Zoeken

 
 
Enkele weken geleden stuurde Bert Bossink me een artikel over Bob Dylan. Het was opgenomen in het muziekblad Tuney Tunes van november 1965. De auteur bleek ik zelf te zijn. Ik kon me niet herinneren dat ik het stukje ooit geschreven had. Maar het moest wel zo zijn. Mijn naam was er immers bij afgedrukt.
    De tekst luidde als volgt: “Langzaam maar zeker heeft zich de mythe ‘Bob Dylan’ voltrokken. Een paar jaar geleden – toen zijn geluid bij de Amerikaanse studenten al insound was – hadden we hier in Nederland nog nauwelijks van hem gehoord. Hoogstens wisten we dat liedjes als ‘Blowing in the wind’ en ‘Don’t think twice’ door hem geschreven waren.
   Vorig jaar kwam het sukses in Europa. Diverse vooraanstaande artiesten noemden hem als hun grote idool en lieten zich duidelijk door hem inspireren. Dylan-albums werden geheide bestsellers. Begin dit jaar werd CBS in Engeland geïntroduceerd en ter gelegenheid daarvan kwam ‘The times they are-a-changing’ als single op de markt – het werd een knaller van een hit! ‘Subterranean homesick blues’ volgde en veroverde hitplaatsen ook in Amerika en Nederland. Als klap op de vuurpijl suisde ‘Like a rolling stone’ naar de top van de wereldhitparade om zich méér dan zes minuten lang ook bij ons bovenaan te nestelen. En dan nu ‘Positively 4th street’.
 
Bob Dylan is geen gewone zanger – het is trouwens de vraag of we hem zanger kunnen noemen. Bob is de filosoof van zijn generatie die via de grammofoonplaat de gedachten en gevoelens van zijn leeftijdgenoten op een opvallend scherpe en geestige manier weergeeft. Zijn typische manier van klanken uitstoten en het fascinerende spel op de mondharmonica gekombineerd met zijn ‘personality’ hebben een figuur gevormd die de hele wereld op z’n kop heeft gezet.
   Bob Dylan heeft de muziekwereld een nieuwe aderinjectie gegeven. Niet langer beheersen onbenullige teksten in het straatje ‘Ik houd van jou en hou jij nu ook ook van mij’ hitparades en andere populariteitsbarometers. Men gaat nu – zonder muziek en ritme te verwaarlozen! – ook op de inhoud en achtergronden van een song letten. Dat kan alleen maar bevorderlijk zijn voor het peil van de soms zeer middelmatige amusementsmuziek. Om het met Dylan te zeggen: The times – they are-a-changing…”
    Tot zover mijn artikel uit 1965.
 
 
029-1 Dylan Bob 1965
Bob Dylan in 1965
 
 
***
 
Bob Dylan (geboren in Duluth, Minnesota, 24 mei 1941) had niet meteen succes. In 1961 trok hij naar New York. Folk-muziek was in de mode dankzij artiesten als het Kingston Trio, de Brothers Four en de Highwaymen. Dylan trad met gitaar en mondharmonica op in Greenwich Village. Ook mocht hij meespelen tijdens plaatopnamen van Harry Belafonte (RCA) en Carolyn Hester (Columbia). John Hammond (1910-1987) was de producer van Hester. Hammond, die eerder opnamen gemaakt had met Pete Seeger en Aretha Franklin, nam ook Bob Dylan onder zijn hoede. Op 20 en 22 november 1961 was deze in de studio. Hij nam zeventien nummers op, waarvan er dertien verschenen op het album ‘Bob Dylan’. De verkoop was minimaal.
   Hammond liet het er niet bij zitten. Hij was zo fanatiek dat zijn pogingen om Dylan succesvol te maken in de wandelgangen van Columbia Records met ‘Hammond’s folly’ werden aangeduid.
 
