Zoeken

 
Op 27 november 2012 ging de telefoon. Onverwacht hoorde ik de nog immer fluwelen stem van Skip Voogd (geb. 6 juli 1933, Den Haag). Met plezier had hij mijn boek Money, Money, Money? gelezen. Skip prees me om mijn nauwkeurig opschrijven van de feiten. Hij kon zich helemaal vinden in hetgeen ik over hem genoteerd had. Van die gelegenheid maakte ik gebruik om een afspraak voor een interview tot stand te laten komen.
   Op 7 augustus 2013 liep ik vanaf station Hilversum naar het appartement waar hij woonde. Als gevolg van de crisis stonden heel wat panden leeg. Niet alleen winkels, maar ook gebouwen waar de publieke omroep zich vroeger manifesteerde. Dat van de KRO op de Emmastraat was al enkele jaren voorwerp van opdringend onkruid, maar nu zag ik tevens borden ‘te huur’ en ‘te koop’ op plekken waar vroeger de namen van de AVRO en VPRO aangebracht waren. Op de ’s Gravelandseweg bevond zich wel een ‘afscheidscentrum’.

In het boek Muziek in zwart-wit schreef Cor Gout onder de titel ‘Een leven lang swing en leve het leven’ een treffende biografie van Skip Voogd. In mijn vraaggesprek koos ik voor een andere benadering – zijn rol in de muziekbusiness. Maar alvorens daartoe over te gaan eerst een korte samenvatting van zijn jeugd.
   Toen Skip in 1933 geboren werd was zijn vader niet thuis. Jan Jacob Voogd werkte bij de koopvaardij, de Rotterdamse Lloyd. Petronella (‘Nellie’) Honsbeek, zijn moeder, was onderwijzeres geweest voor ze met hem trouwde. De eerstgeborene werd Jan Cornelis Voogd genoemd, naar zijn vader en diens broer. Bij thuiskomst zag Jan Voogd zijn zoontje en riep: “Hij lijkt op Skippy, die ik in Amerika in de bioscoop zag in een sigaretten-commercial”. Die naam bleef hangen. Skip Voogd is er gelukkig mee.

In 1937 werd zus Joyce geboren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor zijn vader in Indië het leven als gevolg van een Japanse torpedo tijdens de slag in de Javazee. Moeder Voogd moest opnieuw voor de klas staan. Skip groeide op in de straat die vernoemd is naar Johannes Camphuys (1634-1695), goeverneur van Nederlands-Indië. In dezelfde straat woonde de familie Stips. Joannes Stips had er een gymnastiekschool en zijn zoon Robert Jan Stips werd in 1969 het gezicht van de groep Supersister.
 

Tuney Tunes, met de Millers op de omslag (zangeressen: Sanny Day en Pia Beck)

 
In de oorlog raakte Skip enthousiast van muziek. Nederlandstalige muziek. Na de bevrijding (1945) genoot hij vooral van de Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman – met zijn achterneef Jackie Bulterman (1909-1977) als trompettist, arrangeur en componist van populaire liedjes. Maar ook van Malando met zanger Frans Wanders, Pia Beck, de Millers met Sanny Day en de Skymasters met Annie de Reuver. Een nichtje gaf hem pianoles.
   Skip verdiepte zich in de muziek van die tijd, maar had tevens belangstelling voor de geschiedenis ervan. “Ik wilde meer weten van artiesten als Louis Davids, Bob Scholte en Kees Pruis, en van vooroorlogse Amerikaanse, Engelse en Nederlandse big bands”. Terwijl hij op de Mulo zat en vervolgens op de kweekschool (nu: pedagogische academie) was hij een trouwe lezer van muziekbladen als Rhythme en Tuney Tunes, die in Eindhoven werden uitgegeven door drukker Jan van Haaren. Regelmatig bestookte hij de redactie met brieven, waarin hij een uitgesproken mening gaf over de inhoud van de bladen. Tevens droeg hij dan suggesties voor artikelen aan. De uitgever las ze en gaf zijn medewerkers opdracht ze te beantwoorden.
 
 
“Ge komt terecht in een wereld vol zwendel en het gaat allemaal om geld”
 
In het voorjaar van 1955 ontving Skip een uitnodiging van Jan van Haaren om eens te komen praten. “In een restaurant in de Lichtstad kreeg ik, na een aantal wisselingen in de readactie, onverwacht een vast dienstverband als redacteur van Tuney Tunes en Rhythme aangeboden. Het was de bedoeling dat ik in Eindhoven ging wonen. Mijn salaris zou 250 gulden bruto bedragen”.
   Skip, die eerder stukjes over zijn favoriete muziek op papier gezet had en af en toe wel eens reportages maakte voor Minjon (jeugdomroep van de AVRO-radio) voelde zich vereerd. Werken als redacteur van een muziekblad was zijn droom. Hij kon echter maar ten dele op het voorstel van Van Haaren ingaan. Om niet zijn militaire dienstplicht te hoeven vervullen, was Skip onderwijzer geworden. Als je drie jaar voor de klas stond werd je daarvan vrijgesteld. Maar dat betekende wel dat hij op dat moment aan school gebonden was.
   Van Haaren en Voogd vonden samen een compromis. Skip bleef gewoon onderwijzer. Wat hij voor Tuney Tunes en Rhythme schreef zou hij steeds per post sturen. Dat was voor beiden geen probleem. Skip had energie genoeg om de avonden, de woensdag en het weekeinde voor zijn schrijfactiviteiten in te zetten. Voor zijn werk reisde hij voortaan één keer per maand naar Brabant. Tijdens zijn vakantie woonde hij in Eindhoven.
   In 1958, bij het verlopen van zijn onderwijzerschap, werd Skip full time redacteur bij Van Haaren.  
 
