In het eerste artikel over Supersister, vorige week, heb ik verteld over de tas van manager Dick Zwikker die vol knipsels zat. Zoals je dat wel meer ziet bij dat soort herinneringen, veel ervan waren niet gedateerd. Ook was lang niet altijd aangegeven uit welke kranten of tijdschriften ze afkomstig waren. Dat is jammer natuurlijk, maar alles bij elkaar gaven ze samen wel een authentiek verhaal van de geschiedenis van de Haagse groep.
   Ria Broersen en Dick Zwikker leerden elkaar in 1971 kennen bij een concert van Supersister in haar woonplaats Katwijk. Ria groeide op in Zijdewind (Schagen N-H). Op haar 11de begon haar vader een tuinbouwbedrijf in Marknesse (Noordoostpolder), waar zij naar de MULO ging. Als jong meisje hoorde Ria op radio Luxemburg de muziek van Elvis, Cliff en de Everly Brothers. Haar kleuterleidster-opleiding deed ze in Enschede en als hoofdleidster werkte zij in Emmeloord, in het Duitse Velbert (bij Essen), even au-pair in Parijs en tenslotte jaren in Katwijk.

De popmuziek leerde Ria pas goed waarderen toen ze de manager van Supersister leerde kennen. Dat was tijdens een concert in Cleyn Duin (Katwijk) waar de Hagenaars optraden. Zij kwamen rechtstreeks uit Duitsland terug van een overbeladen programma. Zo kon het gebeuren dat zanger en toetsenman Robert-Jan Stips oververmoeid letterlijk in elkaar zakte tijdens het optreden. Het werd daardoor een bijzondere avond. Later informeerde Zwikker bij de sportzaal naar Ria’s telefoonnummer. Samen bezochten ze een free popconcert in het Amsterdamse Bos, waar ze verliefd werden. In 1972 trouwden Ria en Dick.
   De vader van Dick Zwikker was afkomstig uit Zaandam, waar hij bij Verkade werkte. Toen hij directeur van de vestiging in Rotterdam werd ging hij in Den Haag wonen recht tegenover het Grotius Lyceum, de school waar de leden van Supersister gestimuleerd werden om muziek te maken. Daar maakten zij contact met hun ‘overbuurman’, die economie in Rotterdam studeerde. Al gauw regelde Dick de apparatuur en verzorgde de financiële rompslomp. Supersister werd een uit de hand gelopen hobby van wat begon als een schoolbandje. Voor Dick ook een ideale smoes om van huis te zijn.
   Aan het eind van de jaren zestig was Dick Zwikker samen met Ton Maas de auteur van een voor die tijd nogal lijvig boekje over de popmuziek dat in 1970 door Bert Bakker in Den Haag werd uitgegeven. Met daarin een heleboel verzamelde gegevens en knipsels over oude sterren als Buddy Holly en Little Richard en nieuwe acts als Love, Velvet Underground, Boz Scaggs, Richie Havens, Soft Machine, Jimi Hendrix, Moby Grape, Bob Dylan, Pearls Before Swine, Mothers of Invention, Jefferson Airplane en de Who. In grote letters was voorin afgedrukt: “People try to put us down, talkin’ about my generation”. Het boekje was getiteld ‘Stop. Hey what’s that sound?’ en begon met de volledige tekst van ‘For what it’s worth’, de song die Steve Stills voor zijn groep Buffalo Springfield geschreven had.
   Ria: “De eerste avond dat Dick bij me op bezoek kwam, had hij het album ‘Retrospective, the best of Buffalo Springfield’ met het nummer ‘Stop. Hey what’s that sound?’ bij zich. Thuis in Katwijk werd er veel naar elpees van popgroepen geluisterd”.
 

Omslag plakboek van Dick Zwikker

 

Pudding en gisteren

 
In de tijd dat Ria en Dick Zwikker elkaar leerden kennen had Supersister het al helemaal gemaakt. Behalve ‘She was naked’ (1970) was ook de single ‘A girl named you’ populair bij de Veronica-deejays. Maar als je van Supersister hield, luisterde je vooral naar hun veelgeprezen albums ‘Present from Nancy’ en ‘To the highest bidder’, die in bijzondere hoezen op de markt gebracht werden. Het leek erop dat een ware internationale doorbraak niet ver weg was. Daar werd ook op ingezet door alle betrokkenen. Den Haag, Nederland, moest de springplank zijn voor meer.
   Maar hoe nu verder? Wat viel er in Nederland nog te bereiken? Gewone concerten in jongerencentra waren geen probleem. Supersister kon, lijkt het, tegen een goeie gage optreden zoveel als de groep maar wilde.
   Bij het doorlezen van de knipsels viel me op dat een recensent van ‘Present from Nancy’ schreef: “Hoogtepunt vinden wij het bijna tien minuten durende ‘Memories are new’, een ritmisch rijk geschakeerd nummer dat besloten wordt met een prachtig balletachtig muziekje”.
   De tekst van ‘She was naked’ bracht een ander fenomeen aan het licht: “She looked like an instant pudding. [...] We dream of pin-up purchase, reveal philosophies like instant pudding”.
 
Begin 1972 kwam naar buiten dat het volgende project van Supersister heel bijzonder was. De groep zou gaan optreden samen met het Nederlands Dans Theater. De première was op 3 maart in het Scheveningse Circustheater. In de Haagsche Courant werd daarbij aangekondigd: “De popgroep Supersister was oorspronkelijk het huisorkest van het Grotius Lyceum, kreeg groot succes in ons land en daarbuiten en maakt muziek, die door mensen met de meest uiteenlopende smaken wordt gewaardeerd. De Haagse kunstschilder Walter Nobbe ontwierp het decor en de costuums voor het ballet”.
 


