Zoeken

 


Je hebt als popartiest een streepje voor als je in een land woont waar Engels de voertaal is. Dat geldt vooral voor de inwoners van Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika – maar ook voor die van Canada, Australië, Jamaica en Nieuw-Zeeland. Het zegt echter niets over de muzikale kwaliteiten. Waarom zou iemand uit bijvoorbeeld Liverpool betere muziek maken dan een artiest uit Vlissingen of Marseille? Taal is belangrijk om het te maken. En niet te vergeten de culturele en zakelijke contacten op plekken waar ‘alles’ gebeurt. In Londen is veel concurrentie, maar het is wel een poort naar de rest van de wereld.
   Als je alleen maar een instrument bespeelt is het een stukje makkelijker. Dan is de taalbarrière tenminste verdwenen. De Nederlandse groep Focus wist in 1970 door te breken – eerst in eigen land en vervolgens elders, zelfs Engeland en Amerika. Focus was een instrumentale groep. Jan Akkerman speelde gitaar, Thijs van Leer fluit en orgel. Met instrumentale nummers als ‘House of the King’, ‘Hocus Pocus’ en ‘Sylvia’ kon gescoord worden. Dat gebeurde wel meer in die tijd. Fleetwood Mac met ‘Albatross’ (1968), Jethro Tull met ‘Bourée’ (1970), Mike Oldfield met ‘Tubular Bells’ (1973) om er een paar te noemen. Instrumentale hits zijn van alle tijden.

Jan Akkerman verwierf erkenning in 1973. In de poll van het Britse tijdschrift Melody Maker won hij in de categorie beste gitarist. Akkerman bofte in zekere zin. Jimi Hendrix was overleden en Eric Clapton probeerde af te kicken van zijn heroïne-verslaving. Dat gaf in elk geval een beetje ruimte. Maar een mooie erkenning voor Jan. In het concurrerende blad New Musical Express werd Golden Earring dat jaar uitgeroepen tot ‘most promising name’. NME had in 1973 nog geen rubriek voor beste gitarist. In de jaren erna ging die eer in NME naar Eric Clapton (1974), Jimmy Page (Led Zeppelin, 1976) en Mick Jones (Foreigner, 1978). Thijs van Leer viel in Engeland nooit in de prijzen. Voor zijn instrument was geen categorie ingeruimd.
 

Van scholier tot popmuzikant

 
Vrijwel elke artiest droomt van erkenning, succes en rijkdom. Maar als het je overkomt heeft dat meer gevolgen dan je denkt, zeker in de popmuziek waar het snel kan gaan en ook weer gauw kan aflopen. Was Jan Akkerman (geb. 24 december 1946, Amsterdam) voorbereid?
   Gedeeltelijk wel. Hoewel hij van eenvoudige komaf was (zijn vader handelde op het Waterlooplein in lompen en metalen) was zijn opleiding een beetje redelijk. In een lang interview met Gideon van Aartsen (1990) vertelde Jan dat hij op de Idenburg-school zat. Een probleem was zijn gebrek aan discipline. “Ik ben iemand die zich nooit onder het gezag van een ander heeft kunnen plaatsen. Ik doe gewoon wat ik zelf denk te moeten doen”.
   Die houding speelde hem parten. “Ik nam mijn gitaar stiekem mee naar school. Ik zorgde dat ik de klas werd uitgeschopt en dan ging ik naar de kaartenkast, waar ik mijn gitaar had verstopt om daar stilletjes te spelen”. Op de mulo ging het mis toen hij een jaar of dertien was. “Van een ontzettende lul van een leraar kreeg ik ten onrechte een klap voor mijn harses. Ik was zo kwaad dat ik die vent een schop voor zijn zak verkocht. Ik trapte hem helemaal lens”.
   Naar eigen zeggen zat Jan vervolgens drie jaar op een lyceum (bêta) en ontving een beurs voor het muziek-lyceum. Ondanks zijn liefde voor de muziek voltooide hij die studie niet. “De school brandde af toen ik daar studeerde en ik ben er nooit teruggekeerd”.
   Akkerman speelde intussen goed genoeg gitaar om in rock & roll-bandjes te functioneren. Dat leverde hem een aardige som op, zelfs toen hij nog op het lyceum zat. Het was wél nachtwerk voor de jonge scholier. “Ik verdiende op de middelbare school meer poen dan de directeur. Ik speelde vaak ’s nachts tot vijf uur op het Thorbecke- en Rembrandtplein, in striptenten als de Moulin Rouge, de Trocadero en de Louis Seize”.
 