Voogd, anno 2013: “Van Haaren was een echte Brabander. Tuney Tunes (met teksten van Engelstalige songs) had hij al illegaal in de oorlog opgezet. Hij sprak met een uitgesproken zachte ‘g’. Toen we het eens werden hoorde ik nog een waarschuwing uit zijn mond met die ‘g’ er vier keer in verwerkt. ‘Voogd, ge komt in een wereld vol zwendel en het gaat allemaal om geld’.
   Ik zat boordevol plannen om van Tuney Tunes een geweldig maandblad te maken. Meteen stuurde ik briefjes naar artiesten als Annie de Reuver en Marcel Thielemans die ik wilde interviewen. De gesprekken vonden in het weekend en de vakanties plaats omdat ik nu eenmaal een volle baan als onderwijzer had.
   Het was voor mij als redacteur niet alleen zaak, zo moest ik ontdekken, om te schrijven over de muziek waar ik van hield. Ik had nog een andere taak. Van mij werd verwacht dat ik voor passende foto’s zou zorgen. Gratis foto’s als het even kon. Die waren meestal alleen voorhanden bij de platenmaatschappijen. Om het blad met winst te laten draaien hadden we bovendien advertenties nodig van die bedrijven. Ook die moest ik door mijn contacten aandragen. Vanzelfsprekend verrichtte Van Haaren eveneens activiteiten op dat terrein.
   Voor het afdrukken van de teksten van populaire nummers moesten we toestemming hebben van en betalen aan de muziekuitgever die de rechten op zo’n liedje had. Zo’n uitgever stond er op dat we (tegen vergoeding) ook minder bekende teksten in het blad zouden afdrukken. Dat bleek allemaal bij mijn job als redacteur te behoren”.
 

Romantiek en realiteit

 
Losse exemplaren van Tuney Tunes kon je voor 35 cent in de kiosk kopen. Dat was niet veel geld. Geen wonder dat Van Haaren aan de leiband van de belangrijkste adverteerders, de platenmaatschappijen, liep. Het romantische ideaal, een mooi blad maken voor muziekliefhebbers, kwam door de macht van het geld vaak in de knoei. Skip had het zich anders voorgesteld. Zakenman spelen in dienst van een baas lag de verlegen jongeman niet.
   Naast het schrijven van artikelen had de redacteur met tal van moeilijke beslissingen te kampen. “De maatschappijen die ons van een foto van hun artiest voorzagen wilden allemaal dat we die op de omslag zouden zetten. Dat kreeg ik steeds te horen van Phonogram, van Artone, van Pete Felleman die eerst voor de firma Rood (met het label Mercury), daarna voor Bovema (Capitol) werkte en vervolgens Funckler bij Artone voor zijn rekening nam. Felleman, die Nederlands met een Amerikaans accent sprak, wilde als platenman de artikelen van de artiesten van zijn maatschappij bovendien vaak zelf maken. Dat deed hij overigens uiterst nauwkeurig. Maar hoe dan ook, zo werd ik zelf voortdurend onder druk gezet. Het wel of niet plaatsen van advertenties werd regelmatig als pressiemiddel ingezet. Dat was iets anders dan artikelen schrijven, zoals ik me had voorgenomen.
   Bij de foto op de omslag was ik uitermate kritisch. Hij moest aantrekkelijk zijn. Maar er waren grenzen. We hebben een keer een foto van de jonge zangeres Corry Brokken op de cover gezet. Katholieke kiosken vonden de afbeelding te gewaagd en weigerden het tijdschrift te verkopen. We kregen een deel van de gedrukte exemplaren gewoon retour”.