Binnenkant klaphoes 'Pudding en Gisteren'

 
In een begeleidend artikel schreef Yvonne Parre op 29 februari: “De uitkomst van de optelsom levende popmuziek, dans en aankleding heeft voor Frans Vervenne (26), danser/choreograaf van het Nederlands Dans Theater, een amusementsprogramma annex kijkspel. Zijn deze week in première te brengen ‘Pudding en Gisteren’, de derde choreografie van Vervenne, ditmaal ontstaan in opdracht van [het ministerie van] CRM, zou zonder popgroep Supersister en ontwerper-kunstschilder Walter Nobbe nimmer een dergelijke gestalte hebben gekregen.
  De combinatie levende popmuziek en ballet is in ons land nooit gebruikt, al worden banden met bijzondere Byrds- en Stones-opnamen al geruime tijd in de danswereld gebruikt. Vervenne vindt een dergelijk samengaan geen waagstuk – ‘Je kunt natuurlijk nooit zeggen hoe het over zal komen’ – eerder een gelukkige combinatie, die in de toekomst meer aandacht moet krijgen.
  Aan popgroep Supersister, maker van twee elpees en enkele singles zal dat niet liggen. De Haagse formatie met Robert-Jan Stips (piano/orgel/zang), Sacha van Geest (fluit en andere blaasinstrumenten), Ron van Eck (basgitaar) en Marco Vrolijk (slagwerk) vindt deze muzikale speelruimte een extra kick en een grote uitdaging.
  Een uitdaging om concessies te doen binnen een nieuwe samenwerking, die wat Supersister betreft meer mag voorkomen. Veel heeft Supersister voor een dergelijk optreden niet hoeven veranderen. Het gebeuren van 25 minuten beslaat dan ook één kant van een spoedig uit te brengen elpee.
  Met een titel als ‘Pudding en Gisteren’ voor ogen is het woord jeugdsentiment onvermijdelijk. Is maker Vervenne uitgegaan van grillen uit het verleden?
  Frans Vervenne: ‘Door middel van de dingen, die je kent, geef je vorm aan iets. Het resultaat heeft echter niets met het verleden te maken, maar is iets nieuws. Het ballet is ontstaan in voortdurend overleg. De emotie was de leidraad, de manier waarop die wordt uitgebeeld is de slotsom van de onderlinge samenwerking met de zeven uitvoerenden, de muziek en aankleding’.
  Levende pop bij het ballet kan een nieuw publiek opleveren, dat tot nu toe het Danstheater niet kende. Heeft Vervenne met die gedachte om tot dit ballet te komen gespeeld?
  ‘Niet erg, want de commerciële kant laat ik aan de zakelijke leiding over. Het zou natuurlijk verheugend zijn als het gebeurt. Ik had gewoon al heel lang het plan in mijn hoofd om een livegroep bij het gebeuren te betrekken. Toen ik de elpee ‘To the highest bidder’ van Supersister hoorde, was ik verrukt. Ik wist nagenoeg niets van de groep af, maar ik merkte die verschillende atmosferen, tempi- en ritmewisselingen. De flexibiliteit sprak me enorm aan en ik vond daarom Supersister aangewezen om ideeën mee uit te wisselen. Met als resultaat dit project, waarin de relatie tussen muziek en beweging voortdurend aanwezig is’.
  Ook visueel is die relatie duidelijk. Vervenne ontwierp onder andere een pas de deux van bassist Ron van Eck en danseres Yteke Waterbolk.
  Terug naar de basis van ‘Pudding en Gisteren’, overigens is die pudding zichtbaar op het toneel aanwezig – Vervenne: ‘Een vorm van machteloosheid, die je het best uit kunt beelden in eten. Pudding betekent voor mij het allerlekkerste en geeft dat gevoel van zwelgen’.
  Over dat grond idee: ‘De wijze van ontstaan lijkt veel op de gedachten waarop John Lennon zijn ‘Imagine’ (Lennons nieuwste lp waarin hij zich uitspreekt over jeugdgebeurtenissen) baseerde. Alleen gebeurt het hier niet met woorden, maar bewegingen, die door een nieuw soort muziek een nieuwe vorm van ballet maken’”.
  Het album ‘Pudding en Gisteren’ was opnieuw een succes. De single ‘Radio’ werd een top 40-hit. Het project werd tevens uitgevoerd als onderdeel van het deftige Holland Festival met klassieke muziek. In zijn recensie schreef een journalist in de kop: ‘Popaanval op Holland Festival’.
 

Hans de Vente over Supersister: “Van Bach tot Beatles”