 
In die tijd kwam bovendien de samenwerking met drummer Pierre van der Linden tot stand. Met Johnny & his Cellar Rockers kreeg hij enige bekendheid. “Met dat groepje maakte ik ook mijn eerste plaatje, ‘Exodus’. We zaten in het circuit van [impresario] Jan Vis. De podia van boerententen bestonden uit een zooi pilskratten met een paar kartonnen platen erop. En dan ’s avonds van 8 tot 12 rammelen met twee keer een kwartiertje pauze”.
  

Op de hitparade

 
De groep van Jan en Pierre, omgedoopt tot Hunters, kwam terecht bij de Amsterdamse platenmaatschappij Inelco, eigendom van Ton en Wim Brandsteder. De platen van Inelco verschenen op het RCA-label. De jeugdige en ondernemende Casper Koelman nam de Hunters onder zijn hoede. Casper, samen met de invloedrijke diskjockey Willem van Kooten tevens uitgever van popbladen als Hitwezen, erkende de capaciteiten van Jan Akkerman. Hij liet hem zijn gitaarwerk indubben bij een oude RCA-single van Roy Orbison en kwam op het idee een Russisch wijsje op een rock-manier te bewerken. Dat werd ‘Russian Spy and I’, zowaar een top tien-hit in 1966.
   Akkerman uitte geen woord van dankbaarheid voor de inzet van Koelman en Inelco. “Die song heb ik geschreven maar een of andere nono liet hij het bij Buma-Stemra op zijn naam zetten. Casper Koelman woont nu riant in Monaco. Die truc heeft hem echt niet gelukkiger gemaakt. Hij heeft veel poen in zijn zak gestopt, maar als je hem nu tegenkomt kijkt hij erbij alsof hij vreselijk vies gevreten heeft”. Het was de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat hem zoiets overkwam, stelde de gitarist in 1990. “Er zijn in de loop van de jaren ontzettend veel mensen met geld en ideeën van mij aan de haal gegaan”.
 

 

Brainbox

 
De Hunters hielden het niet lang vol. Ze stapten nog over naar Bovema. Hun single ‘Lost Money’ (op Imperial) haalde de top 40 echter niet. Door zijn contacten daar kreeg Jan echter werk als sessiemuzikant, onder anderen bij de Cats. Maar een groot gedeelte van die tijd werkte hij in het bedrijf van zijn vader.
   Helemaal soepel liep het sessiewerk van Akkerman niet. In zijn boek over de Volendammers legde Jip Golsteijn vast: “Jan probeerde de zaken zo naar zijn hand te zetten dat het John Möring en producer Klaas Leyen te gek werd en zij met de Cats over vervanging van het grillige snarenwonder gingen praten”. Cees Veerman (1943-2014) van de Cats vulde aan: “We hebben toen overwogen om Jan eruit te gooien, maar onze afkeer van zijn ongedisciplineerde gedrag haalde het niet bij onze bewondering voor zijn instrumentale gaven. Later, toen hij hier in Volendam ging beweren dat hij kant en klare nummers voor ons schreef, hebben we hem er toch uitgegooid”.
   Tim Griek (1944-1988), producer bij Bovema, legde de basis voor een comeback op de plaat. “Hij bracht me in contact met Kaz Lux. Het klikte meteen tussen ons. Ik haalde Pierre van der Linden erbij, bassist André Rijnen en Brainbox was geboren. ‘Down Man’, onze eerst hit, was in een wip gemaakt”.
   Manager van Brainbox was John B. van Setten, die zich eerder met succes voor de Outsiders ingezet had. John stond niet bekend als een makkelijke man. Hij liet de artiesten van wie hij de zaken behartigde eerst een contract tekenen met duidelijke bepalingen. Daar had je je aan te houden.
 
