden. Allan en Graham werden steeds opnieuw gevraagd om liedjes te komen zingen. Eén keer ontvingen ze zelfs tien pond. Ze konden het niet geloven.
 
In 1957 kwam een van de eerste popidolen naar Engeland. Bill Haley, de zanger van ‘Rock around the Clock’. Graham had die opwindende song gehoord in ‘Blackboard Jungle’, een film over het conflict tussen opgroeiende Amerikaanse teenagers en een nieuwe leraar die de orde niet kon handhaven. Haley’s toernee bracht hem ook naar Manchester.
   Wie jong was en wat wilde moest van de partij zijn. Er was een probleem. De kaartjes werden tijdens schooltijd verkocht. Je moest dus spijbelen. Cliff Richard deed hetzelfde in Edmonton, Graham nam stiekem de bus naar Manchester. In een lange rij werd er over het komende concert gepraat. “Doet saxofonist Rudy Pompilli nog steeds mee bij de Comets? Gaat Franny Beecher op die zwarte Les Paul-gitaar spelen?”
   Eindelijk was Graham aan de beurt en werd de eigenaar van twee toegangsbewijzen, een voor Allan en een voor zich zelf. “Those tickets were like gold to me. I kept running them through my fingers all the way back to Salford”.
   De volgende dag werd Graham bij het hoofd van de school ontboden. Een van de leraren had hem bij de Odeon in Manchester zien staan. Ontkennen had geen zin. Na tien stokslagen op zijn achterste mocht hij terug naar de klas. Dat was even onrechtvaardig, vond hij, als de opsluiting van zijn vader. De jongeman verloor op die dag alle respect voor officieel gezag. “They didn’t understand how much music meant to me”. Voortaan was hij een rebel.
 


Bill Haley in Engeland, poster 1957

 

Maar op 13 februari 1957 was het eindelijk zo ver. Voor het eerst zagen Allan en hij een beroemde popgroep in levende lijve: Bill Haley & His Comets. Het gordijn ging open, letterlijk en figuurlijk. “There he was: Bill Haley, in the flesh”. De rocker, inmiddels 31 jaar, speelde al zijn grote hits, inclusief ‘Razzle Dazzle’, ‘Shake, Rattle & Roll’ en natuurlijk ‘Rock around the Clock’.
   Allan en Graham beseften op dat moment dat ze met een nieuw fenomeen van doen hadden. Niet de troep die je op de BBC, thuis of op school hoorde. Nee, muziek voor een nieuwe generatie. Het tweetal voelde zich aangesproken. Graham zag er iets ‘hogers’ in. “Rock & roll spoke to us directly: teenage music. It was like a new religion, and Bill Haley was delivering the Word”.
   Graham raakte die avond helemaal in trance. Zijn boezemvriend Clarkie overkwam het zelfde, merkte hij op. Maar er was meer. “We were both projecting ourselves onto that stage. I was positive that was where my future lay”. Niets zou die toekomst in de weg staan, was voor hem duidelijk tijdens de show van Bill Haley in Manchester.
   Als je afgaat op de herinneringen zoals Graham Nash die in zijn memoires vastlegde moeten die jaren, toen hij veertien en vijftien was, zijn verdere leven bepaald hebben. In zijn boek was hij misschien niet altijd even nauwkeurig met de feiten en de chronologie, maar de boodschap was duidelijk.
 