 
Op 25 oktober 1972 nam Hans de Vente in muziekkrant Oor het complete oeuvre tot dan toe van de Haagse groep onder de loupe. Hij begon met twee jaar terug te kijken.
   “Toen ik, het zal zo ongeveer half 1970 zijn geweest, de eerste plaat van Supersister hoorde, ging er wel even een schok door me heen. Dat dit soort muziek in Nederland gemaakt werd, moest ik even verwerken. Ik had net een voor mij teleurstellend concert van de Soft Machine gezien, waarvan ik vooral de eerste LP erg pruimde, maar live, nou nee hoor. Broodje moeilijk voor een eenvoudige popliefhebber. Maar toen ineens hoorde ik ‘Present from Nancy’. Ik de volgende dag met 13,50 in de knuistjes naar de platenboer, waar hij al uitverkocht bleek. Nou, en dat was natuurlijk helemaal te gek.
   Allereerst een Nederpop plaat die ik graag wilde hebben, en dan meteen uitverkocht. Maar toen ik hem had, begon de ellende pas goed. Dagenlang Supersister, bij het opstaan, onder het pissen, tijdens het eten, bij het naar bed gaan. En ik maar proberen de zenuwedrummer bij te houden. Allejezus, wat was die vent snel.
   Maar alle gekheid op een stokje – na een week kon ik de plaat natuurlijk wel dromen, en verdween hij in de kast, vervangen door nieuwe liefdes. En toch, je blijft er bij terug komen. Want wat Robert-Jan Stips, Ron van Eck, Sacha van Geest en Marco Vrolijk onder de bezielende leiding van producer Hans van Oosterhout op de plaat zetten, was voorwaar geen kattepis. [...]
   Toen kwam er een hele tijd niks, plaatsgewijs dan natuurlijk, de boys traden lekker op (Piknik, Paradiso etc.) en een jaar later was daar in eens, in weer zo’n mooie hoes ‘To the highest bidder’.
   Allereerst waren de instrumentals nog belangrijker geworden en bevatte de plaat maar drie nummers van respectievelijk 16.20, 10.50 en 7.20 met nog een kleintje van 2.56. Een van de mooiste nummers, ooit door Supersister gemaakt, het ook verkort op single uitgebracht ‘A girl named you’, hier 10 minuten van onvervalst swingplezier. Want alhoewel hun muziek sommigen erg clean en uitgerekend in de oren klinkt, bij mij is het primair swingen geblazen. Ook hier weer Pink Floyd-achtige sfeermuziek in nummers als ‘No tree will grow’ en vooral het 16 minuten lange ‘Energy’. [...]
   En dan hun laatste, vrij onlangs verschenen plaat, met aan de ene kant ‘Pudding en Gisteren’, naar de eerste mop, die je als jongen zo’n beetje hoorde. Hierin werd hun instrumentale conceptie het verst doorgevoerd. Alle soorten muziek vind je hierin terug, van Bach tot Beatles, zal ik maar zeggen. Overgoten met het direkt herkenbare Supersister geluid.
   Maar kant één, is voor mij de emmer geweest die de druppel deed overlopen. Naast ‘Radio’, het waanzinnige nummer, wat ook op single een groot succes werd, en ‘Psychopath’, met een erg sterke, haast dichterlijke tekst, valt vooral op het hoorspel voor de geest ‘Judy goes on holiday’. Nou, dat is me de vakantie wel geweest van Judy, zo te horen, prachtig stereo en als je denkt dat het afgelopen is, volgt er meer dan een minuut stilte, en dan volgt er een, op de hoes niet aangekondigd, perfekt stukje vijftiger jaren muziek maar dat gaat dan wel tot in de uitloopgroef eeuwig door. Prachtig allemaal.
   Je hoeft van mij niet te veel Nederlandse groepen te hebben, hoor wat van Solution, de Tortilla-plaat, Taxfree en hooguit nog twee of drie maar een Supersisterplaat mag zeker niet ontbreken”.
 

Het intelligente nummer

 


De LP met het 'intellligente nummer'

 
Aan het einde van het artikel over de Haagse groep had De Vente nog een tip: “Voor diegenen die nog niets van de groep hebben, en kontinue pijn in de beurs hebben, raad ik aan de plaat in de goedkope Superstarshine-serie aan. Eigenlijk zou de doorgewinterde Supersister-freak hem ook moeten hebben, want er staan weinig doublures op, maar wel het prachtige ‘Wow’. Heerlijke muziek”.
   Terecht wees de Oor-journalist op ‘Wow’. Met dat liedje had de groep misschien wel het meeste succes tijdens de optredens. ‘Wow’ werd bekend als het ‘intelligente nummer’. ‘Wow’ was Supersister, vind ik [HK], ten voeten uit. Een heleboel muziek die de groep bracht zat nogal ingewikkeld in elkaar. Niet voor niets maakten recensenten steeds een vergelijking met Britse groepen die het hun gehoor niet makkelijk maakten. Supersister onderscheidde zich van zijn Engelse collega’s op één duidelijke manier – door zijn humor en gevoel voor relativiteit. Dat kwam steeds terug, bij ‘She was naked’, bij het idee van ‘Pudding en Gisteren’, bij de uitloopgroef van het gelijknamige album en in het algemeen zoals Supersister zich op het toneel en in de contacten met de media presenteerde.
   Tijdens een uitzending van de VPRO-televisie in 2010 keek Robert-Jan Stips glimlachend en op zijn manier terug naar de jaren 1970-1973. “Wij waren een rare groep, nogal eigenwijs. Soms moesten we dat ook bekopen, maar dat hadden we er ook wel voor over. Omdat we net even wat andere muziek maakten werden we al heel snel in een hoekje gedouwd van een intelligente band. Wij hadden vooral zelf het vermoeden dat het kwam omdat drie van ons een bril droegen”.
   ‘Intelligente band’ was geen compliment hoorde hij, in de kringen waar die uitdrukking werd gebruikt.
   Stips bleef glimlachen. “Nou ja. Het swingt natuurlijk niet echt. Aan de andere kant was het toch een compliment. We wilden wel net even wat andere muziek maken dan de rest. Dat lukte dus ook en dan krijg je dat soort reacties. Onze reactie daarop was weer dat we ‘het intelligente nummer’ hadden gemaakt en dat had als tekst: ‘Wow... wow... en nog eens wow’”.
   Het album van Supersister in de serie “Superstarshine’ van platenmaatschappij Polydor verkocht vanwege een live-uitvoering van ‘het intelligente nummer’ zo ongeveer evenveel exemplaren als de drie ‘gewone’ albums van de groep bij elkaar!
 

