Zoeken

 

In de eerste jaren van de hitparade, zeker in Nederland in de jaren vijftig, bestond die lijst uit de meest verkochte platen. Die werden door winkeliers in het hele land aan muziekbladen opgegeven. Het was, lijkt achteraf, een tijdperk van onschuld. Langzamerhand veranderde dat, zoals met ‘alles’ in het leven. In 1966 werd ik me nadrukkelijk bewust dat het effect van de hitlijst honderd tachtig graden gedraaid was. De winkeliers lieten hun inkoopbeleid nu bepalen door wat in de top 40 was opgenomen. Met enkele uitzonderingen namen ze dus zelf niet meer de beslissing over hun inkoopbeleid. Wat niet op de top 40 stond werd door de meeste handelaren nauwelijks besteld.
   In september 1966 nam ik in zekere zin de proef op de som. Negram-Delta, de platenmaatschappij waar ik werkzaam was, werd onder druk gezet om voor duizend gulden een advertentie te plaatsen onder de top 40. Dat was veel geld in die tijd. Hans Kellerman, mijn directeur, was niet blij. Wat moest hij doen? Het leek weggegooid geld. Wat voor singles moeten we afbeelden, vroeg hij mij. In een ondeugende bui stelde ik hem voor in dat balkje door te tellen: 41, 42, 43 enzovoort. Daarmee suggereerde je dat de top 40 uitgebreider was geworden dan voorheen. Kellerman vond het een goed idee. In de advertentie van 27 september telden ‘we’ door van 41 naar 54. Het effect was fenomenaal. De platenhandel kocht duidelijk in op de ‘uitbreiding van de top 40'.
 

Een paar jaar later werd de onderkant van de top 40 geformaliseerd. Er kwam een tipparade van 30 singles. De twee lijsten samen, top 40 en tipparade, bepaalden voor meer dan 90 procent wat de platenwinkelier aan singles op voorraad nam. Als je als artiest of groep niet in de tipparade werd opgenomen kon je de verkoop meestal wel vergeten. De kans dat je dan de top zou halen was niet veel meer dan 0 procent. Maar de tipparade was subjectief. Per week werd een tiental nieuwe plaatjes in die lijst opgenomen. De keuze werd vanaf die tijd gemaakt door de deejays van Veronica onder leiding van Rob Out. Zijn/hun macht over de muziekindustrie was dan ook groot. Zelfs nadat zeezender Veronica met gelegenheidswetgeving door de overheid uit de lucht gehaald werd.
 

 

 

In Amerika had een soortgelijke ontwikkeling plaats. Steeds meer kwamen er top 40 stations, schreef Fredric Dannen in zijn boek ‘Hit men’ (1990). Hun hele programmabeleid was vrijwel uitsluitend gebaseerd op een zeer beperkt repertoire. Zenders die niets anders deden dan popmuziek uitzenden voegden per week niet meer dan een handjevol nieuwe singles aan hun ‘playlist’ toe. Als je daar niet bij hoorde, kwam je bij veelbeluisterde radiostations dus nooit aan bod.

  

Payola en nieuwe payola

 

Voor mensen in de muziekindustrie waren de belangen groot. Dat gold voor artiesten, muzikanten, managers, platenproducers, muziekuitgevers en medewerkers van platenmaatschappijen. Hun ‘boterham’ hing ervan af of hun plaat al dan niet door radiostations werd opgepakt.

   Beslissers bij de radiostations hadden niet altijd een hoog salaris. Ze konden dus wel een extraatje gebruiken. Mensen werkzaam in de platenindustrie werden door hen wel eens uitgenodigd een ‘bijdrage aan het gezinsleven’ te leveren. Het initiatief kon natuurlijk eveneens van de andere kant komen. Zo ging het in Nederland. En ook in Amerika. Het beïnvloeden van airplay werd er ‘payola’ genoemd. De Amerikaanse deejay Alan Freed propageerde rock & roll-muziek. De gevestigde autoriteiten probeerden de wilde ‘negerklanken’ uit de ether te weren. Heel wat radiomensen hadden boter op hun hoofd. Alan Freed werd gepakt. Aan zijn succesvolle loopbaan kwam een einde. En zo ook aan zijn leven. Aan lager wal geraakt overleed hij al in 1965.