Everly Brothers

  
Op een dag in het najaar van 1957, Graham en Allan waren vijftien, gingen ze naar een schoolfeest in de buurt. Het tweetal had zich bijzonder uitgedost. Meer dan een halve eeuw later wist Graham het nog precies. “We were dressed to kill. I had just bought a sharp red shirt with black flecks in it, no tie. A half gallon’s worth of Brylcreem slicked our hair back – we were a couple of young James Deans, Clarkie and I”.
   Bij het binnen komen hoorden ze ‘You send me’ van Sam Cooke. In de feestzaal zagen leraren er op toe dat de jongens en meisjes op gepaste afstand van elkaar bleven. De twee jongens hadden een oogje op Norma Timms: “She was a girl who, shall we say, developed early”. Maar nog belangrijker die avond was dat er plotseling een plaat werd opgezet die begon met de woorden: “Bye Bye Love, bye bye happiness. Hello Loneliness. I think I’m gonna cry”.
   Zulke fantastische muziek had Graham niet eerder gehoord. “Een half uur later liepen we op de deejay af en vroegen hem ons alles te vertellen over die plaat. De schijf kwam te voorschijn uit de stapel en daar lazen we: The Everly Brothers op het Cadence-label. Hij vertelde ons dat het echte broers waren en afkomstig waren uit Kentucky. Ze waren fans van de Louvin Brothers. Die laatste naam had ik nog nooit gehoord”.
   Norma Timms werd een tijdje het vriendinnetje van Graham. Maar dat vond hij in 2012 niet meer zo belangrijk. Die avond in 1957 draaide om de ontdekking van de Everly Brothers. Ze stroopten heel de stad Manchester af om alle mogelijke platen van Don & Phil te vinden. En wat ze vonden gingen ze naspelen en -zingen: Behalve ‘Bye Bye Love’ ook ‘Brand new heartache’, ‘Maybe tomorrow’, ‘Wake up little Susie’ en ‘Lucille’ (een song van Little Richard).
   Begin 1960 kwamen de Everly Brothers een optreden geven in de Free Trade Hall van Manchester. Graham zag de aankondiging in een advertentie. De kans om hun idolen aan het werk te zien lieten ze natuurlijk niet passeren. Op de bewuste avond was Graham in alle staten. “I was eight miles high – adrenaline pumping, heart beating outside my chest”.
   Graham had geruchten gehoord dat de twee broers niet meer met elkaar praatten. Stel je voor, dacht hij, dat een van de twee broers om die reden niet kwam opdagen. Dan kon hij het toneel opspringen en zijn plaats innemen. Maar de twee broers zongen die avond zelf al hun hits. Don brak een snaar tijdens het optreden. Graham wist die te bemachtigen. Zus Elaine, die met het onafscheidelijke duo was meegekomen, mocht de snaar mee naar huis nemen.
 


 
Graham en Allan bleven nog even na afloop. Ze wilden de Everly Brothers ontmoeten. Die zouden misschien wel overnachten in het luxueuze Midland Hotel. Op goed geluk gingen ze die kant uit. “Zijn de Everly Brothers binnen”, vroeg Graham aan een portier in uniform.
   “Nee, nog niet”, was het antwoord. Zo wisten ze dat hun veronderstelling juist was.
   Twee uur moesten de twee wachten op die koude avond. Bovendien was de laatste bus naar Salford al vertrokken. Het zou dus ruim 15 kilometer lopen worden in het donker. Maar die opoffering was niets als je de Everly Brothers te spreken zou krijgen. En dat gebeurde. Graham zag ze het eerst. “‘There they are!’ I hissed at Clarkie. ‘Oh my God, they’re actually walking toward us. Fuck! Now what?’”
   Ja, wat moest je zeggen als je plotseling oog in oog met je idolen stond?
   Graham zou het woord gevoerd hebben. “We don’t want to bother you, but I’m Graham and this is my friend Allan, and we sing together. We sing like you – we copy your style’.
   ‘That’s nice’, Don said. ‘Are you any good?’
   ‘We think we are’, Clarkie told them”.
   Met een paar woorden legde Allan Clarke aan de Everly brothers uit wat ze aan het doen waren op muzikaal gebied.
   Phil antwoordde: ‘Hey, Graham and Allan, keep doing it. Things will happen”.
   Die worden uit de mond van hun idolen maakten een onvergetelijke indruk. De twee zingende fans werden met hun voornaam aangesproken door de wereldberoemde artiesten. “Phil and Don called us Graham and Allan! It was Allan and me and Phil and Don standing on the steps of the Midland Hotel talking music. Giving us encouragement. Instead of brushing us off and going to bed, they talked to us for what seemed like forty minutes, but it could have been forty seconds for all I know. Either way, it changed our lives. It was a big moment for me”.
   Graham Nash nam zich voor dat hij zijn eigen aanhangers nooit zou afpoeieren als hij zelf beroemd mocht worden. In zijn autobiografie noteerde hij nadrukkelijk: “Today, if my bus is pulling out from a gig and I see fans standing there waving, I’ll stop the bus and talk to them for a few minutes. You just never know”.
  