Grote veranderingen bij Supersister

 
In een Supersister-biografie op het internet schreef Paul Lemmens: “‘Pudding en Gisteren was een prachtige plaat, misschien wel de mooiste of beste van Supersister. Dat vonden niet alleen de fans, maar dat vond ook de jury van de Edison Awards. Ging de Edison voor ‘To the Highest Bidder’ hun neus net voorbij, deze was verdiend. Alhoewel de band in de peroon van Robert-Jan er iets anders over dacht. Supersister weigerde te belanden in de hoek van gerenommeerde prijswinnaars.
   Het ‘protest’ vond plaats op de TV. Tijdens de uitreiking door de gerespecteerde presentator Willem Duys liet Robert-Jan de prijs, een zwaar beeldje, bijna op de voet van Duys vallen. En in plaats van het verwachte lied ‘Radio’ speelden ze de doo-wop pastiche-song ‘Ooh wee I Love You Baby’. Met Robert-Jan op bordkartonnen-orgel... Menigeen moest zich verbijsterd hebben afgevraagd waarom deze groep een Edison ontving. De ‘echte’ fans hebben vermoedelijk vreselijk gelachen.
   Na de plaat volgde natuurlijk een toernee. De groep was behoorlijk populair en de aanhang leek groeiend. Op [9 en] 10 maart 1973 vond er een groot muziekspektakel plaats in de Vliegermolen in Voorburg. De lijst van bands die er stonden was lang, en indrukwekkend: Eagles, Slade, Rod Stewart, Colin Blunstone, Rory Gallagher, Ry Cooder, Chi Coltrane en als afsluiter The Who. Tussen al die buitenlandse acts de Nederlandse Livin’ Blues, Kaz Lux en Supersister.
   Supersister zorgde opnieuw voor ophef. Toen het hun beurt was speelden ze een heel klein stuk van ‘Pudding en Gisteren’ en verlieten vervolgens zonder verdere aankondiging het podium. De aktie kwam breed in de (pop)-pers. De groep was boos op met name Chi Coltrane. Chi had niet alleen haar repetitietijd, maar ook die van Supersister gebruikt. Supersister kon naar eigen zeggen geen goed geluid neerzetten en verliet dus voortijdig het podium. De voorstelling was [een week later] op tv te volgen en duurde [bijna] een hele avond.
   In 1973 kwam opnieuw een single uit in de hoop net zo succesvol te worden als ‘Radio’. Er was gekozen voor ‘Wow’ (studio versie) / ‘Drs. D’ [opgedragen aan manager drs. Dick Zwikker]. Het plaatje bleef totaal onopgemerkt”.
 

 
Uit de woorden van Lemmens zou je kunnen opmaken dat er bij Supersister iets aan de hand was. Dat was ook zo. Per 1 augustus 1973 kwam er een einde aan de samenwerking tussen de vier popmuzikanten. Drummer Marco Vrolijk en fluitist Sacha van Geest verdwenen uit de groep.
   Barend Toet legde op 15 juli in Oor uit wat zich in de Nederlandse popwereld afspeelde:
   “De oudere generatie Nederlandse popgroepen zijn vrijwel allemaal in een beslissende fase van hun bestaan terecht gekomen. Veel van de muzikanten in deze groepen hebben het amateuristiese stadium definitief achter zich gelaten. Het gevolg daarvan is een sterke bewustwording ten opzichte van hun muziek en de manier waarop ze die aan het publiek willen brengen.
   Als Nederlanders hebben ze vrijwel allemaal te maken met een (te) klein werkterrein, Dat betekent dat ze veel moeten spelen om het hoofd boven water te houden, daardoor krijgen ze te weinig tijd om nieuwe ideeën op te doen, en daardoor raken ze op den duur uitgekeken op het eigen werk. De enige reële oplossing is vergroting van de markt, dat betekent buitenlands sukses. Lukt zoiets, dan betekenen de grotere inkomsten een basis waarop goed en rustig verder gewerkt kan worden.
   Lukt ’t echter niet of gedeeltelijk, dan verandert er niets en wordt de groep nog zwaarder op de proef gesteld. Uit een gesprekje met George Kooymans [in een eerdere Oor] kwam dat probleem duidelijk naar voren. En ook in de meest recente ontwikkelingen in Supersister speelt deze problematiek een grote rol.
   Zoals wij reeds meldden valt Supersister in haar huidige bestaan per 1 augustus a.s. uiteen. Deze breuk is het gevolg van artistieke spanningen, die ontstonden doordat men te lang met dezelfde mensen hetzelfde repertoire had gespeeld. Ron van Eck en Robert-Jan Stips kwamen naar de burelen om uit te leggen wat er nu precies aan de hand is en wat er staat te gebeuren.
   ‘We hebben jaren in dezelfde groep gespeeld. We hebben een ontwikkeling doorgemaakt van een stel schooljongetjes, die hun zakgeld besteedden aan het kopen van apparatuur tot een gevestigd bedrijf. We hebben een belangrijke rol gespeeld in de doorbraak hier in Nederland van groepen die een muzikaler gezicht hebben dan de heavy groepen, die de scene beheersten toen wij begonnen.
   Nadat je zoveel jaar hebt samengewerkt is het moeilijk om met precies dezelfde mensen andere vormen van muziek te gaan exploiteren. We hadden het gevoel dat we met deze mensen aan het plafond zaten, en we wilden duidelijk andere elementen in onze muziek gaan invoeren. We speelden te gearrangeerd, te vastgelegd.
   Eigenlijk zat deze ontwikkeling er al heel lang in, maar het projekt ‘Pudding en Gisteren’ gaf zulke impulsen aan de groep, dat het hele proces daardoor een jaar is uitgesteld. Op een gegeven moment werd toch duidelijk dat wij de nieuwe stappen niet met Sacha en Marco konden realiseren. De direkte aanleiding was dan ook de voorbereiding voor de volgende elpee, waarvoor we materiaal hadden gespeeld, dat niet wilde klinken zoals wij het hadden bedoeld. Dat bracht uiteindelijk deze stap.
   Het ging overigens niet om de vakkennis van de jongens, maar meer om een persoonlijke inbreng, karakter in de smaak. Wij willen meer improvisatie erin brengen. Daarom weten we nu ook nog niet precies hoe onze nieuwe opstelling eruit zal zien of hoe de muziek zal gaan klinken. Dat hangt ook sterk af van de mensen, die erbij komen. Daarvoor hebben we nog ruimte in de muziek gelaten.
   Op dit moment kunnen we nog niet precies zeggen met wie we in zee zullen gaan. We staan open voor diverse mogelijkheden. Je zou kunnen zeggen dat de huidige situatie op een legpuzzel lijkt. De stukjes moeten nog in elkaar gepast worden.
   Overigens is het niet zo dat we teleurgesteld zijn met de recente gang van zaken. We hebben met deze groep vanuit een heel smalle basis alles bereikt wat mogelijk was. Die achtergrond sterkt ons in de toekomst. Omdat we nog niet precies weten wat we gaan doen, is het moeilijk om gedetailleerde plannen voor het najaar aan te geven. Maar er staat in september een plaat op stapel, die door Giorgio Gomelksky geproduceerd zal worden. We hebben al een optie op de studio. Maar verder wijst de weg zich eigenlijk vanzelf. We moeten met de nieuwe groep, die overigens gewoon Supersister blijft heten, nog helemaal groeien naar de dingen, die we nu in ons hoofd hebben’”.
 