Pete Felleman (1948)

 
Skip Voogd leverde goede artikelen voor de kolommen in Tuney Tunes (en het meer jazzy getinte Rhythme). “Voor ik mijn werk als redacteur aanving legde Van Haaren me lachend nog een en ander uit. Hij was van mening dat ik me in mijn woordgebruik aan de lezers en lezeressen moest aanpassen. Een vocabulaire van vijftig woorden vond hij wel genoeg. Tuney Tunes was immers grotendeels bestemd voor, zoals hij het noemde, keukenmeiden. Bij het eerste artikel kwam Van Haaren naast me zitten en gaf aan welke woorden te ‘moeilijk’ waren”.
   De manier waarop Skip over de muziek van die tijd schreef viel bij heel wat mensen uit het vak in goede aarde. “Al na korte tijd kreeg ik in Den Haag onverwacht bezoek van Paul Acket. Hij vertelde me dat hij plannen had om ook zelf zo’n blad op te zetten en informeerde of ik later bij gelegenheid redacteur van dat tijdschrift [Muziek Expres] te worden.
   Ger Oord van platenmaatschappij Bovema nodigde me uit om op vaste basis persberichten, hoesteksten en artikelen voor het huisorgaan [Gramophone House Nieuws] te schrijven. Voor elk stukje ontving ik een paar tientjes. Vervolgens trok Phonogram aan de bel. Ze wisten dat ik al redacteur van het Bovema-blad was. Toch vroegen ze me of ik ook voor hun blad Disco Discussies artikelen wilde aanleveren. Het weekblad Wereldkroniek liet eveneens van zich horen. Ik verzorgde er (aanvankelijk onder het pseudoniem Bob van Lenth) de jeugdrubriek ‘Alleen voor Tieners’. Dat leverde zestig gulden per keer op”.
   Met schrijven wist hij zich dus goed te manifesteren. In een tijdperk waarin nauwelijks popmuziek op de Nederlandse radio te horen was, fungeerde Voogd als zeer belangrijke ‘smaakmaker’. Ook internationaal. Enkele jaren trad hij op als Nederlands correspondent van het Amerikaanse blad Billboard.
 

Popmuziek

 
Zonder dat hij het besefte trad Skip op een bijzonder moment de ‘wereld van zwendel en geld’ binnen. Juist in 1955 brak het tijdperk van de rock & roll aan. “We dachten dat het een leuke rage voor de jeugd was die na een tijdje wel zou overwaaien. Ik wist nog niet dat de jongeren ook in economisch opzicht blijvend een factor van belang aan het worden waren. Ze konden hun eigen koers varen en hoefden zich na verloop van tijd weinig meer van hun ouders aan te trekken”.
   In een van zijn eerste artikelen voor Tuney Tunes, september 1955, meldde Skip al: “De moderne Amerikaanse jeugd voert opzwepende dansen uit op liedjes uit het rhythm and blues idioom. Saxofonist Willis ‘Tailgate’ Jackson vindt het tijd worden wat show te maken. Hij slingert zijn instrument door de lucht en blaast zijn rhythm and blues-muziek de half-verlichte rokerige zaal in. De knapen en meisjes vergeten de dans, waar ze aan bezig zijn en dringen tot vlak bij het podium. Big Jay Neely, de tweede saxofonist gaat op het podium liggen, alsmaar blazend. Het duurt niet lang of zijn collega’s liggen naast hem en blazen als krankzinnigen ‘Shake, rattle and roll’”. Voogd wees op overmatig drankgebruik en de goede verkoop van de platen van Bill Haley en Earl Bostic. Met het verslag van een vroege rock-happening vervulde de nieuwe redacteur een pioniersrol.
   Niet beseffend dat dit het begin van iets blijvends was, poneerde Skip nog dat ‘Mademoiselle’ van Marcel Thielemans (met de Ramblers o.l.v. Theo Uden Masaman) die maand de ‘beste plaat van eigen bodem’ was. Bovendien gaf hij als zijn eerlijke mening: “We maken liever een gezellig feestje mee waar het hele Jordaan-repertoire wordt afgedraaid dan dat we met songs als ‘Earth Angel’ [van de Penguins] en ‘Shake rattle and roll’ de beest uit moeten hangen”.   
   Twee leeftijdsgroepen kwamen in botsing met elkaar. Skip Voogd anno 2013: “Pas later ontdekte ik dat er elke tien jaar een nieuwe generatie kwam met eigen muziek, eigen idolen. Die periode is later steeds korter geworden. Het is steeds sneller gegaan”.
 

Willem van Kooten en Rob Out te gast bij Jos Brink en Skip Voogd (Tussen 10+ en 20-, 1963)