 

110.2 Freed, Williams, Ben DaCosta, Buddy Holly
Alan Freed, de 'zwarte' artiest Larry Williams, Ben DaCosta (DJ), Buddy Holly
 

Het beïnvloeden van radiomakers in de VS was een van de belangrijkste thema’s in het boek van Fredric Dannen. “Payola verdween niet ondanks alle verontwaardiging ”, schreef hij. “In de jaren zeventig stak het opnieuw de kop op”. Grote, keurige platenmaatschappijen konden het zich niet permitteren eraan mee te doen, zeker niet op het hoogste niveau. Het probleem werd meestal doorgeschoven naar de werkvloer.

   Dannen voerde het begrip ‘nieuwe payola’ in. De muziekindustrie had zijn eigen promotiemensen. Ze werden geacht zich correct te gedragen. Maar daarnaast opereerden er ‘onafhankelijke promotiemensen’. Die kon je tegen een vergoeding inhuren om een extra bijdrage te leveren aan het mogelijke succes bij de muziekzenders. De nette mensen van de muziekindustrie wilden bij wijze van spreken niet weten wat er met het verstrekte geld gebeurde als ze dat eenmaal in handen van de vrije jongens gegeven hadden. Het was hun job een en ander voor mekaar te krijgen.

   Er kwam een clubje van onafhankelijke pluggers in de Verenigde Staten. Ze zaten overal en ze verdeelden de markt voor het moeilijke werk. Joseph Igro en Dennis Lavinthal werkten vanuit Los Angeles, Fred DiSipio uit Cherry Hill, New Jersey, Gary Bird uit Cleveland, Jerry Brenner uit Boston, Jerry Meyers uit Buffalo, New York. Elk lid van wat ‘The Network’ heette had zijn eigen territorium. Dat hoefde niet hun woonplaats te zijn. De ‘markt’ voor airplay, voor macht over de toonaangevende radiostations, hadden ze onder elkaar verdeeld.

   De macht van de onafhankelijke pluggers werd zo groot dat ze hun tarieven met succes verhoogden. In het eerste hoofdstuk van zijn boek voerde Dannen bijvoorbeeld Joe Isgro op. In 1980 was deze uit Philadelphia afkomstige promotieman 33 jaar oud. Hij droeg zwarte overhemden, gouden sieraden en speciaal voor hem vervaardigde kostuums. Igro zwaaide met biljetten van honderd dollar. Hij reed in een Rolls Royce Corniche en kon zich een kostbare woning met veel marmer permitteren. Isgro had in Vietnam gevochten. Hij bewaarde een doos met foto’s van leden van de Vietcong die hij om het leven gebracht had. Isgro liet zich vergezellen door twee stevige Britse bodyguards.
 

Omstreeks 1980 investeerde Columbia Records ongeveer 10 miljoen dollar per jaar in de hulp van onafhankelijke Amerikaanse platenpluggers, aldus Dannen. Voor alle duidelijkheid: het geld om de radiostations te beïnvloeden was voor rekening van de platenmaatschapijen. De artiesten etcetera deden meestal niet meer dan toekijken. Of klagen als succes uitbleef.

 

110.3 Isgro, John Rook, Tom Jones
Joe Isgro, John Rook (KFI), Tom Jones
 

Dick Asher moet problemen bij CBS aanpakken

 

Ondanks de hoge kosten werkte het systeem jaar na jaar in de jaren zeventig. Maar aan het einde van dat decennium stortte de markt in. Onverwacht kwam er een einde aan de rage van de disco-muziek. Er waren ook geen succesvolle opvolgers voor kassuccessen als ‘Grease’, ‘Saturday Night Fever’ en ‘Thank God it’s Friday’.