Iskander

 


Nieuwe Supersister: Herman van Boeyen, Charley Mariano, Robert-Jan Stips, Ron van Eck

 
Het uiteenvallen had ongetwijfeld nogal wat consequenties. De groep trad tijdelijk niet meer op, had dus nauwelijks of geen inkomsten. Maar wel kostbare apparatuur die waarschijnlijk nog gedeeltelijk afbetaald moest worden. Het was dus zaak om snel vervangers voor Sacha en Marco te vinden. De Amsterdammer Herman van Boeyen kwam achter het drumstel terecht. De Amerikaanse jazzmusicus Charley Mariano (1923-2009) werd de nieuwe blazer. Hij kwam uit een volstrekt andere muzikale cultuur en was een kwart eeuw ouder dan Robert-Jan, Ron en Herman. Mariano had al een heel leven achter zich.
   Fred van Wijnen reisde naar Zierikzee waar de nieuwe Supersister repeteerde en zich voorbereidde op de nabije toekomst. De popjournalist liet op 16 augustus in het Algemeen Dagblad afdrukken: “Qua leeftijd had Charley Mariano gemakkelijk de vader van het Nederlandse drietal Robert-Jan Stips (23), Ron van Eck (23) en Herman van Boeyen (24) kunnen zijn. In muzikale ervaring ligt hij een straatlengte voor.
   De bereisde Amerikaanse saxofonist en fluitist trad in de laatste twintig jaar met alle goden van de jazz overal ter wereld op. Daarnaast dicteerde hij zes jaar muziek aan het befaamde Berkeley-muziekinstituut in de Amerikaanse stad Boston.
   De enige die echter nauwelijks onder de indruk is van deze onmiskenbare verschillen en wapenfeiten, is Charley Mariano zelf. Over zijn toetreding tot Supersister vertelt hij met een zachte, innemende stem: ‘Waarom zou ik niet met hen kunnen samenspelen? Het zijn jonge creatieve mensen, daar speel ik veel liever mee dan met oudere, zogenaamde sterren. Die zijn vaak zo afgezaagd’. Onthutsend onschuldig voegt hij er aan toe: ‘Man, we hebben bovendien plezier met elkaar. Nou, wat is er mooier dan dat!’
   In tegenstelling tot wat wantrouwige jazzkenners al snel veronderstellen, blijkt Mariano geen uitgebreide, door drugs of alcohol verteerde jazz-ster. Integendeel, hij lijkt een vitaal, dicht bij de natuur levend mens. Hij vertelt dat hij wel Italiaanse voorouders heeft maar dat hij zelf is opgevoed in Boston.
   ‘Daar speelde ik tot mijn dertigste in kleine jazzclubs. Toen kreeg ik dat aanbod om in de band van Stan Kenton te komen. Ik heb daar drie jaar in meegedraaid, en ben toen naar Shelly Manne overgestapt. Dat was een fantastische drummer, en we hebben drie of vier platen gemaakt. Maar in Los Angeles kon ik mijn draai niet vinden’.
   Charley Mariano heeft vijf kinderen ‘verdeeld over drie huwelijken’. Met een van die vrouwen, de Japanse pianiste Toshiko Akiyoshi, vormde Charley zelfs enige tijd een bejubeld kwartet. Nadat hij zich ook van deze Japanse had laten scheiden, keerde hij terug naar Boston.
   ‘Ik ben ook een tijdje naar Maleisië uitgezonden door de Amerikaanse regering om daar het Radio Orkest te leiden. Later heb ik zangeres Astrud Gilberto op haar toernees door Japan begeleid. En twee jaar geleden speelde ik hier tijdens het Holland Festival mee in de band van fluitist Chris Hinze. Vandaar het contact met Nederland’.
   De jonge talentvolle musici van Supersister keken aanvankelijk wel even vreemd tegen deze befaamde Amerikaan aan. Robert-Jan Stips, de muzikale leider en organist van het nieuwe kwartet, zegt daarover: ‘Hij is nu eenmaal niet de eerste de beste. Maar de vroegere formatie was eigenlijk een schoolvriendjes-aangelegenheid. We zijn vanaf nu een professionele groep, die op muzikale gronden bij elkaar is. De samenwerking met Charley geeft ons alle vier een enorme stimulans.
   Bovendien is hij een doodgewone man, die zich in geen enkel opzicht als een ster laat gelden. Daar is hij allang overheen’”.
   Van het voormalige ‘schoolbandje’ was weinig meer over. Mede door de komst van Charley Mariano en producer Giorgio Gomelsky richten de nog overgebleven twee Hagenaars zich nu op de buitenlandse markt. Behalve Sacha en Marco verdween ook producer Hans van Oosterhout achter de horizon. Gomelsky (geb. 1934) had zich evenals Mariano eerst in de jazz gemanifesteerd, maar was in de jaren zestig betrokken bij de carrière van de Stones, Yardbirds, Julie Driscoll & Brian Auger, Soft Machine, Alexis Korner en Rod Stewart.
 