Een eigen band

 


Allan Clarke en Graham Nash, de Guyatones

Door steeds te sparen konden Graham en Allan zich een elektrische gitaar aanschaffen – van het merk Guyatone. Ze noemden zich voortaan de ‘Guyatones’. Het repertoire bestond uit liedjes van de Everly Brothers, Buddy Holly en Gene Vincent.
   Na een van hun optredens liep een jongeman op hen af. Jullie zijn erg goed, hoorden ze uit de mond van Joe Abrams. Hij voegde er nog aan toe: “You need a band. You need a drummer, a bass player and a lead guitarist”.
   Joe was zelf drummer. Hij bracht hen bovendien in contact met de zeventienjarige gitarist Pete Bocking. Die had een echte Fender Stratocaster. Pete liet horen wat hij allemaal uit dat instrument kon toveren. “He didn’t even plug it in. He just played it acoustically, but I could hear the magic in his touch. He played all the solos that we loved, and with style”. Met bassist Butch Mepham erbij waren ze met z’n vijven en noemden zich de Fourtones.
   In het begin speelden ze in de Engelse traditie – skiffle in de stijl van Lonnie Donegan. De liedjes van de Everly Brothers en Buddy Holly werden evenwel niet vergeten. Daarna volgden instrumentale nummers zoals bijvoorbeeld de Ventures dat deden (‘Walk don’t run’, ‘Perfidia’). Een nieuwe stap was de ontdekking van de Amerikaanse rhythm & blues: Barrett Strong’(‘Money’), Arthur Alexander (‘Anna’), Miracles (‘Mickey’s Monkey’), Maurice Williams (‘Stay’) en de Coasters (‘Poison Ivy’). Totdat de Fourtones uit elkaar vielen.
   De geschiedenis van de Britse popmuziek bestaat voor een niet onaanzienlijk gedeelte uit conflicten in popgroepen die het uiteenvallen van zo’n gezelschap tot gevolg hebben. Een tamelijk recent voorbeeld is het conflict binnen Oasis met de broers Noel en Liam Gallagher erin. Oasis was afkomstig uit Manchester. Ze noemden zich, schreef Nash in zijn boek, naar een horeca-gelegenheid in Lloyd Street bij Albert Square. Begin jaren zestig heette die zaak nog Two J’s. Graham Nash had er een baantje. “I was working there in the afternoon, serving coffee, cooking burgers, wiping tables, cleaning up”.
 

De vijf Fourtones, van links naar rechts: Allan Clarke, Joe Abrams (?), Pete Bocking, Butch Mepham, Graham Nash

 

Weer een eigen band

 
Graham en Allan waren met z’n tweeën overgebleven van de Fourtones. Samen met gitarist Vic Farrell, bassist Eric Haycock en drummer Don Rathbone begonnen ze een tweede band. Graham wist Jack Jackson, de eigenaar van de Two J’s, zover te krijgen dat ze er een keer mochten optreden.
   Op de bewuste dag vroeg de aankondiger, Graham Clegg, wat hun naam was. “I’m about to introduce you. What’s the name of the band?”
   Daar was nog nauwelijks over nagedacht. Drummer Don stelde ter plekke voor om als de Deadbeats door het leven te gaan. Zijn vader was begrafenisondernemer. De overige leden hadden hem in de groep gehaald omdat ze dan gebruik konden maken van de vrachtwagen van het mortuarium.
   Allan Clarke zei dat hij het niet eens was met zo’n naam. Die klonk veel te somber. “We’re more fun than that”, stelde hij in de Two J’s kort voor het eerste optreden. Een ander lid van de groep, Nash kon zich in 2013 niet meer herinneren wie het geweest was, vond het een idee om zich te vernoemen naar een van hun favoriete artiesten. Ze moesten op, de naam dus meteen gekozen worden. Aan Graham Nash de taak om de afgdwongen keuze aan de presententator mee te delen.
   Een paar minuten later pakte Graham Clegg de microfoon en sprak het publiek toe met de woorden: “Why don’t you give a nice round of applause to a local band – the Hollies”....
   Buddy Holly (1936-1959) was in 1962 dus de naamgever van een nieuwe beatband.
 