Ondanks de goede muziek en het succes bleef Brainbox niet lang bestaan. Akkerman: “Er was allerlei gedonder. Ten eerste was er een flinke portie rivaliteit tussen de heren Kaz Lux en Jan Akkerman. Pierre van der Linden heeft bovendien een handje van stoken”. De leden van de groep konden blijkbaar niet goed met elkaar overweg.
   In het interview met Gideon van Aartsen gaf Jan Akkerman twee verschillende versies van zijn vertrek bij Brainbox. Jan vertelde: “Ik heb met Kaz nooit bonje gehad. Hij heeft me [wel uit Brainbox] getrapt”. Op een ander moment in het interview zei hij: “Thijs van Leer kwam me nogal vaak opzoeken. Na elk optreden van ons zei hij: ‘Dat was te gek, met jou moet ik spelen’. Na een tijdje dacht ik: ‘Waarom ook niet’ en ik jamde mee met Thijs. De manager kwam daar achter en dat was voldoende mij uit Brainbox te trappen. Ik heb geen cent aan Brainbox overgehouden”.
   Een paar jaar geleden hoorde ik [HK] uit de mond van Thijs van Leer diens versie van die gebeurtenis: “We kwamen in contact met de gitarist Jan Akkerman. Focus wist Jan zo ver te krijgen dat hij een keer kwam mee-jammen. Tijdens het spelen in Felix Meritis, op een grote witte Gretsch, ging de deur open en verscheen John B. van Setten, de manager van Brainbox. Die was vol wantrouwen. Zonder enige discussie kreeg Jan te horen:’Je ligt eruit’. Dat was het einde van Jan Akkerman bij Brainbox”. 
 


 
Van Setten interpreteerde de samenwerking van Jan met Focus als een contractbreuk. Toen Jip Golsteijn hem in 1972 een vraag stelde over het niet uitbetalen van royalties, liet deze hem weten: “Het klopt dat Akkerman van de laatste plaat die hij met Brainbox heeft gemaakt geen royalties heeft gekregen. Als een artiest een groep verlaat terwijl hij nog onder contract staat is hij rechteloos. Dat geldt bij iedere arbeidsovereenkomst. In ieder contract dat ik sluit zit een boeteclausule voor eenzijdige verbreking, 500 piek per dag of zoiets. Jan Akkerman kwam op kantoor en zei: ‘Om te beginnen moet ik je zeggen dat ik je niet vertrouw. Dan weten we waar we aan toe zijn’. Dat vond ik toen niet zo’n vreemde benadering. Integendeel, het sprak me wel aan. Ik dacht: ‘Met die krijg ik in ieder geval geen gedonder’. Drie maanden later tekende hij, samen met Pierre van der Linden, een contract. Jan keek er niet naar en zette zo z’n handtekening”.
   Naar eigen zeggen legde Jan zich neer bij die gang van zaken. Van Setten was volgens hem genoeg gestraft. Eigen schuld. “De manager heeft alle Brainbox-royalties in zijn pocket geduwd. Hij was indertijd tevens pooier. Tegenwoordig loopt hij, voor zover ik weet, met bijbels langs de deuren. Ik bedoel maar. Weer zo’n jongen [als Casper Koelman] die er niet lolliger op is geworden”.
   John Schuursma verving Jan in Brainbox. Volgens Thijs van Leer had de ontslagen gitarist geen keus. Wat kon hij op dat moment anders dan toetreden tot Focus? Die opmerking werd in 1990 door Jan bevestigd: “Ik werd Brainbox uitgetrapt en mijn enige goede alternatief op dat moment was Focus. Ik wilde blijven doorspelen want ik had de smaak te pakken”.
 