   De problemen in de platenindustrie waren in die tijd gigantisch. Er moest dus bezuinigd worden. In het eerste hoofdstuk van ‘Hit Men’ richtte de auteur zijn schijnwerpers op CBS Records, een onderdeel van CBS Broadcasting. Het platenbedrijf had een dramatisch jaar 1979. De bruto winst zakte met maar liefst 46 procent ten opzichte van 1978. Zoiets was nog nooit eerder gebeurd. Vanaf de Tweede Wereldoorlog groeide de business altijd wel. Maar nu was dat niet het geval. Het probleem werd nog vergroot doordat winkeliers in Amerika het recht hadden onverkochte albums aan de platenmaatschappij te retourneren. Die namen dus de grootste risico’s. Voor CBS Records was 10 augustus 1979 een ‘zwarte vrijdag’. Kort na elkaar werden eerst 59 en daarna nog eens 120 medewerkers ontslagen.

 

CBS zette een speciale man in om de problemen op te lossen. Dick Asher werd benoemd tot plaatsvervangend president van CBS Records. “Asher’s mission was to cut costs and restore profits”. Die opmerking van Dannen liet aan duidelijkheid niets te wensen over.

   Asher was een marine-man. Hij had in Cornell rechten gestudeerd. In 1972 stuurde CBS hem naar Engeland. Hij slaagde erin het in de rode cijfers verkerende bedrijf weer winstgevend te maken. In 1975 kreeg Asher de leiding over de internationale activiteiten van het CBS-concern (met labels als Columbia, CBS en Epic). Zijn grote prestatie was de wereldwijde platencarrière van de Spaanse zanger Julio Iglesias, tot in de Verenigde Staten toe. Asher was dus niet de eerste de beste. Tijdens een afwezigheid van zeven jaar uit de VS had hij een en ander bewezen.

   Asher werd plaatsvervangend president. Dus niet zelf president. De echte president was de joodse jurist Walter Yetnikoff. Een meer dan flamboyante man. Een man die zich volgens Dannen ‘niet liet controleren’. “Hij weigerde om voor ’s morgens elf uur op kantoor te verschijnen. Maar hij werkte wel de hele avond door. Hij ramde maar door op zijn telefoon en schreeuwde in het yiddish. Memo’s schreef hij niet. Zijn secretaresse kon zelfs niet typen. Met artiesten kon hij het goed vinden. Michael Jackson, Neil Diamond, Cindy Lauper, Billy Joel, ze konden met iemand als Yetnikoff goed door één deur”.

   Yetnikoff was enorm impulsief. Hij kon schelden en met glas gooien. Dannen hoorde van een ooggetuige: “Toen het hem niet lukte een artiest bij CBS te krijgen huilde hij van woede. Hij sloeg met zijn handen tegen de muur en schreeuwde: ‘Ik maak [de directeur van een andere platenmaatschappij] kapot. Ik vernietig hem. Ik zorg er persoonlijk voor dat hij nooit meer een baan in de muziekindustrie krijgt’. Het was om bang van te worden. Ik voelde me helemaal opgelaten”.

   Zo ging hij soms ook met zijn artiesten om. Iemand van CBS vertelde hoe Yetnikoff de Beach Boys behandelde. “In 1976 nam hij de groep onder kontrakt. Walter legde miljoenen dollars op tafel. Vier jaar later hadden ze nog geen album opgenomen. De Beach Boys moesten op zijn kantoor verschijnen. Ze dachten dat hij ze een stevig zou oppeppen. In plaats daarvan sprak Yetnikoff ze toe met de woorden: ‘Heren, ik geloof dat ik genaaid ben’”.