 
Zeker nadat hij ophield onderwijzer te zijn ging Skip om den brode schrijven in een wereld waar de smaak van het jonge publiek aan het veranderen was. “Ik zag popmuziek vooral als werk”, vertelde hij aan Cor Gout. Met andere woorden: Skip had privé zo z’n eigen smaak, maar wat het schrijven betreft paste hij zich aan de wensen van zijn lezers aan. Dat ging hem goed af. In Tuney Tunes verschenen steeds meer artikelen over en foto’s van artiesten die zich hoog op de hitparade klasseerden.
   Door zich in zijn werk te richten op de muziek die de jeugd mooi vond werd Skip Voogd een centrale figuur in de Nederlandse muziekwereld. Er werd nog niet veel over popmuziek geschreven. Maar overal las je zijn stukjes. Wat hij liet afdrukken was van invloed op het imago van artiesten in de jaren rond 1960.
   Ook de radio deed een beroep op zijn capaciteiten. Na Minjon maakte hij bij de VARA het programma ‘Muziek Kiosk’ met Netty Rosenfeld. “Toen werd ik opgebeld door Gijsbert Nieuwland, die hoofd lichte muziek van de AVRO was geworden. Hij vroeg me of ik voor die omroep ‘Swing Expres’ met Roel Balten wilde doen. Dat was een programma met niet al te moeilijke jazz, dus dat lag me wel”.
   Bij de radio kon Skip dus doen wat in de muziekpers een stuk moeilijker was komen te liggen. Maar: “Na een poosje kreeg ik er een zogenaamd tienerprogramma bij: ‘Tussen Tien + en Twintig –’. Ze hadden Jos Brink aangetrokken om het programma te presenteren. Ik was de samensteller en voor al die mensen van de maatschappijen die mij altijd de nieuw uitgekomen platen stuurden was het natuurlijk schitterend dat ik voor de radio kwam. Ik werd in die tijd overstelpt door singletjes, want er kwam toen heel veel uit op het gebied van de popmuziek”, noteerde Cor Gout uit zijn mond. “Vanwege mijn goede contacten met Bovema hadden we vaak de primeur van een single van Cliff Richard en soortgelijke populaire tieneridolen”.
   De eerste pop-programma’s bij de publieke omroep, gingen niet altijd van een leien dakje. Zowel ‘Tijd voor teenagers’ bij de VARA als ‘Tussen Tien + en Twintig -’ werd nauwlettend in de gaten gehouden. De omroeper van dienst luisterde mee en bracht verslag uit aan Eric Krans, die Nieuwland als hoofd lichte muziek opvolgde. Skip Voogd, anno 2013: “Bij de Engelse uitzendingen van radio Luxemburg zeiden ze aan het eind van een programma ‘Take care of yourself’. Voor Jos Brink zette ik dat om in ‘Pas goed op jezelf’. Met die kenmerkende woorden nam hij steeds afscheid van zijn luisteraars. De kreet viel in eerste instantie niet goed bij de AVRO. Een andere keer kreeg ik kritiek te verduren omdat ik te veel gitaren in het programma had laten horen”.

 

Herman Stok en Skip Voogd, begin jaren '60

 

Skip Voogd en Acket

 
Aan het eind van de jaren vijftig was Tuney Tunes niet meer het enige muziekblad voor de jeugd. Muziek Parade en Muziek Expres verschenen in de kiosken. “De formule van Tuney Tunes werkte niet goed meer. De oplage liep terug. Een poging om in een groter formaat te opereren, zoals Muziek Parade deed, bracht geen verbetering”.
   Skip Voogd: “Paul Acket, met een goed gevoel voor de ontwikkelingen van die tijd, stelde zich pragmatisch op. Als een artiest succesvol was, goed of niet goed, werd er onmiddellijk een grote foto met artikel in Muziek Expres geplaatst. Op tijd verplaatste hij zijn aandacht voor jazz in die voor popmuziek. Muziek Expres verkocht steeds beter.
   Acket nam opnieuw contact op. Hij bood me een baan aan in de Theresiastraat, waar hij kantoor hield. Op loopafstand van de Johannes Camphuysstraat. Dat leek aantrekkelijker dan werken voor een uitgever die in Noord-Brabant gevestigd was. Bovendien was hij bereid twee keer zoveel salaris als Van Haaren te betalen. Het was een aanbod waar ik niet nee tegen kon zeggen”.
    Er was echter een addertje onder het gras, hoorde ik. “In Money Money Money? heb je Hans Rouw op een positieve manier over Acket aan het woord gelaten. Misschien was dat bij hem inderdaad het geval. Ik had een andere ervaring. Bij Tuney Tunes (Eindhoven) was ik zo vrij als een vogeltje bij het redigeren en samenstellen van de bladen. Dat stimuleerde me. Maar als redacteur van Muziek Expres werd ik verwacht elke ochtend om negen uur op kantoor te zijn. Jos, de echtgenote van Paul, controleerde dat regelmatig.
   Acket had met Muziek Expres een eigen programma bij radio Veronica. Ik werd naar Hilversum gestuurd om dat in de studio van de zeezender op te laten nemen. De presentatoren Krijn Torringa en Freda Keuker heb ik omgedoopt in ‘Bob en Brenda’. Bij Brenda dacht ik aan de toen populaire Brenda Lee. Als ik naar Hilversum reed moest ik tevens kopij meenemen voor De Boer, de drukkerij van Muziek Expres. Vanuit het kantoor werd de drukker gebeld om te onderzoeken of ik wel op tijd gearriveerd was. Dat werkte op mijn zenuwen.
   De echtgenote van Paul Acket was de drijvende kracht achter het bedrijf van haar man. Zij bedacht steeds nieuwe activiteiten. Jos had eerder bij Lou van Rees gewerkt. Het echtpaar streefde bovendien een monopolie-positie na. Ik werd steeds meer beperkt in mijn activiteiten buiten het bedrijf. Toen ik er na een klein jaar vertrok was Cees Mentink een van mijn opvolgers. Een vreselijk aardige en hulpvaardige man. Toen een collega bij het nieuwe blad Hitwezen ziek werd offerde Cees zijn weekend op om te helpen. Dat vertelde hij netjes aan Acket. Op staande voet kon Mentink bij het bedrijf in de Theresiastraat vertrekken”.
   Los van zijn persoonlijke ervaringen had Voogd bewondering voor Acket. “Hij was een uitstekende zakenman. Op het juiste moment voelde hij aan waar het met de business heen ging. Op het hoogtepunt verkocht hij zijn pop-bladen voor veel geld en manifesteerde zich met het North Sea Jazz Festival”.