De doorbraak van Focus

 
Op het moment dat Jan Akkerman lid werd van Focus had de groep zakelijk al een en ander voor elkaar. Huub Terheggen van radio Luxemburg, een wereldwijde organisatie, had Thijs van Leer c.s. onder contract genomen. Radio Luxemburg was bereid internationaal te investeren. Focus mocht meteen een album in Londen opnemen.
   Opname-uren konden nog wel eens uit de hand lopen. Akkerman verwoordde het zo: “In de studio stond meneer de manager soms met een stopwatch achter me om de tijd in de gaten te houden. We mochten niet praten, er moest gewerkt worden. Werd er teveel gepraat, dan gingen de kosten van de ‘misbruikte’ studio-minuten van mijn inkomsten af”.
   Omdat de groep nog niet bekend was kostte het Terheggen heel wat tijd en energie om de plaat ergens (Bovema) ondergebracht te krijgen. Van substantiële verkoop was voorlopig nog geen sprake.
   De ommekeer kwam toen Focus voor een songfestival op het eiland Majorca was. Thijs van Leer: “Op het strand maakten we spontaan muziek. In een jam ontstond het nummer ‘House of the King’. Terug in Nederland hebben we het zonder medeweten van Huub Terheggen bij Bovema opgenomen met André Hooning als technicus [en Tim Griek als producer]. Lex Harding en Rob Out gingen het pluggen op radio Veronica. Het geflopte album verscheen in een tweede versie op de markt, nu met onze eerste hit eraan toegevoegd”.
   Hoewel het nummer spontaan tot stand kwam in een jam-sessie van de hele groep liet Akkerman het nummer (alleen) als zijn compositie vastleggen.
 


Eerste album Focus


 
Terheggen wist Focus ook internationaal te plaatsen, in Engeland bij Polydor en in de VS bij Sire, de  platenmaatschappij van Seymour Stein. Mike Vernon, eerder producer van Fleetwood Mac met Peter Green, maakte hij verantwoordelijk voor de plaatopnamen. Zo kwamen er ongekende kansen voor de Nederlanders.
   Hoe de Britse doorbraak tot stand kwam noteerde Gideon van Aartsen als volgt uit de mond van Jan: “Die RTL-meneer [Terheggen] had ervoor gezorgd dat wij in Londen konden spelen. De single ‘Hocus Pocus’ en de daarbij behorende LP, die we in Londen hadden opgenomen, werd op dat moment, in 1972, ook in Engeland uitgebracht. We zouden optreden in een grote universiteit. Daar was ook de pers bij uitgenodigd”.
   Het optreden in Londen ging bijna niet door. De vakbonden besloten juist op dat moment een staking uit te roepen. Akkerman: “Londen zat zonder licht en elektra. Dus wat deden we, het podium vol met kaarsen en de versterkers aansluiten op een inderhaast opgetrommelde generator. Een magisch sfeertje. Een journalist van Melody Maker liet zich grijpen door de sfeer. Hij schreef de sterren van de hemel over ons. Raak!”
   Melody Maker zette Focus en speciaal Jan Akkerman korte tijd daarna opnieuw in het zonnetje. Zoals eerder aangegeven kwam hij een paar maanden later als overwinnaar te voorschijn in de jaarlijkse poll van de ‘betere’ muziekkrant.
 

Roem voor Jan Akkerman

 
Thijs van Leer, afkomstig uit een ‘gegoed Goois milieu’, had een superieure schoolopleiding. Bij Jan Akkerman lag het anders. Hoe ging de gitarist, 27 jaar, met zijn naamsbekendheid, zijn roem, om?
   “Ik kreeg ineens een plak in mijn handen gedrukt, met een vaantje erbij. Zo van: ‘Jij bent de beste gitarist van de wereld, jongen’. Vanaf dat moment mocht ik in een Rolls Royce wonen, waarmee ik van hot naar her werd gesleept. Als een kuddedier werd ik negen maanden per jaar vliegtuig in- en uitgeduwd”.
   In Focus was flink geïnvesteerd. Er kon nu geld verdiend worden. Jan bracht het anno 1990 onder woorden met: “Het management wilde natuurlijk zo veel mogelijk poen slaan uit de situatie van de ‘beste gitarist ter wereld’. Als ik daar tegen protesteerde was ik een moeilijke jongen. Daarbij kreeg ik ook de klacht dat ik niet sociaal voelend was ten opzichte van de andere leden van de groep”.
   Als je Jan hoort praten lijkt het soms of hij zelf van de wind leefde.
 


Eric Clapton


 
Op verzoek van NME’s Tony Stewart liet Jan zich in 1973 verleiden een vergelijking met Eric Clapton te maken. “Technically, I’m far better than him, musically we are probably at the same level. But still I make my own music, and he is a blues guitarist. There’s a difference. And I don’t say it’s worse or better. Clapton’s the God of guitar players. He doesn’t need that from me, but he’s one of the few guys who I would say are good guitarists”.
   Een kwart eeuw later had Jan nog steeds die mening: “Clapton heeft mooie dingen gedaan, maar niet mooier dan Focus. Dat kan niet. Daar ben ik van overtuigd”.
   Jan had gewoon zijn eigen stijl, legde hij uit. “I stopped looking at other guitarists round about 18 or 19. I knew what was going on in the world with the Beatles and things like that. Suddenly I said to myself ‘shut up’. I don’t want to listen to anything except good music. Just practice my own thing”.
 