Beatmuziek in Manchester en Liverpool

 
The Hollies waren geboren – op de juiste tijd en op de juiste plek: het noordwesten van Engeland. Daar ‘gebeurde’ het allemaal in het begin van de jaren zestig. Graham Nash: “Every town we rolled into, there were bands playing gigs”. In Manchester, legde hij vast, alleen al had je Johnny Peters and the Rockets, Pete MacLaine and the Dakotas, Herman’s Hermits, Wayne Fontana and the Mindbenders en Freddie and the Dreamers. Een andere band uit Manchester die hij niet met name noemde waren de Scorpions. Die hadden in Nederland een hit met hun versie van Fats Domino’s ‘Hello Josephine’.
   In Liverpool, aldus Nash, waren per hoofd van de bevolking nóg meer groepen dan in Manchester. Het was ook een ander slag volk. “They were louder and tougher than the groups we were used to in Manchester. More merchant seaman there, more violent street gangs, more teddy boys”. In de straten van Liverpool moest je op je hoede zijn. Maar ze maakten er wel goeie muziek, groepen als de Big Three, Rory Storm and the Hurricanes, the Swinging Blue Jeans, the Fourmost, Kingsize Taylor and the Dominoes, the Searchers en natuurlijk the Beatles.
   Graham Nash zag de Beatles voor het eerst toen ze optraden in de zaak waar ook de Hollies hun debuut maakten. “Ze hadden pas de naam omgezet van Two J’s in Oasis. Ze zouden ’s avond optreden. Maar om drie uur ’s middags waren ze er al om de apparatuur op te zetten. Nash vergeleek ze alle vier, John, Paul, George en Pete Best, met Marlon Brando. “Ze zagen er fantastisch uit. Ze waren pas terug uit Hamburg, hadden kleding van leer aan en ‘Beatle-haar’. De meisjes vielen al flauw nog voordat ze hun muziek hoorden”.
   De Hollies en Beatles trokken regelmatig met elkaar op, traden op in dezelfde zaaltjes. “In Stoke-on-Trent (1962) kwam Paul op me af. ‘Wil je onze nieuwe song horen?’ John en Paul gingen om me heen staan. John speelde gitaar en ze zongen “The world is treating me bad, misery”. Het leek een beetje op de Everly Brothers, maar toch anders. Ze hadden het geschreven voor Helen Shapiro. Haar manager zag het liedje niet zitten. Helen heeft het daarom niet op de plaat gezet”.
   De Hollies en de Beatles traden ook samen op in de Cavern (Liverpool). “Ringo deed die avond mee. Hij had zijn haar nog niet in Beatle-stijl”. Graham vond Ringo een aanwinst voor de groep. “He changed the groove. Simpler and more understated than Pete Best’s style. Ringo plays a heartbeat”.
 

De doorbraak van de Hollies

 
De Beatles waren duidelijk beter dan de Hollies, stelde Graham Nash. “We didn’t have that kind of power. We had our share of loyal fans, we could put on a damn good show, pulled enough birds, but we hadn’t hit our sweet spot, that point where you take the stage by storm and everything just falls our way”.
   Na een tijdje kwam er verbetering. Gewoon door het vertrek van drie van de vijf leden van de Hollies. Allan en Graham bleven weer met z’n tweeën over. Ze wisten eerst gitarist Tony Hicks en later Bernie Calvert met Bobby Elliott, allemaal afkomstig uit de Dolphins, te absorberen. Vooral over de komst van Hicks uitte Nash zich in positieve bewoordingen. De kern van de Hollies bestond uit Tony, Allan en hij zelf. “We developed a solid, identiable sound, crisp and cool, with vocals out of the Everly Brothers playbook”.
   De Hollies werden in februari 1963 ‘ontdekt’ tijdens een optreden in de Cavern. De Beatles hadden toen al hits met ‘Love Me Do’ en vooral op dat moment met ‘Please Please Me’. Veel geld was er bij de Hollies nog niet verdiend. In Bristol had Graham zijn laatste gitaar-snaar gebroken. Geld om nieuwe snaren te kopen was er niet. Dus hij deed maar wat met z’n gitaar. Na afloop kwam er iemand op hen aflopen. “I’m Ron Richards”, zei deze en stak zijn hand uit. “I work at EMI and I liked your show. I especially liked the guy who was playing without any guitar strings”.
   Richards was op talentenjacht in het noorden en bood de Hollies ter plekke een contract aan. Ze moesten er wel helemaal voor naar Londen. In die tijd was Dan nog de drummer van de band. Met de lijkwagen reden ze naar de Britse hoofdstad om er opnamen te maken, eerst demo’s. Een van die demo’s was een nummer van de Coasters uit 1960: ‘Ain’t that just like me’. De demo’s bracht de groep definitief bij EMI. Die platenmaatschappij had verschillende labels: HMV, Columbia en Parlophone. De Beatles zaten op Parlophone. Ook de Hollies kwamen op dat label terecht. En ze mochten in de Abbey Road Studio opnemen, op vier sporen.
 