 

Walter Yetnikoff en Michael Jackson

 

Dick Asher, de ‘redder’, was niet blij met zijn benoeming. Hij wist dat hem een moeilijke taak te wachten stond en dat zijn relatie met Yetnikoff niet makkelijk zou zijn. Die zou zich waarschijnlijk met de komst van de marine-man achteruit gezet voelen. Dat gold niet alleen voor de president van CBS. Ook andere leden van de staf van de platenmaatschappij zagen hem als een indringer, een ‘spion’ van de holding van het CBS-concern.

   Asher liet zich ompraten. Hij ging in New York aan het werk. Diplomatiek was hij niet, aldus Dannen. Dat wist hij ook zelf wel. Om passende maatregelen te kunnen nemen hield hij urenlange vergaderingen. Het personeel werd bovendien intensief door hem ondervraagd. Vervolgens maakte hij het leven van de platenmensen niet aantrekkelijker. Voortaan moesten ze maar met de bus reizen in plaats van met dure auto’s. Etentjes in goede (dure) restaurants, was dat wel nodig? Bij heel wat ‘reisjes’ zette hij vraagtekens. Asher vond de mensen van de Amerikaanse platenmaatschappij maar arrogant. “Ze dachten dat ze alles al wisten”, zei hij. Zo maakte je geen loyale medewerkers. Het personeel gromde.

 

Na korte tijd had Dick Asher de belangrijkste overbodige kostenpost gevonden. Het uitbesteden van de radioplugging aan onafhankelijke promotiemensen. Het verschijnsel als zodanig kende hij wel. Vóór hij in 1972 de leiding kreeg over CBS in Londen had hij er in de VS zelf mee te maken gehad. Maar het was wel uit de hand gelopen. In ‘zijn’ tijd betaalde je een vrije jongen honderd dollar per week als je eigen promotiemensen het te druk hadden. Zeven jaar later kwam het voor dat je 100.000 dollar (!) betaalde om één nummer aan de man te brengen. Die kosten waren dus de spuigaten uitgelopen.

   Aan Dick Asher werd uitgelegd hoe belangrijk onafhankelijke promotie was. Dan pas liet je als platenmaatschappij zien dat je achter je artiest stond. Bovendien, als je eenmaal met een single de zo noodzakelijke airplay gegenereerd had, en dus een hit gescoord had, volgden de verkopen van de albums vanzelf wel. Dat ene nummer, die single, fungeerde als een soort bottleneck, een flessehals waar je doorheen moest.

 

‘The Wall’ van Pink Floyd

 

110.5 Pink Floyd The Wall
 

 

Aan het einde van het zo moeilijke jaar 1979 bracht CBS een belangrijk nieuw product op de Amerikaanse markt: het dubbelalbum ‘The Wall’ van de Britse groep Pink Floyd. Het verkopen van een Pink Floyd-album was in het verleden nooit zo’n probleem geweest. Van albums als ‘Dark side of the moon’, ‘Wish you were here’ en ‘Animals’ waren in de States miljoenen exemplaren verkocht. ‘Dark side of the moon’ (uit 1973) vertoefde meer dan 700 weken in de Amerikaanse album-hitlijsten. Onvoorstelbaar maar waar.

   Het dubbelalbum ‘The Wall’ was de potientiële omzetmaker die CBS juist op dat moment meer dan nodig had. De elpee had nog iets wat bij Pink Floyd ongebruikelijk was, een mogelijke hitsingle. Een Pink Floyd-album met een succesvolle single kon dus nóg beter verkopen dan al z’n voorgangers. Het enige wat je hoefde te bereiken was airplay op de top 40-stations.
   Er was een extra belang. Februari 1980 was de start van de Amerikaanse toernee van de groep. Alle vijf concerten in Los Angeles waren tot het laatste plekje uitverkocht. Tachtigduizend aanhangers hadden een kaartje weten te bemachtigen. Er was dan ook alles op alles gezet om er een spectaculaire show van te maken. Tachtig man personeel assisteerde de groep op het toneel. Elke avond werd er een muur van vier verdiepingen op de bühne gebouwd. Het geluid was quadrofonisch. Allerlei apparaten werden ingezet om een overweldigende indruk te maken. De totale productiekosten bedroegen niet minder dan een miljoen dollar. Vanwege die aanpak kon Pink Floyd alleen maar optreden in Los Angeles, New York, Londen en Keulen.