Aan de Engelse pers legde Akkerman uit dat hij een probleem in eigen land had. “I am a name, I am a legend. But the problem in Holland is that they want the Sweet and stuff like that. That doesn’t stop me making my own music”.
   Jan erkende dat hij sommige optredens in Nederland verknald had. Tony Stewart: “One eye-witness reckons the guitarist was a mite unpopular. The audience called him ‘hondelul’. Translated, this refers to part of a dog’s anatomy...
   ‘Hondelul’, spits Akkerman. “I hope it’s the last time I play there. We loved to play in Holland’, he continues. ‘We didn’t feel high or low, we just wanted to play. But if people say things like that I don’t care anymore. We’d better stop. Because it wasn’t my fault I was so late.
   My cat had a kitten’, he explains. ‘I came back from Montreux on an early plane. When I got home it had been born on the floor, so I was just in time’.
   Actually, I remarked, I’d been told one of his ducks had broken a leg.
   ‘Oh no’, Akkerman retorted. ‘The other cat had broken a leg. I’m concerned about that. I don’t care about’. He hesitates, and then recalls the gig in question. ‘There were something like 15,000 people involved. But still, I said to myself, I’d take a few hours less sleep. But the people don’t care about that, and just call me names.
   And I played well, very well. To me it’s a challenge if they start booing’, he continues with a hint of mischief. ‘I think, ‘oh, I'll make you shut up’’. That crowd of 15,000 started booing, and it was as if they were going back to their childhood. I have enough booing on my farm with all the cows. It’s the same thing”.
   Misschien was ik [HK] zelf wel aanwezig bij het bedoelde concert. Dan zou het in Voorburg (Vliegermolen) geweest moeten zijn. De zaal zat vol. Iedereen was er behalve Jan Akkerman. Hij was onderweg werd het publiek medegedeeld. Zijn poes was ziek. Anderhalf uur later verscheen de gitarist. Nu ook hij er was kon Focus eindelijk optreden.
 

Problemen met Focus

 
In het blad van radio Veronica was op 21 juli 1973 te lezen: “Jan Akkerman wordt met recht een ‘enfant-terrible’ genoemd. Enige tijd geleden kwam de groep danig in de knel, toen Jan zich aanhoudend versliep of om andere redenen te laat kwam, waardoor concerten te laat begonnen of werden afgelast.
   Toch is de ster van zijn roem nog steeds stijgende. Niet alleen als Focus-gitarist, maar ook individueel pruimpt het popgebeuren hem wel. Zijn muzikale kwaliteiten leverden hem zelfs een solotoernee door de Verenigde Staten op, zo even tussen neus en lippen door. Het gereed staande vliegtuig naar New York bleek overigens niet zo geduldig als de collega’s van Focus. Het vliegtuig vertrok zonder Jan Akkerman.
   Tandenknarsend en vloekend hebben zijn zakelijke leiders te elfder ure de Amerikaanse plannen gewijzigd. Akkerman haalde gewoon zijn schouders op. Hij is pas getrouwd, weet je wel, en dan kan het wel eens uit de hand lopen. Het zal ons benieuwen hoe lang Jan met zijn ongedisciplineerde gedrag kan doorgaan”.
   De eigen activiteiten van Jan Akkerman, los van Focus, hadden hem al eerder problemen opgeleverd. Jan hield het management niet altijd op de hoogte. In 1990 onthulde hij: “Toen ik de titel van beste gitarist had verworven werd ik met dreigtelefoontjes uit studio-sessies gehaald bij Eric Clapton, Beach Boys en Dave Mason. Op straffe van contractbreuk mocht ik niet met anderen samenspelen. In mijn contract met Focus was een exclusiviteitsbeding opgenomen. Pure jalouzie!”
   Als je leest wat er over Focus en Jan Akkerman allemaal geschreven is had Radio Luxemburg er weinig moeite mee dat de leden van Focus ook buiten de groep hun activiteiten hadden, mits dan maar in overleg ging. Thijs van Leer vertelde me [HK] in 2011: “Ik stond onder contract bij het bedrijf van radio Luxemburg, maar Huub Terheggen gedoogde dat ik solo platen maakte bij een andere maatschappij [CBS, ‘Introspection’]”. Tijdens het Grand Gala du Disque van 1974 trad Thijs solo op. Het resultaat was fantastisch, vertelde Van Leer. Binnen één week gingen er 80.000 exemplaren over de toonbank. “Alles bij elkaar zijn er ongeveer twee miljoen ‘Introspection’-albums in Nederland verkocht”.