Giorgio Gomelsky

 
Begin oktober 1973 was Supersister klaar om zich te presenteren. Niet in Den Haag, maar in het Amsterdamse Paradiso. Elly de Waard, die de groep eerder geprezen had, keek en luisterde. Hoge bomen vangen veel wind. De Waard gunde de groep in nieuwe samenstelling niet het voordeel van de twijfel. Haar recensie in de Volkskrant was behoorlijk vernietigend.
   “Vrijdagavond presenteerde Supersister zich in zijn nieuwe samenstelling in Paradiso, met voor het merendeel nieuw werk van de komende elpee ‘Iskander’. Sacha van Geest is vervangen door Charley Mariano, die wat meer blaasinstrumenten beheert, en Marco Vrolijk door Herman van Boeyen, een soepele drummer, maar Marco mocht er ook altijd best wezen.
   Supersister opende met twee ‘oudere’ werkstukken, ‘Judy goes on holiday’ en ‘Pudding en Gisteren’ en technisch werden deze nummers nu wat complexer uitgevoerd (het lijkt wel alsof instrumentale vooruitgang de meest in het oog lopende trend is onder de Nederlandse groepen). Een aantal op de plaat aanwezige dode stukken was nu weggewerkt, hoewel er ook nog wel degelijk een aantal gebleven waren, met name in de lyrische stukken. De wat etherisch klinkende duetten tussen piano en fluit waren bijvoorbeeld vrij vervelend. Dat was jammer, want zo werd het tempo van een heel nummer ontregeld. Ook het pianostuk van Stips aan het einde van ‘Pudding en Gisteren’ miste alle flair van de valse romantiek die op de plaat zo aardig overkomt.
   De rest van het optreden werd gevuld met werk van ‘Iskander’ en het is natuurlijk moeilijk om daar zonder het nog op de plaat gehoord te hebben al een definitieve beoordeling van te geven. ‘Iskander’ lijkt een soort concept-elpee, waarvan de leidraad het verhaal over de veroveringstochten van Alexander de Grote is. Het oprukken van de troepen en wat er tenslotte met Alexanders leger in India gebeurde, waren voortdurend door de muziek heen te horen en op zich heb ik er al een bezwaar tegen dat muziek een al te illustratief karakter draagt. Alsof het ’t van ’n verhaaltje moet hebben in plaats van zichzelf.
   Bovendien: als er dan toch een krijgshaftig onderwerp gevonden moest worden, waarom dan niet iets dat dichter bij huis ligt, zoals de Amerikaanse troepen, die zich nu in het Verre Oosten bevinden, of de Nederlandse, die onlangs nog in Nieuw-Guinea waren? Dat ‘Pudding en Gisteren’ muziek voor een ballet was, wijst er trouwens al op dat dit toegepaste karakter van de muziek van Supersister niet alleen van vandaag is.
   ‘Babylon’, het nummer ‘Alexander’ zelf en wat er nog meer van de elpee te horen werd gebracht, waren zonder twijfel, vooral ritmisch, complexer dan wat Supersister ooit eerder liet horen, maar omdat met die gewone complexiteit zo op het oog niets méér gedaan werd, droeg het geheel een nogal kil en cerebraal karakter. De dynamische delen bevielen mij het beste, maar ook hier waren de ‘gevoeliger’ stukken tamelijk oninteressant.
   Daarbij kwam nog dat de direct elektrisch versterkte fluit lelijk van toon was en dat het ‘verhaal’ zich voortdurend hinderlijk opdrong (de basklarinet wekte bijvoorbeeld de indruk dat er een treurige koe aan het woord was en dat soort dingen).
   Het is te hopen dat het komende album van Supersister beter is en dat de optredens, waarin dit nieuwe werk wordt uitgevoerd, nog zullen groeien en vooral ook dat ze korter en meer ter zake zullen worden”.
 


Advertentie Iskander

 
Als je leest wat Robert-Jan er op zijn eigen website [in het Engels] over geschreven heeft, lijkt het erop dat hij de regie over Supersister uit handen had gegeven, in de hoop op internationaal succes.
   “The new band took off for England to the by then famous Manor Studio’s, where they met with producer Georgio Gomelsky and engineer Simon Heyworth to record the fourth Supersister album: ‘Iskander’. Expectations were high, again, especially now with the forced renewal and ‘bigger’ names involved, Charley Mariano being a living legend in the world of jazz, while Giorgio Gomelsky was a well-respected producer, from his work with a.o. the early Rolling Stones, artists like Julie Driscoll and Brian Auger (This Wheel’s on Fire) and the direct connection between him and Supersister: the French group ‘Magma’, the totally unique group with their own language and musical approach, designed by drummer Christian Vander.
   The atmosphere was different from the earlier recordings with the idea of a conceptual album, the change of style, with more visions and opinions than before while recording, made Robert Jan’s position less that of a natural, intuitive musical leader. Until then, for instance he had always considered his singing as a neutral addition to the music of Supersister, not approaching his vocal parts pretending to be a singer, but more that of one of the instruments used to reach the right and typical balance and radiation of Supersister music.
   This time everything was much more serious and before recording quite some discussions were held, which didn’t improve the atmosphere for spontaneous flashes or relativating additions. So it happened for instance that when recording the vocal of ‘Bagoas’, Giorgio Gomelsky had a totally different view on how the vocal should sound and be sung, very different from what RJ had in mind – GG was convinced that it really should be ‘sung’ anyway much stronger than the mean whisper/talking effect RJ was after, considering the atmosphere of and story behind song and lyrics. RJ felt the typical Supersister ingredients of experimenting and do-it–your-very-own-but-special-way were about to be replaced by the more ‘normal’ and ‘proven-to-be-right’ manner of working. By the time this ‘Bagoas’ discussion reached its heights, RJ felt he was about to loose his artistic reason for being there, felt that this was not going to be a true Supersister record this way. At a certain moment he couldn’t keep it up anymore, left the studio and locked himself up in his room, crying from anger and regret”.
   Supersister was Supersister niet meer, zou je kunnen zeggen.
 