 

V.l.n.r. Joop van der Marel, Lydia, John de Mol, Annie Palmen, Skip Voogd, Paul Acket, Songfestival Knokke 1959

 

Een vaste baan bij de NCRV

 
Rond 1960 was Skip Voogd een veelgevraagd persoon. Hij vertegenwoordigde Nederland in de jury van songfestivals als het Belgische Knokke en ook het Nationale Songfestival. Behalve artikelen in diverse bladen schreef hij in 1965 het boekje Sjout! Met tienersterren praten. Op de omslag is een mooi overzicht te lezen:
   “Skip Voogd spreekt en schrijft over muziek vanaf augustus 1955. Hij verwisselde zijn onderwijzerschap [in 1958] voor een betrekking, die hem meer lag: redakteur van de muziekbladen Tuney Tunes en Rhythme. In 1961 werd hij toegevoegd aan de redaktie van Muziek Expres, waar hij tot midden 1962 bleef om daarna de redaktie van Platennieuws op zich te nemen en [medewerker] van Muziek Parade te worden. Verder stelt Skip Voogd AVRO’s wekelijke radioprogramma ‘Tussen 10+ en 20-’ samen en is hij mede-producer van de AVRO-uitzendingen Shout en Pizzicato”.
   In het intro legde Skip vast: “Je hoort Ronnie Tober ‘Geweldig!’ zingen, maar wie is Ronnie Tober eigenlijk? Je leest in de krant dat Imca Marina haar tweede gouden plaat heeft gekregen, maar wat weet je meer van Imca dan dat ze zangeres is? Er is een groot gebrek aan goede voorlichting over Nederlandse tienersterren. Doorgaans zie je ze alleen in grote fotoreportages, die week- en maandbladen over ons uitstorten. Maar wat er in de artiesten zelf leeft en hoe ze, vaak onder de moeilijkste omstandigheden, hun carrière opbouwden: je krijgt er in de regel een minimum aan informatie over”. Deze woorden geven een mooi beeld van die tijd. “In Sjout! heb ik geprobeerd iets dieper te graven dan meestal gebeurt wanneer tienersterren geïnterviewd worden”.
 

Sjout (1965)

 
Artiesten die anno 1965 aan het woord kwamen waren onder meer Willeke Alberti, Bob Bouber, Trea Dobbs, Johnny Lion, Imca Marina, Rob de Nijs, Edwin Rutten, Shirley Zwerus, Ronnie Tober en uit het buitenland Cilla Black, Roy Orbison, P.J. Proby, Pete Seeger, Dave Berry, France Gall en de Seekers. Dat was behoorlijk uniek voor die tijd.
   Skip Voogd: “Ik werd door de Haagse drukker Daamen gevraagd. De gage was niet meer dan 250 gulden. Daar moest ik alle hoofdstukken binnen één maand voor aanleveren. Voor dat bedrag maakte ik zelfs een reis naar Engeland”.
   In de lijst van popartiesten ontbraken de namen van de Beatles, Rolling Stones, Pretty Things, Searchers, Dave Clark Five, Animals, Chuck Berry en Motown-acts.
   Skip: “Ik was bij heel wat van die artiesten betrokken met mijn radio-programma’s. Toen Marvin Gaye en Chuck Berry Nederland bezochten hoefde Aart Baars, plugger van Artone, me maar te bellen en dan zaten ze in ‘Tussen 10+ en 20-’. Uit vakmatige nieuwgierigheid bezocht ik bovendien popconcerten. Die van Fats Domino, Roy Orbison en de Rolling Stones zijn me goed bijgebleven. Dat van de Stones in het Kurhaus van Scheveningen vond ik verschrikkelijk. Ik ben snel weggelopen.
   Die opwinding heeft voor mij nooit gehoeven. Ik heb altijd gehouden van goed opgebouwde songs die op een professionele manier gebracht werden. Zoals bijvoorbeeld Cliff Richard dat deed. Songs als ‘Raindrops keep falling on my head’ van B.J. Thomas, ‘Tiny Bubbles’ van Don Ho of ‘No milk today’ van Herman’s Hermits. Liedjes die goed in het gehoor liggen. Klanken die alleen opwinding tot stand brengen hebben voor mij nooit gehoeven”.
 