 

‘Another Brick in the Wall’ in Los Angeles

 

110.6 Pink Floyd LA ticket 1980
Entreebewijs voor de wereldpremiere van "The Wall"

 

De uitstraling van Pink Floyd voor de rest van de States, en de wereld, vanuit Los Angeles was dus enorm. Niemand kon er om heen. Dat was ook de mening van Dick Asher, de nieuwe plaatsvervangend president van CBS Records, schreef Dannen. Asher had, dacht hij, alle troeven in handen. Voor een fantastische single van Pink Floyd, ‘Another Brick in the Wall’, had je geen vrije jongens nodig. De airplay voor zo’n nummer in Los Angeles leek hem volledig gegarandeerd. Dat moest CBS Records wel even zelf kunnen opknappen. Een prachtige case om de positie van de onafhankelijke pluggers voor eens en altijd te ondermijnen. Asher was niet voor niets ingezet om kosten te besparen en de winst op het oude peil terug te brengen.

 

Dick Asher verkeek zich op de werkelijkheid. Op het moment dat de Pink Floyd-toernee van start ging kreeg ‘Another Brick in the Wall’ flinke airplay in de VS. De single stond al nummer één bij radiostations in Phoenix en Seattle.

   De enige uitzondering was Los Angeles. In het stadsconglomeraat waren vier top 40-stations met meer dan 3 miljoen vaste luisteraars: KEARTH, KFI, KRLA en KHJ. Bij geen van die zenders werd ‘Another Brick in the Wall’ überhaupt ten gehore gebracht. En dan te bedenken, schreef Dannen, dat ‘iedereen onder de 30' in die stad in een Pink Floyd t-shirt rondliep. De promotiemensen van de platenmaatschappij deden vreselijk hun best. Maar ze vingen bijvoorbeeld bot bij Bob Hamilton en John Rook, de mensen die bij KEARTH en KFI besloten welke singles er op de playlist kwamen.

   Het vervolg laat zich raden. Steve O’Rourke, manager van Pink Floyd, ontdekte dat de meest succesvolle single van de groep aller tijden niet op de radio gedraaid werd in Los Angeles. O’Rourke kwam erachter wat de reden was. Waarschijnlijk hoorde hij van een CBS-medewerker welk besluit de plaatsvervangend president genomen had. Een niet-loyale medewerker, een soort ‘klokkenluider’?

   Asher werd ter verantwoording geroepen. De gedachtenwisseling tussen de manager en de tweede man van de platenmaatschappij vond wellicht niet in diplomatieke taal plaats. Wat kon Asher anders doen dan terugkomen op zijn beslissing om de promotie van ‘Another Brick in the Wall’ niet uit te besteden.

 

Dick Asher
 

Columbia schakelde alsnog onafhankelijke promotiemensen in. De beslissers bij de top 40-stations in Los Angeles veranderden meteen van mening. Dezelfde dag nog was ‘Another Brick in the Wall’ bij de belangrijke stations te horen. Half maart stond de single op nummer één bij KFI, op 3 bij KEARTH en op 9 bij KHJ. Een maand later was ‘Another Brick’ nog steeds de top-single bij KFI en KEARTH. ‘Another Brick in the Wall’ haalde de nummer één-positie in de Amerikaanse hitlijsten.