Op weg naar het einde

 
De groep van Robert-Jan Stips leek van de regen in de drup te komen. Zo snel als Supersister in populariteit omhoog geklommen was, zo snel daalde die ook weer. Bovendien raakte het busje van de band verwikkeld in een verkeersongeluk. “De Amerikaanse fluitist Charley Mariano moet nu bij optredens op een stoel zitten vanwege enkele kneuzingen. De installatie kunnen ze afschrijven, maar de optredens gaan gewoon door”.
   Supersister was een bedrijf geworden. Zakelijke belangen stonden op het spel. De groep stond nu eenmaal geboekt. Maar hoe dan ook, kort na het ongeluk liet Mariano de groep voor wat die was.
   Stips was, denk ik, genoodzaakt om een positieve draai en zijn ervaringen te geven. Een half jaar later legde hij aan Barend Toet uit: “Charley is het prototype van een levensgenieter. Dat ie het nog een half jaar bij ons heeft volgehouden, bewijst voor iemand die hem kent, dat hij zeer gemotiveerd was voor zijn doen. Hij heeft z’n vrijheid nodig en heeft zich niet gerealiseerd wat het hem zou kosten om vast in een groep te spelen. Hij was geïnteresseerd in onze muziek, maar zag over het hoofd dat dat een bepaald soort binding opleverde. In dat dilemma heeft hij voor z’n vrijheid gekozen. Maar ik heb ’t ontzettend fijn gevonden om met ’m samen te spelen. Ergens had ik al in m’n achterhoofd toe ie kwam, dat ’t een wereldwonder zou zijn als ie bleef”.
 


John Schuursma

 
Hoe dan ook, Supersister zat opnieuw zonder blazer. Gitarist John Schuursma toonde zich echter bereid tijdelijk met de groep het land door trekken. Zijn bijdrage bleek verrassend goed uit te pakken, als je tenminste afgaat op de recensies in de kranten. Zoals die van Peter Stribos in de Limburger van 15 januari 1974 over het concert in Weert.
   “In een meer dan bomvol ‘Subway’ trad Supersister op. Een Supersister zonder Charley Mariano, de Amerikaanse blazer, maar met invaller John Schuursma op gitaar. Mariano heeft Supersister verlaten omdat hij, zoals zovele jazzrotten, het niet langer dan een paar maanden uithoudt in een groep en in een land als Nederland. Het gemis van een blazer werd voor zover mogelijk zonder meer fantastisch opgevangen door John Schuursma, de oude Rob Hoeke en Brainbox-gitarist die tijdelijk invalt.
   Supersister’s muziek is geschreven voor sax en fluit, zodat het muzikale gezicht van de groep totaal verloren ging. Op basis van de Supersister-thema’s werd er gewoon lekker maar vaak erg eenvoudig gejamd. Vooral drummer Herman van Boeyen en John Schuursma maakten een zeer vakkundige indruk. Organist Robert-Jan Stips hield zich een beetje op de achtergrond.
   Hun optreden met ‘Bagoas’, het nummer dat nog het meest leek op het oude Supersister-geluid ‘Judy goes on holiday’ en deel één van hun nieuwe elpee ‘Iskander’ werden swingende hard-rock-stukken. Duidelijk geen Supersister-muziek. Na de pauze nog twee vrij korte nummers van ‘Iskander’ en tot slot een improvisatie op een thema van bassist Ron van Eck.
   Het publiek dat vooral na de uitstekende drumsolo van Boeyen zeer enthousiast werd vroeg tweemaal om een toegift waaruit hun waardering bleek voor de groep in deze noodbezetting. En de formatie had er wel zin in. Ze gaven nog twee ter plaatse verzonnen toegiften.
   De groep zoekt een nieuwe blazer, want de opzet van hun muziek is nu eenmaal zo. Het zou geweldig zijn als Supersister er in slaagde een gitarist van het kaliber John Schuursma in te passen. John heeft echter een eigen groep (The Third Eye) waarmee hij over enkele weken weer op pad gaat. Het is te hopen dat Supersister dan een blazer gevonden heeft”.
 
Supersister wist Elton Dean (1945-2006) te strikken. Dat was niet de eerste de beste. Hij had in de Soft Machine gespeeld. Een nieuwe popzanger, Reg Dwight, was zo’n bewonderaar van Dean dat hij diens voornaam, Elton, overnam om zich Elton John te kunnen noemen.
   Op het Rembrandtsplein in Amsterdam vertelde de blazer, in gezelschap van Stips, bij een Iers biertje aan Barend Toet: “Supersister is één van de bands waarin ik speel. Niet de enige. Ik speel het liefste in Londen. Daar is mijn scene, daar speel ik met Keith Tippett, Mike Charig en Nick Evans in allerlei groepen. Maar er is geen werk op het moment in Engeland. Hier wel. Sinds ik uit de Soft Machine ben, heb ik besloten met zoveel mogelijk mensen te spelen. Dat is goed voor je, houdt je alert”.
   Aan het einde van het artikel schreef Barend: “Supersister is op dit moment een trio – een zeer gemotiveerd trio [Stips, Van Eck, Van Boeyen] – met een solist blazer, die daarnaast andere dingen wil blijven doen. Dat is een doorgangsfase. maar lijkt geen eindpunt. Een eindpunt zou zijn een vast kwartet met een meer betrokken solist. Dat zou wellicht Elton Dean kunnen worden, hoewel zijn banden met z’n vaderland een sterke rem betekenen.
   Wat zou Robert-Jan ervan vinden om een vaste man erbij te krijgen?
   ‘Dat zou te gek zijn!’.
   Hetgeen toch wel boekdelen spreekt”.
   Op de erbij geplaatste foto keek Robert-Jan Stips niet zo vrolijk als we van hem gewend waren.
  


Robert Jan Stips in Oor

 
De samenwerking met Elton Dean was van korte duur. Binnen een paar maanden kwam er een einde aan het bestaan van Supersister. Herman van Boeyen stapte over naar Red, White & Blue, de nieuwe groep van Harry ‘Cuby’ Muskee en Eelco Gelling. Elton Dean ging bij Georgie Fame spelen. Ron van Eck pakte zijn studie architectuur weer op. Robert-Jan Stips ging met de Golden Earring op toernee door Engeland en de VS.
 