 
Bij Jan Akkerman pakte het anders uit tijdens dat zelfde Gala. Ook hij was met een solo-album, ‘Tabernakel’, op de markt. Akkerman in 1990: “Thijs van Leer kreeg een Edison voor ‘Introspection’. Maar ik stond in de hele wereld nummer één als rockgitarist. Dus konden ze het voor hun fatsoen niet maken mij geen Edison te geven. Deze boy stond met vier LP’s, niet met jodelen maar met gitaar spelen, in de Amerikaanse Top 100”.
   Gideon van Aartsen onderbrak het relaas van Jan Akkerman. “Je bedoelt Focus?”
   Akkerman: “Ja oké. Er zaten nog een drummer, bassist en organist bij. Maar het ging die Amerikanen toch om mijn gitaarspel. Maar goed, ze wilden mij die Edison geven”.
   Het ‘optreden’ van Jan Akkerman was bijzonder. Na minder dan één minuut verliet de gitarist op eigen initiatief het podium tijdens het dicht-bekeken rechtstreekse tv-programma. Naar eigen zeggen had hij tijdens de repetities al problemen met de strijkers in het orkest onder leiding van Harry van Hoof. Zijn arrangeur liet hij daarom weten: “Weet je wat, laat maar zitten, die zijkerds van strijkerds. Ik ga gewoon in mijn eentje het podium op”.
   Zo gezegd, zo gedaan. “Kort voordat ik op moest, nam ik nog een hijs van mijn joint – dat vond ik toen wel lekker spelen – en ik stapte de bühne op. Ik zat nog niet half op mijn krukje of opeens hoorde ik een vent uit de orkestbak ‘Olé!’ roepen. Dat was de druppel. Ik riep nog iets in de microfoon van: ‘In deze klote-atmosfeer kan ik niet spelen hoor, dàààg’. Ik pakte mijn boeltje op en ging weg. Fuck you all, dacht ik er nog bij”.
   ‘Tabernakel’ werd in de verste verte niet zo’n succes als ‘Introspection’. Ten onrechte vond Jan. “‘Tabernakel’ was heel andere koek dan dat plaatje fluitmuziek van Van Leer. Ik ben nog steeds zeer trots op die LP. Ik componeerde [arrangeerde, HK] de muziek eigenlijk vanuit mijn ellendige gevoel bij Focus. Ik voelde me vreselijk klote, reizend van de ene uithoek naar de andere”. Genieten van het succes en de erkenning als gitarist was er kennelijk niet bij.
 