De Hollies met Ron Richards in de studio

De wegen van de Beatles en de Hollies kruisten elkaar regelmatig. Graham Nash: “Ik weet nog hoe opgewonden de Beatles waren op de dag voor ze hun eerste single opnamen. Die avond speelden ze toevallig in de Oasis (Manchester) en de Hollies om de hoek in de Twisted Wheel. Na afloop van hun optreden kwamen we nog bij elkaar. John Lennon wilde in elk geval ‘Anna’ van Arthur Alexander opnemen, maar hij kende niet alle woorden meer. ‘I know them’, I told him, which was easy, because the Hollies did ‘Anna’. So I wrote out the words”.
   De a-kant van de eerste Beatles-single, in 1962, werd echter de eigen compositie ‘Love me do’.
   Nu waren de Hollies zelf aan de beurt. Ron Richards zag hitkansen in het nummer van de Coasters. Allan en Graham slaagden er niet in hun eigen song ‘Hey what’s wrong with me’ (in de stijl van de Everly Brothers) op de a-kant te krijgen. De opamesessie pakte goed uit. De cover van de Coasters, op 17 mei 1963 in de handel gebracht, bereikte een 25ste plaats in de Britse hitlijsten.
 


Hollies op Engelse hitlijsten met oud nummer van de Coasters (Leiber/Stoller)


 
In die stijl gingen ze dus voorlopig door. ‘Searchin’’, eveneens van de Coasters kwam op 12, ‘Stay’ van Maurice Williams en de Zodiacs, op 8, ‘Just one look’, van Doris Troy, op 2 in 1964. De meeste hits van de Hollies waren songs die door anderen geschreven werden. Dat gold ook voor ‘The Air That I Breathe’, een ballad van de hand van Albert Hammond en Mike Hazlewood. Met dat nummer bereikten de Hollies de eerste plaats in veel landen, inclusief Nederland. Graham Nash was inmiddels uit de Hollies vertrokken. Hij liet Allan Clarke achter in Engeland voor het grote avontuur in Amerika, met David Crosby en Steve Stills (later ook Neil Young). In die groep liet hij opnieuw zien hoe goed je tweede stem kon zingen bij een ander. Zonder Graham Nash, hoor je altijd, zouden Stills en Crosby het nooit gemaakt hebben.
   Het duurde nog tot 1981 voor Graham Nash en zijn ‘Clarkie’ weer met elkaar samenwerkten. In zekere zin had dat te maken met de Nederlander Jaap Eggermont. Diens ‘Stars on 45’, met heel wat Beatles-songs, werd een wereldhit. ‘Iedereen’ wilde ook zoiets doen. De Hollies maakten ‘Holliedaze’ in 1981.
   Graham Nash: “In August 1981, a Stars on 45 medley called ‘Holliedaze’ was released in England and became a smash on British radio. It had been about fourteen years since I had anything to do with the Hollies, when I walked out on Clarke and the band. Now we were back on the UK charts”.
   Graham liet zich overhalen om met zijn oude vrienden mee te doen in Top of the Pops. Er moesten wat gevoeligheden weggewerkt worden alvorens ze elkaar weer vonden. Clarkie en Graham waren na een heleboel jaren weer samen.
 
Harry Knipschild
30 november 2014

* Bill Haley in Engeland, begin 1957
* Everly Brothers, Bye Bye Love, 1957
* Gene Vincent, Be bop a lula, 1958
* Coasters, Searchin', 1960
* Ventures, Walk don't run, 1960
* Hollies, Ain't that just like me, 1963
* Vaughn Monroe, Ghost Riders in the Sky, 1965
* Hollies, Holliedaze, 1981
* Graham Nash, Peggy Sue
* Graham Nash, interview naar aanleiding van zijn boek, 2013
     
Literatuur
Graham Nash, Wild Tales. A Rock & Roll Life, New York 2013