 
029-2 Peter Paul Mary in the wind
 
 
De muzikant uit Duluth kreeg in 1963 voor het eerst erkenning. Niet als uitvoerende artiest maar als liedjesschijver. Het folk-trio Peter, Paul & Mary, dat in de Amerikaanse top 10 had gestaan met ‘If I had a hammer’ en ‘Puff the magic dragon’, bracht het Dylan-nummer ‘Blowin’ in the wind’ op single uit. De versie van het trio haalde de op een na hoogste plaats in de Billboard hitlijsten. Een volgende hit, ‘Don’t think twice it’s allright’, was opnieuw een compositie van Dylan.
   Dylan kreeg de status van cult-artiest. Hij haalde zich echter de woedde van de puristen op zijn hals toen hij op de elektrische toer ging. De liefhebbers van ‘echte folk-muziek’ lieten hem vallen. Maar in april 1965 kwam hij voor het eerst onder eigen naam de Amerikaanse hitlijsten binnen met ‘Subterranean Homesick Blues’. Met de songs ‘Like a rolling stone’ (1965) én ‘Rainy day women #12 & 35’ (1966) bereikte hij de tweede plaats van de Billboard top 100. In de vroege zomer van 1965 had Dylan zelfs een nummer één hit, toen de Byrds van ‘Mr. Tambourine Man’ voor Columbia Records een folk-rock versie maakten. De ‘folly’ van John Hammond bleek zo gek nog niet te zijn.
 
 
Bob Dylan in het eerste nummer van Hitweek
 
 
In 1965 was ik zeker niet de enige popscribent die over Bob Dylan schreef. Op 17 september verscheen het eerste nummer van een nieuw blad, dat ‘Hitweek’ heette. Willem de Ridder en Peter J. Muller waren verantwoordelijk voor de uitgave van de krant met acht pagina’s tekst en foto’s. In het eerste nummer van Hitweek speelde Dylan een dominante rol. De krant plaatste diverse nieuwtjes, een cartoon van Elvis Presley als Bob Dylan, enkele foto’s en maar liefst twee artikelen.
 
***
 
Het eerste stuk heette ‘Dylan’. Het zou wel eens door Muller geschreven kunnen zijn omdat die van ‘lang haar’ voortdurend een thema maakte. In elk geval kon je lezen:
 
“Bob Dylan staat alleen op het immense podium van Carnegie Hall, New York. Duizenden ogen en oren gericht op een magere komische figuur met iet wat kromme benen. Een hele avond één stem, één gitaar, één mondorgel. Volksmuziek: het kultuurbezit van Amerika. In Amerika zijn honderden jongens als Bob Dylan, sommige waarschijnlijk stukken beter. Ze zwerven, vreendsoortig uitgedost, langs de wegen. Ontmoeten elkaar overal weer. Spelen dagen en nachten lang hun muziek. Praten over Leadbelly die even de gevangenis uit mocht om drie langspeelplaten op te nemen.
 
Er is veel ruzie over dat Bob Dylan nu ineens op de hitparade staat en vijf langspeelplaten uitbrengt. Hij wordt ervan beschuldigd kommersieel te zijn. Hij wordt op een volksmuziekfestival uitgefloten als hij een elektrische gitaar wil gebruiken. Hem wordt zeer kwalijk genomen dat hij zijn komposities laat zingen door de Byrds.
  Ja wat wordt hem niet kwalijk genomen. Misschien zijn de volkszangers in Amerika wel kwaad omdat hij een genre in de belangstelling heeft gebracht dat voordien helemaal van hen zelf was. Maar goed: voor het duizendkoppig ademloze publiek staat Charley Chaplin-achtige Bob Dylan. De woorden worden van zijn lippen gelezen. Hij vertelt dat de tijden veranderen. Dat de tijden blijven veranderen. Je zult moeten zwemmen om in leven te blijven. Als je denkt: nou ben ik er, pas dan op. Voordat je het weet zijn je ideeën ouderwets en begrijp je niets meer van wat er om je heen gebeurt.
 
Ben je een ouderwetse mopperpot geworden die kritiek heeft, die zuur klinkt. Vader die de Stones maar viespeuken vindt en schreeuwers. Protesten tegen het optreden van de Pretty Things. De organisator Ben Essing die zijn eigen publiek ‘schorem’ noemt. Jongens die hun baan verliezen omdat ze lang haar dragen.
  De tijden veranderen. Probeer de veranderingen niet tegen te houden, probeer mee te veranderen. Blijf niet achter. Hoe moeilijk het soms is. Donderend applaus voor Dylan. Enorme verkoop in heel de wereld. Zouden al die enthousiastelingen het eens zijn met Dylan’s tekst. Zou zijn ‘The times they are a-changing’ effekt hebben? Of wordt het beschouwd als een lekker in het gehoor liggend kommersieel plaatje? Wij weten het niet”.
 