Jan Akkerman weg bij Focus

 
De dagen van Jan Akkerman bij Focus waren geteld in 1976. “De irritaties werkten naar een soort climax toe. Ik dacht: ik maak het ze zo godverdomd moeilijk. Ik draai de zaak muzikaal doelbewust zo verschrikkelijk de strot om, dat ze mij er wel uit moeten gooien. We stonden op dat moment aan de vooravond van een toernee door Engeland en Ierland. We repeteerden in kasteel Groeneveld [Baarn]. Ik heb het tijdens de repetities zo bont gemaakt dat zelfs de kasteelvrouwe tegen Van Leer zei: ‘Thijs, met die man kun je toch niet verder gaan. Je moet een beslissing nemen’. En Thijs besliste: ‘Jan eruit!’”.
   In 2011 hoorde ik van Thijs van Leer wat meer details: “Ik wilde muziek maken in de stijl van Weather Report. Dat zag Jan, misschien wel terecht, niet zitten. We zagen elkaar steeds minder. Een paar dagen voor een Britse tour kwam Jan noodgedwongen naar een repetitie. Hij leverde commentaar op bassist Bert Ruiter omdat die één verkeerde noot speelde. Ik ontplofte en ontsloeg hem ter plekke. De toernee wilde ik niet afzeggen. In paniek belde ik Ruud Jacobs. Die had de Belgische gitarist Philippe Catherine te logeren. Ik stapte meteen in de auto. Dezelfde dag spraken we af dat hij zou meedoen. ’s Nachts schreef ik de arrangementen noot voor noot voor hem uit. Tijdens het eerste optreden lagen de partituren nog op veertien stoelen voor hem. Maar al snel ging het perfect”.
   In een interview met de Britse journalist Phil Sutcliffe bleef Thijs constructief volhouden: “I’m very sad about what happened and still consider Jan to be my best friend. He formed me as a musician. We were together for six years”.
   Evenals bij de Hunters en Brainbox uitte Jan Akkerman zich in 1990 negatief over de mensen die hem zakelijk geholpen hadden. “De manager van Focus [Huub Terheggen] is nu overleden. Jarenlang de boel vernaggeld en hup, een hartaanval. En zijn broer, een jurist nota bene, die driftig de boel mee belazerde, zit nu in het gekkenhuis. Kijk, als je van mij steelt, speel je kennelijk met vuur”. Co-manager Yde de Jong kreeg eveneens een veeg uit de pan, terecht of niet terecht: “We hadden hem de bijnaam Gijsbrecht van Heineken toegedicht. Als de man geen bier dronk, ging hij dood. Hij zoop dag en nacht door”.
   Ook aan Focus zou Jan Akkerman niets hebben overgehouden, verkondigde hij tegenover Gideon van Aartsen, maar: “Ik lig om al die misgelopen centen echt niet wakker. Ik ben heus niet armlastig en ik ben qua ideeën en talent een bodemloos vat. Ik hoef niet van anderen te jatten om mezelf overeind te houden. En ik ga vrolijk, met een schoon geweten, door het leven’.
 

Muzikaal leven na Focus

 


Yde de Jong


 
Na het verlaten van Focus ging Jan Akkerman op de solo-toer. Maar hij bleef samenwerken met zijn eerdere compagnons. Samen met Kaz Lux maakte hij het album ‘Eli’. “Ik had een zanger nodig voor een idee waar ik mee speelde. Ik voelde een diepe drang om een metafysische LP te maken. De helft van de teksten op ‘Eli’ zijn geënt op het Tibetaanse dodenboek, waar ik in die tijd wat van had gelezen. ‘Eli’ was vervolg op ‘Tabernakel’. Maar ik had daar dit keer een zanger voor nodig”.
   Bovendien werkte hij opnieuw samen met Thijs van Leer en Yde de Jong. “Zij kwamen met het idee om Focus weer op te starten. Ik bekeek de wereld inmiddels door een iets andere bril. Dacht bij mezelf: ik ben ook niet echt gemakkelijk geweest. Hoewel ik gelijk had, had ik misschien anders moeten reageren. Cees van Leeuwen zou onze manager worden. We maakten inderdaad een LP, ‘Focus’. Maar toen we moesten gaan optreden voelde ik me meteen weer alsof mijn strot werd dichtgenknepen. De hele familie Van Leer zat op de eerste rij met: ‘Ik hoor het fluitje niet goed’”.
   Volgens de gitarist kreeg hij steeds internationale aanbiedingen van niveau. Het ging hem echter steeds meer tegenstaan. “Van toeren moest ik niks meer hebben. Ik kon geen fluit, geen hammond-orgel, niks meer zien. Ik had genoeg van het samenwerken met anderen. Ik had ook niet zo’n zin meer om lang van huis te gaan”.
   In 2010 zocht Michael Klinkhamer hem op in Volendam, waar hij was neergestreken. “Al meer dan veertig jaar is Jan Akkerman de ongekroonde koning van de Nederlandse rock- en bluesmuziek”. Met die woorden begon hij de reportage die in Villa d’Arte gepubliceerd werd. “We liepen over de dijk, langs de schaapjes, passeerden de typische houten klaphekken en zaten weldra aan de oevers van het IJsselmeer. Akkerman vond een plekje uit de wind en in de zon en genoot. ‘Mooie plek, lekker weer, gitaar erbij. Wat wil een mens nog meer? Het geluid van water geeft mij de meeste voldoening. Dat ben ik. Dat heb ik ook altijd laten horen in mijn spel. Water roept bij mij gevoelens op van vrijheid en rust en ook herinneringen aan vroeger. Als jongen was ik jeugdzwemkampioen in Amsterdam’”.
   Aan Klinkhamer vertelde de gitarist vier jaar geleden: “Ik heb een aantal opleidingen gevolgd, ondermeer aan het conservatorium, maar ik werd overal weggestuurd. Jantje was niet te handhaven. Zo leerde ik het geluid van de eenzaamheid, van het onbegrip. Noem het maar de blues of zo iets”.
   Akkerman: “Ik speel op een Gibson Les Paul bij mijn optredens. Het zijn legendarische gitaren, bluesgitaren die via Bill Haley met ‘Rock around the Clock’ en daarna via Eric Clapton in de rockmuziek terecht kwamen. Mijn gitaren kunnen best wel een leuk verhaaltje vertellen. Ze staan op een groot deel van mijn platen met Focus en Brainbox.
   De grootste muzikanten van onze tijd hadden meestal een abominabel geluid, zij speelden op alles wat voorhanden was. Of het nou Django Reinhardt was of Miles Davis, als er maar geluid uit kwam, speelden ze er weergaloos op. Nu is alles anders. Maar wordt er beter gespeeld, worden er betere platen gemaakt? De geluidskwaliteit is nu veel beter, maar wat ik hoor gaat vooral over bankrekeningen: wat een gevoelloze ellende!”
   Jan vertelde dat hij vaak ’s nachts in de weer was, thuis. “Als iedereen ligt te slapen. Dan ga ik even door op de computer. Alles kan nu via mijn digitale Belgische telraam, zoals ik dat ding noem; er zitten 128 kanalen op en alle mogelijke after effects en drumbeats”.
 