 Chuck Berry, Skip Voogd (1964)

 
In oktober 1965 waren de eerste uitzendingen van Hilversum 3. In de kantine van de AVRO op de ’s Gravelandseweg in Hilversum werd Skip aangesproken door Lex Karsemeijer, chef lichte muziek van de NCRV-radio. De omroepvereniging deed noodgedwongen mee aan het nieuwe fenomeen popmuziek. Een beschaafde man, die bovendien nog voor de klas gestaan had, was voor Karsemeijer een aardig compromis om zich enigszins aan de moderne tijd te confirmeren. Skip, inmiddels 32 jaar, kreeg een vaste baan, een baan voor het leven, aangeboden. “Op advies van mijn moeder accepteerde ik het aanbod”.
   Achteraf had hij enigszins spijt van zijn beslissing. “Waar ben ik terecht gekomen”, vroeg hij zich wel eens af. Niet alleen verdiende hij bij de NCRV aanzienlijk minder dan hij gedacht had. Ook werd hij steeds gecensureerd als er woorden in de teksten van de liedjes voorkwamen die aanstoot konden geven in het protestants-christelijke milieu.
   “Bovendien moest ik een enorme hoeveelheid uren met muziek vullen. Dat had ik helemaal niet verwacht. Ik heb een laconiek briefje aan de directie geschreven met de vraag of ik er nog een krantenwijk bij mocht nemen. Maar ze zagen de humor er niet van in”.
   Cor Gout noteerde: “Door mijn bescheiden salaris bij de NCRV was ik min of meer gedwongen bij te schnabbelen. Zo bleef ik [links en rechts] artikelen schrijven en hoesteksten voor lp’s, wat ik sinds 1955 had gedaan. In het begin van mijn NCRV-tijd heb ik ook een tijdje stiekem voor de AVRO gewerkt toen daar iemand uitviel”.
 

Media en muziekindustrie

 
Dankzij de vele (noodzakelijke) schnabbels had Skip toch een aardig inkomen. Zodoende was hij in staat geld uit te geven aan zijn hobby: lekker (uit) eten, Franse wijnen en koken.
   In die tijd raakte hij in gesprek met Harm Mobach, eveneens een liefhebber van jazz en het betere muziekgenre. Mobach werkte bij de belastingen in Leiden. Aan goede vrienden gaf hij wel eens adviezen over fiscale zaken. Tijdens een gesprek bekende Skip dat hij de meeste van zijn bijverdiensten niet gemeld had aan de fiscus. Dat schoot bij Harm in het verkeerde keelgat. Skip kreeg het advies alles op te geven. “Maar je moet wel bonnetjes bewaren van al je onkosten. Die kun je aftrekken”, hoorde hij. Regelmatig at hij in het kwalitatief hoogstaande restaurant de Bokkendoorns, Overveen, in de duinen. Skip wist nogal wat bonnetjes te vergaren en te bewaren.
   Samen met Harm had hij een gesprek met de belastinginspecteur in het Gooi (Bussum) waar hij intussen was gaan wonen. De inspecteur fronste de wenkbrauwen toen hij de bonnetjes zag van het gerenommeerde etablissement. Hem werd uitgelegd hoe belangrijk het was dat Skip er regelmatig met artiesten ging eten. “Het is een uitstekend restaurant”, verklaarde Skip. Harm voegde eraan toe: “Dat kan ik beamen”, waarop Skip inhaakte met:  “U moet er zelf ook eens heen gaan”. De inspecteur, aldus Voogd, ging accoord met de manier waarop het tweetal de aangifte toelichtte.
   Skip werd door zijn opdrachtgevers ook wel eens in natura uitbetaald. Als hij bijvoorbeeld voor Reader’s Digest een platenbox had samengesteld liet hij, in overleg, de rekening van een restaurant naar het bedrijf in Amsterdam sturen en hoorde er verder niets van.
   Hetzelfde gold voor zijn contacten in de muziekindustrie. De promotie-mensen van de platenmaatschappijen hadden steeds meer moeite om hun producten ‘er door te krijgen’ in Hilversum. Ze voelden zich vaak afgesnauwd als ze een nieuw talent aan de man probeerden te brengen. Bij Skip niet. Van diverse pluggers hoorde ik in die tijd hoe aangenaam ze bij hem in zijn Naardense appartement ontvangen werden. Naar Skip ging je voor je plezier. Dat was uniek. Hij zorgde voor hapjes en wat al niet meer. Als je Skip echt om hulp vroeg bij het draaien van een plaat deed hij meestal niet moeilijk. “Ik heb nog steeds leuke contacten met sommige pluggers van weleer”.
   Toch waren er grenzen. Skip gaf me een voorbeeld. Ariola lanceerde een nieuwe Nederlandse zanger. Mat Mathews produceerde het eerste album van Lee Towers, de ‘zingende kraandrijver’ uit Rotterdam. “Tijdens een uitzending liet ik me overhalen een nummer van die plaat in de progammering op te nemen. Ik luisterde en vond het vreselijk. Dat kan niet, bedacht ik en halverwege vroeg ik de technicus het nummer uit te faden. Ik nam de hoes voor me en las een tekst die Willem Duys, tegen flinke betaling, geschreven had. ‘Een talent als Lee Towers is er maar eens in de honderd jaar’. Ik voegde eraan toe: ‘Dat is maar goed ook!’”
   Diezelfde dag nog belde de zanger verontwaardigd. “Ik probeerde hem duidelijk te maken dat ik zijn Engelse uitspraak niet goed vond. Een half uur lang waren we met elkaar in gesprek. Hij tutoyeerde me meteen, ik bleef netjes ‘u’ zeggen. ‘Ik zing helemaal niet in het Engels’, legde hij uit. ‘Ik zing Amerikááns’. Ik moest maar eens naar zijn voorstelling komen, vroeg hij. Met een vriend ben ik later naar Carré gegaan, waar hij optrad. Een fan ben ik niet geworden. Aan zijn verzoek om hem in de kleedkamer op te zoeken ben ik dan ook niet ingegaan. Later hoorde ik dat Lee een heel aimabele man was”.
   Skip, zo vertelde hij, kon zich niet permitteren met de pluggers in restaurants als de Bokkendoorns op zijn kosten te dineren. Maar dat was geen probleem, bleek. Regelmatig werd hij zelf mee uit eten genomen. Soms werd hem tijdens zo’n etentje wel eens gevraagd om op een bepaalde plaat te stemmen als de nieuwe NCRV-favorietschijf uitgekozen werd. “Daar deed ik niet moeilijk over”, hoorde ik op 7 augustus 2013.
    