***
  
029-3 hitweek 1e nummer (17 9 1965)
Voorpagina eerste nummer Hitweek
 
In een tweede artikel stelde de krant journalist Skip Voogd aan de kaak. Die was al ouder dan dertig jaar! In 1956 had Voogd zich in Tuney Tunes afgezet tegen Elvis Presley. Tien jaar later had hij volgens Hitweek gesteld dat Bob Dylan ‘bedrog’ was. Het blad greep z’n kans en plaatste de kop: ‘Is Dylan bedrog? Skip Voogd: ‘Ja!’’ En verder:
 
“Is Bob Dylan nu kommercieel ja dan nee? Muziekbladen en zelfs de AVRO-bode en Wereldkroniek (beiden vertegenwoordigd door Skip Voogd) hebben reeds ongerust de vraag opgeworpen in welk vakje folksinger Bob Dylan gestopt moet worden. In Nederland heeft men nu eenmaal geen recht van bestaan als men niet in ’n bepaald hokje thuishoort.
   En dat Bob Dylan zich niet lààt indelen is dan ook bizonder moeilijk – naar Hollandse begrippen – te vatten. Men heeft hem reeds ten onrechte folkzanger genoemd, alhoewel Bob Dylan persé geen folkzanger is. De stijl van Dylan is de stijl van Dylan is de stijl van Dylan. Het op ’n natuurlijke, primitieve wijze bezingen van gebeurtenissen en opvallende ordeloze gedachten wil nog niet zeggen, dat het folk is.
 
We moeten dan ook konkluderen, dat Bob Dylan kommercieel is. Althans, sinds kort. Hij is het namelijk geworden. Zijn eerste langspeler ‘Bob Dylan’ was zuiver individualistisch en niet kommercieel. In het begin werd deze plaat dan ook niet goed verkocht. Zijn ‘Subterranean Homesick Blues’ is duidelijk een kommerciële plaat. Het gebruik van elektrische gitaren als begeleiding verleent de meeste nummers van Bob Dylan een pop-aksentje. Op de laatste langspeler van Dylan ‘Bringin’ it all back home’ komen verschillende zuiver-kommerciële nummers voor, op die nummers – en dat wèèt Dylan – wordt de plaat namelijk verkocht. De overige niet-kommerciële nummers moeten de ‘image’ van Bob Dylan in stand houden.
 
Het tweede probleem waarmede de Nederlandse muziekrecensenten worstelen is de vraag: Is Bob Dylan kommercieel, ja dan nee. Waarbij we direkt moeten vragen: wat is kommercieel? Johnny Hoes, The Beatles, Greetje Mona, Chuck Berry en Tante Leen, zij allen zijn kommercieel. Dat wil zeggen zij maken platen, die het publiek wil, die het publiek koopt.
   Niet kommercieel is bijvoorbeeld jazz, die immers alleen door de liefhebbers gekocht wordt. Zelden wordt er dan ook aan een jazz-musicus een gouden plaat uitgereikt. Jazz wordt weinig verkocht, zoals ook (maar gelukkig steeds minder) country & western, rhythm & blues, klassieke muziek, jodelmuziek, koor-uitvoeringen etc. etc. Al deze muziek-uitingen zijn voorbehouden aan een selekt publiek. Terwijl kommercieel zijn betekent muziek creëren voor de mens, voor iedereen. Muziek maken met als belangrijkste doel geld, veel geld verdienen. Met andere woorden kommercieel bedoeld geld”.
 