   Dick Asher had zijn lesje geleerd. Hij had beter moeten luisteren naar zijn medewerkers. Met de bestaande machtsverhoudingen viel niet te sollen. Niet voor niets gaf Dannen het eerste hoofdstuk van zijn boek ‘Hit Men’ de titel ‘The education of Dick Asher’.

 

De gevolgen in 1980-1985

 

Asher had het onderspit gedolven. Dat had gevolgen op termijn. Om te beginnen moest je als platenmaatschappij bijzonder kapitaalkrachtig zijn om de vrije jongens te kunnen betalen. Voor kleine ondernemingen was dat onmogelijk. Alleen de grote multinationals konden zich deze aanpak veroorloven. De kleinere labels verdwenen van de Amerikaanse markt. De onafhankelijke promotors voerden hun tarieven steeds verder op. Dannen schatte dat de (nog overgebleven) muziekindustrie in 1985 per jaar tussen de zestig en tachtig miljoen dollar in dat soort activiteiten investeerde. Soms kostte de plugging van één single 300.000 dollar.

   De meeste informanten van de auteur van het boek wensten anoniem te blijven. Maar af en toe kwam er wel eens iets naar buiten. Zo verklaarde de programmaleider van een middelgroot radiostation in Californië anno 1987 dat hij de afgelopen drie jaar ongeveer 100.000 dollar geïncasseerd had. Van een vrije jongen kreeg hij elke week een verjaardagskaart. Die werd bezorgd in een postbus. Niet op zijn officiële maar op een ‘afgesproken’ naam. Elke week moest hij drie of vier nieuwe songs op de playlist van het station zetten. De programmaleider vond in de enveloppe bij zijn wekelijkse verjaardagskaart dan een bedrag dat varieerde van 500 tot 1000 dollar. Elke week, drie jaar lang.

   Dick Asher vatte de ontwikkeling later samen met de woorden: ‘Dit was geen payola, het was afpersing”.

 

Geen doorbraak voor de New Adventures

 

Ook Nederlandse groepen hadden met dit fenomeen te maken als ze wilden doorbreken aan de overkant van de Oceaan. In 2007 vertelde Jerry Voisin me van zijn ervaringen in de States met de New Adventures uit Groningen. Jerry was gestationeerd bij Polydor in New York, een onderdeel van PolyGram.

   Hij wist: “Doorbreken in de VS is een ingewikkelde zaak. Het zijn allemaal kleine landjes. Je moet overal airplay zien te krijgen, je kunt niet nationaal pluggen. Alles moet bovendien samenvallen. Het gaat om de key markets, New York, Los Angeles, de major cities. Een breakout in Chicago, Atlanta of Detroit kan belangrijk zijn. Andere markten reageren daar dan op. Overal moet je lokale pluggers inhuren en die kosten centen. De platenmaatschappijen weten niet wat zo’n independent plugger doet. En ze willen het ook niet weten. Een gedeelte van de lump sum die ze moeten betalen aan iedere plugger zal wel bij de diskjockeys komen, net als hier in Nederland. Van elke plaat die je wilt pluggen moet je bovendien ongeveer 60.000 stuks gratis beschikbaar stellen voor de radio en andere belanghebbenden. Een doosje voor elk radiostation. Er is veel geld mee gemoeid. Ik schat dat je gauw 100.000 dollar verder bent”.

   Jerry vertelde me dat onafhankelijke pluggers hem benaderd hadden. Ze waren tot de conclusie gekomen dat ‘Come On’, ‘If your mama don’t like it’ en andere nummers van het eerste Polydor-album van de New Adventures (1980, geproduceerd door George Kooymans) succes zouden hebben in Amerika. Konden hebben. Als je maar in de buidel tastte. De buidel bij PolyGram was op dat moment niet voorhanden. Het Nederlands-Duitse concern (Philips, Siemens) had dezelfde problemen als CBS. Maar ging er anders mee om. Dus geen doorbraak voor de Nederlandse New Adventures. Wegens gebrek aan succes hield Polydor in New York vervolgens op als zelfstandige onderneming. De poorten gingen dicht. Voisin en anderen werden wegbezuinigd, ontslagen. Dat was de realiteit.