Tijdens het aangename onderhoud maakte Skip me duidelijk dat wat hij deed de gewoonste zaak van de wereld was. Er was nu eenmaal een sterke verwevenheid van de media en de business. Daar was geen ontkomen aan. Dat bleek al zo te zijn nadat Jan van Haaren hem op jeugdige leeftijd had uitgelegd dat hij in een ‘wereld van zwendel en geld’ terecht zou komen. Volgens Skip was dat in een stroomversnelling gekomen door de komst van de commerciële muziekzender Veronica. En daarna was het alleen maar verder gegaan. Voogd was zo eerlijk het toe te geven. Anderen zwegen. Waarschijnlijk terecht merkte Skip op dat geldschieters soms nog veel verder gingen. Zo konden invloedrijke omroepmedewerkers gratis op vakantie en/of een bezoek aan een bekend district in Amsterdam brengen.
   Skip was, ik gaf het al aan, dus zeker niet de enige persoon die handelde op het grensvlak van media en muziekbusiness. Dat gold bijvoorbeeld ook voor Willem Duys (1928-2011). Die had in het verleden in vast dienstverband gewerkt bij platenmaatschappij Philips, het CCGC (Commissie Collectieve Grammofoonplaten Campagne) en platenmaatschappij Iramac. Bovendien maakte hij uiterst populaire radio en tv-programma’s voor de AVRO.

Toen Iramac in 1969 niet meer bestond hield ook zijn vast dienstverband op. Willem, vaak samen met Pim Jacobs, werd freelancer. Hij liet zich zo veel mogelijk betalen voor zijn ‘adviezen’, werd uit allerlei bronnen duidelijk. Willem werkte bijvoorbeeld voor BASF. In de jaren zeventig had dat bedrijf, zonder kennis van zaken, een platenafdeling opgezet. Duys gaf adviezen. Tonny Eyk, pianist in ‘Voor de vuist weg’, had bij Phonogram heel wat plaatalbums gemaakt. Dankzij Willem kreeg hij een lucratief contract bij BASF.
 

 V.l.n.r. Peter Albarda, Wessel Ilcken, Skip Voogd, Rita Reys (1956)
 

De samenwerking met CBS, de Amerikaanse platenmaatschappij die het Nederlandse Artone overnam, pakte voor Duys helemaal goed uit. Maandelijks werd hij vorstelijk betaald voor hoesteksten. In zijn zondagochtendprogramma Muziek Mozaiek vermengde de presentator klassieke muziek (veel Bach) met jazz, chansons, cabaret en populaire muziek. John Vis, directeur van CBS, voelde zich door de uitzendingen van Duys zo aangesproken dat hij in die stijl albums ging produceren met Thijs van Leer, Pim Jacobs, Chris Hinze, Louis van Dijk, Rogier van Otterloo, Ann Burton, Letty de Jong, Gerard Cox en Rita Reys. Dat werd een groot success. Voogd zag John Vis als de centrale ideeënman. Er werden extreem grote aantallen albums verkocht in de jaren zeventig. Het tweetal kon het meestal goed met elkaar vinden. Zo hoorde Skip een en ander over de ins & outs in de muziekbusiness, en ook binnen CBS.
   “Vis, een van de beste platenmensen aller tijden, voelt zich nog steeds miskend. Jaren geleden heeft hij zich teruggetrokken in Frankrijk. Hij ‘leefde’ voornamelijk ’s nachts. Telefonisch hebben we regelmatig lange persoonlijke gesprekken gevoerd over muziek en de muziekbusiness. Zo heb ik enorm veel van hem gehoord. Vis noemde me ‘Skipper’. Een tijdje geleden heeft hij zich in een verzorgingstehuis in Antibes (Les jardins de Saint Paul) laten opnemen. In ons laatste gesprek, mei 2011, nam hij afscheid met de woorden ‘Je t’embrasse’. ‘Ik jou ook’, antwoordde ik”.