 
029-4 Bob Dylan album
Eerste album van Bob Dylan
 
 
Bob Dylan in The Oswegonian
 
Wat vonden jonge Amerikanen in 1965 van Bob Dylan? Die vraag kan natuurlijk niet in z’n algemeenheid beantwoord worden. Onlangs vond ik een artikel in ‘The Oswegonian’ (19 november 1965, een studentenblad). Samen met de Nederlandse artikelen geeft het een aardig beeld van de verwarring die Bob Dylan in 1965 wist te zaaien:
 
“Bob Dylan, born in 1941 in Minnesota, has systematically shaken, upset, overturned and finally re-routed the entire course of contemporary folk music. There isn’t a singer in the folk field today who hasn’t in some way been influenced by him, in his writing, his performing, even in his appearance. The imitators are legion, but Dylan continues on his own way, belonging to no one, blazing his own trails – exciting, unpredictable, unexcelled.
   Looking for a key to Dylan’s success – a single, facile explanation – is quite as impossible as trying to explain his music. It used to be that whenever the topic of Dylan came up, the usual pantheon – Leadbelly, Guthrie, Seeger – was invoked with appropriate wonder.
   Apparently Bob Dylan wasn’t listening. The kids with the denim shirts and the opaque sunglasses used to sit around the basement coffeehouses talking about him as if he were their own private property, a kind of glorious spokesman for the pubescent hippie.
   Traces of the influence of Guthrie and the rest still remain, but Dylan’s music has long since come out of the coffeehouses and into the open – the wide open. He gives sell-out concerts at places like Lincoln Center and Town Hall, and has recently returned from an enormously successful tour of England, where he managed to surpass the Beatles, The Rolling Stones, The Animals and all the rest of them on the record charts; suddenly, everyone stopped dancing and started listening.
   How did he do it? With what? Kids don’t throw penny candy at him or scream while he performs. Yet the talk in England now is all about Dylan. He’s the most popular American export over there since Elvis Presley, and has received the approval of virtually everyone in the business, including The Beatles, who are acknowledging him as a great influence on their own music and on the whole Mersey sound.
   We in this country always thought of Bob Dylan as a kind of Pied Piper for the kids who always seemed to be worrying about something, the ones who liked to talk more than dance. What’s happened?
   Well, Bob Dylan isn’t pinning his social conscience to his guitar strings anymore, and the music has dropped most of the wandering troubadour overtones it originally had. The beat is sharper now, heavier, and the words are more complex. Sometimes the unchecked, occasionally rambling poetry of the lyrics seems to get in the way, and some people even claim that they’re completely baffled by most of the Dylan repertoire. Rumor is that the purists are grumbling and suling about the electric guitars and about the ‘obscurity’ of some of the lyrics, but can they really be listening?
   The melody now underscores the word rhythm more sharply, and the special lyricism of the of the Dylan lines, sometimes melancholy, sometimes abrasive, always eloquent, comes across with far more meaning reinforced by the driving support of those taboo electric guitars.
   There is often an intentional rough edge to a Dylan lyric (a perfect example is one of his Columbia singles, ‘Like a Rolling Stone’: “How does it feel, how does it feel, to be on your own, like a complete unknown, with no direction home, like a rolling stone?”) which only the soulful accents of rhythm and blues can deliver with full force and meaning.
   In that way, Dylan is much like Vachel Lindsay, who wrote ‘The Congo’ to be read with drum accompaniment. But there is, too, a kind of brooding beauty in the best of Dylan’s lyrics, like ‘Love Minus Zero/No Limit’, ‘Mr. Tambourine Man’, and ‘Like a Rolling Stone’, which Vachel Lindsay would never capture”.
 
 
029-5 Byrds - Mr Tambourine Man pic sleeve
 
 
Harry Knipschild
5 mei 2010
 
Clips
 
Literatuur
Keith Altham, 'Marianne Faithfull meets Dylan and Baez', New Musical Express, 14 mei 1965
'Dylan', Hitweek, 17 september 1965
'Is Dylan bedrog? Skip Voogd: 'Ja!'', Hitweek, 17 september 1965
Norman Jopling, 'Highway 61 Revisited', Record Mirror, 23 september 1965
''Mr. Tambourine Man' en andere Byrds' successen', Leidse Courant, 30 oktober 1965
Harry Knipschild, 'Bob Dylan', Tuney Tunes, november 1965
'Singer Bob Dylan to appear Sunday in Syracuse memorial', The Oswegonian, 19 november 1965
Al Aronowitz, 'A night with Bob Dylan', New York Herald Tribune, 12 december 1965
Paul Williams, Bob Dylan, performing artist 1960-1973. The early years, Londen 2004 (1990)
Suze Rotolo, A freewheelin' time. A memoir of Greenwich Village in the Sixties, Londen 2009