   “Ik heb twee afschuwelijke ontslagrondes meegemaakt. Je hebt vast wel eens gehoord dat er in the States geen sociale zekerheid bestaat. Twee weken severance-pay en je kan meteen je bureau leegmaken en zo ging dat ook. Ik was bevriend met een sales-manager, die huilend aan m’n bureau zat. Leuk was anders. Er was een speciale kerel aangesteld. Die was belast met dat hele proces van cost-cutting en ontslagen. Het was allemaal nogal bizar”.

 

110.8 New Adventures 1980
New Adventures: geen smeergeld, geen doorbraak in de VS

 

Het boek van Fredric Dannen werd goed gelezen. In een artikel in Time van Richard Behar werd het ontslag van de Walter Yetnikoff in 1990 gedeeltelijk toegeschreven aan het verschijnen van ‘Hit Men’.

   “Yetnikoff has been dogged by his associations with the industry’s leading roughneck, Joseph Isgro, who reputedly has ties to the Gambino crime family. Isgro is a boss of the ‘Network’, an alliance of independent record promoters. He was indicted last year and charged with distributing payola, payments of cash or cocaine, on behalf of the major record labels to radio stations to get certain Top 40 records played. But last week a Los Angeles federal judge threw out the case against Isgro, accusing the prosecutors of ‘outrageous government misconduct’ for withholding evidence. Yetnikoff has never been directly linked to payola, but he failed to use his position to fight the practice. ‘Without a doubt, Yetnikoff was the closest record executive to Isgro’, claims Hit Men author Dannen. ‘Isgro perceived him as an ally’”.

   Yetnikoff ontkende alles wat hem aangerekend werd. In een tv-interview verkondigde hij: “Fredric Dannen is full of shit. Hij zal het niet leuk vinden dat te horen. Hij kan me voor het gerecht dagen als hij dat wil. Het had allemaal te maken met Dick Asher en de manier waarop hij omging met onafhankelijke promotors. De laatste veroordeling voor payola vond plaats in 1958. Dat was Alan Freed. Ik zei juist dat we geen steekpenningen moesten uitbetalen. Dannen is eenzijdig. Hij richt zich op één ding. Zoals het in het boek staat is het niet. Het is veel te simplistisch gesteld”.

 

Hoe dan ook, ‘The Wall’ en de single ‘Another Brick in the Wall’ leverden Pink Floyd een groot succes op, tot op de dag van vandaag. Wat er ook voor betaald werd om het succes te creëren.

 

Harry Knipschild

31 mei 2012
 
Clips
 
Literatuur
Robert Hilburn, 'Pink Floyd: not just another R&R night', Los Angeles Times, 9 februari 1980
Sylvie Simmons, 'Pink Floyd: Memorial Sports Arena, Los Angeles', Sounds, 23 februari 1980
Mark Leviton, 'Pink Floyd: Memorial Sports Arena, Los Angeles CA', BAM, 7 maart 1980

Richard Behar, ‘A Music King’s Shattering Fall’, Time, 17 september 1990

Fredric Dannen, Hit Men, New York 1991 (1990)

Lola Ogunnaike, ‘Sex, Drugs and Ego - A Music Mogul’s Swath of Destruction - A Deposed President of CBS Records’, New York Times, 4 maart 2004

Ray Waddell, ‘Q&A: Billy Joel at 60, Billboard, 30 april 2009

Harry Knipschild, ‘Herinneringen aan de loopbaan van Freddie Haayen bij Polydor’, website Harry Knipschild, 10 maart 2010

Harry Knipschild, ‘Over de opkomst van de ‘Haagse scene’ – Jerry Voisin’, in Money Money Money?, Schoorl 2010