 

Skip Voogd, Johnny Hodges, John Vis (1959)

 
Ondanks de goede verstandhouding van Voogd en Vis zijn er toch ook incidenten geweest die duidelijk aangeven hoe de wereld waarin de mannen moesten opereren werkte. Een ervan wil ik hier aan de orde stellen. Skip werd uitgenodigd als lid van de jury voor het bepalen van de Edisons, een initiatief van de NVPI. Hij voelde zich terecht zeer vereerd. “Kort voor de beslissende vergadering werd ik door Vis [namens CBS bestuurslid van de NVPI] gebeld met het verzoek om ervoor te zorgen dat het nieuwe album van Boy Edgar, door hem geproduceerd, bekroond zou worden. Ik heb mijn uiterste best voor hem gedaan. Maar ik kreeg mijn collega’s niet mee. Boy Edgar werd een Edison onthouden. Op zijn aandringen was ik gevraagd om in de jury zitting te nemen, legde hij uit. Na afloop was hij verontwaardigd. Ik zou niet meer in die Edison-jury van de NVPI komen, zei hij. En zo ging het ook. Tot 1983 ben niet meer gevraagd”.
   Jan van Haaren zei het al: “Voogd, ge komt in een wereld vol zwendel waar alles gaat om geld”.
 

***

 
Tijdens het gesprek benadrukte Skip dat er tegenwoordig zoveel goede Nederlandstalige muziek gemaakt wordt. Vooral Nick & Simon uit Volendam had hij hoog in het vaandel. Het duo vergeleek hij met Simon & Garfunkel. Al tientallen jaren luisterde Voogd met groot genoegen naar albums van artiesten als Frank Sinatra, Nat ‘King’ Cole, Peggy Lee en Mel Tormé. Een nieuwe favoriet, al jaren, was Michael Bublé. “Een zanger in het idioom van Frank Sinatra. een man met enorme uitstraling op het podium. Bovendien spreekt hij met zijn repertoire niet alleen de ouderen maar tevens de jeugd aan!”
   Skip heeft in 1999 nog meegewerkt aan een boek over zangeres Ann Burton (1933-1989), dat Anneke Muller schreef en uitgeverij Conserve (Kees de Bakker) in de winkels bracht. De schrijfster kwam vrijwel wekelijks op bezoek om de teksten met hem door te nemen. Ze noemde Voogd ‘mijn mentor’ en bedankte hem uitvoerig in de verantwoording.    
 

Skip Voogd bij Annie de Reuver in Rotterdam (2004)

 
Ik ben Skip Voogd, inmiddels 80, enorm erkentelijk dat hij mij door middel van al die kostelijke verhalen in staat heeft gesteld zijn inzicht over de geschiedenis van het functioneren van de muziekwereld vast te leggen. Het was een genoegen om met hem terug te kijken op een lang leven. Dat gaat intussen gewoon door. Skip heeft het naar zijn zin, presenteert thuis nog steeds heerlijke hapjes en onvervalst vruchtensap. Zijn liefde voor goede muziek is, als tevoren, springlevend. In het blad Doctor Jazz kan hij vrijuit schrijven over veel muziek die hij echt mooi vindt. Gratis, zonder enige vergoeding.
 
Harry Knipschild
15 augustus 2013

 
John Vis is op 3 april 2015 overleden.
Annie de Reuver is op 1 januari 2016 overleden.

Clips

* Louis Davids (met zus Heintje), Als je voor een dubbeltje geboren bent
* Peggy Lee, met orkest Benny Goodman, Why don't you do right, 1942
* Ramblers o.l.v. Theo Uden Masman, 1961
* Cliff Richard, The Young Ones, 1962
* Chuck Berry, No particular place to go, uit 1964
* Mel Tormé, Coming home baby
* NCRV-documentaire over de ontwikkeling van de radio, 1992
* Frank Sinatra, Strangers in the Night, uit 1966
* Nick & Simon, Sounds of Silence
Annie de Reuver, Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen, 2008
* Michael Bublé, Save the last dance for me

Literatuur
Skip Voogd, Sjout! Met tienersterren praten, Den Haag 1965
Skip Voogd, Tuney Tunes. Een fascinerende selectie uit de jaargangen 1944-1964, Laren 1974
Cor Gout, Muziek in zwart-wit, Zaltbommel 2006