Het vervolg in het kort

 
Ria Zwikker vertelde me dat Dick als tourmanager een jaar samenwerkte met Giorgio Gomelsky, die zich vanuit Parijs als manager van de groep Magma manifesteerde. Daarna was hij korte tijd werkzaam bij Harlekijn, de organisatie van Herman van Veen. Vervolgens werd Dick leraar economie op een middelbare school. Met hart en ziel bleef hij echter met de muziekwereld verbonden, bijvoorbeeld als bestuurslid van de Stichting Popmuziek Nederland. Daarnaast verdiepte Dick zich in royalty-zaken. Mede om de rechten van Supersister goed te kunnen behartigen richtte hij SOSS Music op.
   Meer en meer verzorgde Dick bovendien administratie en belastingaangiften in de artiesten/muziekwereld, onder anderen voor Bart Chabot en Cesar Zuiderwijk. ‘De Goede Raad’ was een overlegorgaan op dit specifieke terrein. In 1999, het jaar van zijn overlijden, had Dick besloten de school vaarwel te zeggen en zich weer volledig op activiteiten in de popmuziek toe te leggen. Dat is er niet meer van gekomen.
   Zwikker bleef ook concerten organiseren. Vanuit Parijs haalde Dick zangeres Nico (Christa Päffgen, 1938-1988), voormalig lid van de Velvet Underground, voor drie concerten naar Nederland.
   Ria hield zich meestal op de achtergrond, zij had haar eigen werk. Maar deze keer was ze erbij en haalde zij Nico, die toen in haar zwarte periode verkeerde, met haar harmonium van het station op in haar piepkleine Fiat 500. Ria keek haar ogen uit hoe de Duitse artieste binnen de kortste keren door leden van de jetset omringd en al snel door hen vervoerd werd. Maar ook hoe Nico in alle rust twee keer een uur te laat kwam en dan in bekakt Engels bij aankomst de ene keer vroeg “Can I have a glass of white wine?” en de andere keer “Can I have a grog?” En dat werd door de organisatoren te voorschijn getoverd alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
 


Ria Zwikker, november 2013

 
Bij het overlijden van Dick Zwikker kwam Supersister na 25 jaar weer bij elkaar in de succesvolle bezetting van weleer. De vier muzikanten, versterkt met Cesar Zuiderwijk, brachten met ‘She was naked’ en ‘Dona nobis pacem’ een ode aan hun manager. Datzelfde jaar kwam een uitnodiging van Progfest uit Los Angeles, wat volgens roadie Aad Link ‘daarboven door Dick’ geregeld was. Dat deed het oude elan weer opvlammen en er werd weer met succes gespeeld in Delft, Eindhoven, Paradiso en op Progfest.
   Binnen enkele jaren overleden echter zowel Sacha van Geest als Ron van Eck zodat de reünie geen blijvend karakter kon hebben. “Wij zitten qua leeftijd een beetje in de hoek waar de klappen al vallen”, met die woorden bracht Robert-Jan Stips het wegvallen op televisie onder woorden.
   Robert-Jan Stips treedt tegenwoordig vaak in zijn eentje op. Dat doet hij fantastisch, vind ik. Stips kent het hele repertoire uit zijn hoofd, je kunt ter plekke verzoeknummers indienen.
   Op 12 april van dit jaar speelde Stips in Voorschoten tijdens de uitvaart van mijn vriend John van Markwijk, biograaf van Rogier van Otterloo. Daarna reed hij voor een optreden door naar het oosten van het land. De volgende dag trof ik hem, samen met Marco Volijk, op de Megabeurs in Utrecht, voor de presentatie van het dubbelalbum ‘Long Live Supersister!’ (Pseudonym Records) met niet eerder uitgebracht Supersister materiaal uit de ‘goede tijd’. Vlotweg bracht hij ter plekke even ‘She was naked’ en ‘het intelligente nummertje’. Bijna honderd mensen stonden in de rij om de mooi-verpakte vinyl-schijven gesigneerd aan te schaffen.
 

 
Harry Knipschild
6 december 2013

Clips

* Buffalo Springfield. For what it's worth, 1968
Brian Auger, Julie Driscoll, Wheel's on Fire, 1968
* Supersister, Wow (het intelligente nummer), 1972
* Nico, Femme Fatale
* Interview met Robert-Jan Stips, Radio 10 Gold
* Robert-Jan Stips en Supersister, Eindhoven (VPRO), 2010
* Supersister, lancering Long Live Supersister!, april 2013


  
Literatuur
 
Dick Zwikker, Ton Maas, Stop. What’s that sound, Den Haag 1970
Yvonne Parre, Popgroep Supersister bij Nederlands Danstheater. Choreograaf Vervenne: Gelukkige combinatie’, Haagsche Courant, 29 februari 1972
Jos van Noord, ‘Popaanval op Holland Festival’, onbekende krant, 1972
Hans de Vente, ‘Supersister: Van Bach tot Beatles’, Oor, 25 oktober 1972
Gomelsky nieuwe producer Supersister, Oor, 12 april 1973
Barend Toet, ‘Supersister – Fase 1 afgesloten’, Oor, 15 juli 1973
Fred van Wijnen, ‘Charley Mariano werkt graag met jonge mensen’, Algemeen Dagblad, 16 augustus 1973
Elly de Waard, ‘Nieuwe Super Sister complexer dan ooit. Duetten vrij vervelend’, Volkskrant, 9 oktober 1973
‘Popgroep met busje tegen boom: drie gewonden’, Telegraaf, 19 oktober 1973
Peter Stribos, ‘Geslaagd concert Supersister in Subway Weert’, Limburger, 15 januari 1974
Barend Toet, Ex-Soft Machine Elton Dean versterkte Supersister, Oor, 26 mei 1974
‘Robert-Jan Stips als gast bij de Earring’, Oor, 14 september 1974
John van Markwijk, Rogier van Otterloo. Arrangeur – componist – orkestleider, Leidschendam 2011