Jan Akkerman in Volendam, 2010 (foto Michael Klinkhamer)

 
Maar ook tijdens de wandeling had Jan Akkerman een gitaar meegenomen. Samen zaten ze aan het IJsselmeer, de journalist en de pop-artiest. “Met zijn akoestische Ramirez gitaar zat hij losjes te spelen. Het zuivere gitaargeluid spoelde over het klotsende water. Jan was duidelijk in zijn element. Zijn losse improvisaties mondden uit in een intens mini-concert voor twee toe gewaggelde eenden. Terwijl ik foto’s maakte, veranderde zijn toon van blues-improvisaties naar het bekende adagio van ‘Concierto de Aranjuez’”.
   Geen medemuzikanten, geen ruzie. De ‘beste gitarist van de wereld in 1973’ speelt voor een popscribent en twee eenden. Een mooi landelijk tafereeltje. Je zou bijna denken: eind goed al goed...
 
Harry Knipschild
14 september 2014

Clips

* Johnny & his Cellar Rockers, Exodus
* Hunters, Russian Spy and I, 1966
* Jimi Hendrix, Wild Thing, Monterey, 1967
* Cream (Eric Clapton, Jack Bruce, Ginger Baker), laatste concert, 1968
* Brainbox, Down Man
* Focus, House of the King, 1971
* Jan Akkerman, muziek van het album 'Tabernakel'
* Focus in Nederpopzien   
* Interview Jan Akkerman, RVU, 1990

Literatuur
‘Jan Akkerman/Thijs van Leer: een verdeelde muzikale twee-eenheid’, Veronica-blad, 26 februari 1972
Jip Golsteijn, over John van Setten en Jan Akkerman, Oor, 25 oktober 1972          
Jip Golsteijn, De Cats. Een Hollands succesverhaal, Bussum 1973
Tony Stewart, ‘Jan Akkerman, A poor relation comes good’, New Musical Express, 24 februari 1973
Tony Stewart, ‘Focus and the American hell, New Musical Express, 12 mei 1973
‘Jan Akkerman’, Veronica-blad, 21 juli 1973
Phil Sutcliffe, ‘Focus’, Sounds, 6 maart 1976
Gideon van Aartsen, ‘Rock-helden. Jan Akkerman’, Penthouse, september 1990
Michael Klinkhamer, ‘Het geluid van Jan Akkerman. ‘Ik hoor te veel gevoelloze ellende’’, Villa d’Arte, juni 2010