Zoeken

 


In zijn proefschrift van 1999 stelde Kees Wouters: “De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) deed bij velen twijfel rijzen aan de suprematie van de westerse beschaving. Traditionele waarden en geloof in de vooruitgang waren plotseling geen vanzelfsprekende meer. De confrontatie met onbekende cultuuruitingen, zoals het dansen van een foxtrot op jazzmuziek, gaf voeding aan een wijd verbreid cultuurpessimisme. Volgens socialistische kruisvaarders tegen de zedenverwildering maakten jazz en quickstep deel uit van de burgerlijke schijnbeschaving”.
  
Dat bleek nog eens toen het orkest van Paul Whiteman (1890-1967) in 1926 met groot succes drie uitverkochte concerten in ons land gaf. In het socialistische dagblad Het Volk schreef Paul Sanders dat hij de seksuele sfeer in de Amerikaanse muziek zag als een’uiting van barbaarse cultuur, een verdovingsmiddel voor afgematte zakenmensen’.

De nieuwe muziek van het westelijk halfrond riep niet alleen bij ‘links’ weerstanden op. Bisschop Diepen beschouwde de ‘Amerikaanse cultuur met zijn alom verbreide moderne dansen als het nieuwe heidendom’. Pater Linnebank, een deskundige op pedagogisch gebied, wist: “Men is in de leer gekomen bij wilde volksstammen. Men danst en walst gelijk de kaffers”. Zo zou je het vandaag niet meer (mogen) zeggen.
   P
aul Whiteman, ‘king of jazz’, zoals hij in de roaring twenties genoemd werd, was pas 36 jaar toen hij met zijn concerten Nederland veroverde. De vertolker van Amerikaanse muziek had nog een lang leven voor zich. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog manifesteerde hij zich nadrukkelijk. Vanaf 1949 presenteerde hij een van de eerste programma’s op de Amerikaanse televisie die zich speciaal richtten op een nieuwe generatie, de teenagers. Het programma heette ‘Paul Whiteman’s TV Teen Club’. In 1952 was de orkestleider 62 jaar.

Dick Clark (1929-2012), een ambitieuze jongeman, schoot hem te hulp. Na enige tijd werd Clark een van de meest populaire tv-presentatoren voor popmuziek. Het programma, uitgezonden vanuit Philadelphia, in heel Amerika te bekijken, werd bekend onder de naam ‘American Bandstand’.

 

131 - 1 Whiteman 1926 Scheveningen

Paul Whiteman (midden met stok) in Scheveningen, 1926

 

Dick Clark

 

Op 16 maart 1958 wijdde John Shanley onder de naam ‘Dick Clark – new rage of the teenagers’ in de New York Times een groot artikel aan de nieuwe media-ontwikkelingen.
  
“Iedere schooldag tussen half drie en vijf uur ’s middags zit een van de studio’s van WFIL-TV vol met een groep teenagers. De meeste jongelui zijn studenten van scholen in de buurt. Ze bezoeken de studio. Ze dansen, luisteren naar de muziek en bewonderen het werk van disk-jockey Dick Clark (27). Vanaf 1952 is hij bij het station werkzaam. Sinds augustus [1957] is Clark wekelijks dertien uur in de lucht. Op zaterdagavond van half acht tot acht uur is ‘American Bandstand’ via ABC-TV [landelijk] te bekijken”.
  
Shanley legde uit hoe populair het programma was. “Er komen soms duizenden brieven per week binnen. Vier personeelsleden proberen die te behandelen, maar het lukt niet. Buiten de studio staan steeds meer canvas-zakken met nog niet geopende post. Verzoeken voor kaartjes om de show bij te wonen lopen uit de hand. Ze komen nu overal uit het land. Dick Clark verdient intussen meer dan 100.000 dollar per jaar. Hij heeft het gemaakt. Bekende artiesten komen naar de studio om hun singles te playbacken. Clark is een man waar je in de platenbusiness rekening mee moet houden. Verscheidene nummers die hij in zijn programma’s geïntroduceerd heeft hebben meer dan een miljoen exemplaren verkocht”.

De show van Dick Clark had zijn plussen en minnen voor de kijkers, aldus de New York Times. Tegen het programma pleitte dat het voornamelijk bestond uit muziek waar de teenagers gek op waren en die door de meeste volwassenen verfoeid werd. Lawaaierige rock & roll, zoals van recente idolen als Elvis Presley, Fats Domino en Jerry Lee Lewis, was verplicht. Maar: “De jongelui die de studio bezoeken zijn meestal conservatief gekleed en gedragen zich netjes. In zes jaar tijd zijn er niet meer dan vijftien verwijderd omdat ze zich wat te uitbundig opgesteld hadden”.
  
Dick Clark was afgestudeerd aan de universiteit van Syracuse. De presentator vergeleek popmuziek met de Griekse wijsgeer Socrates. “We weten dat de jeugd ook in de tijd van Socrates niet begrepen werd. Toen Benny Goodman populair was zeiden de ouderen: ‘Wat is dat voor lawaai. Wat doet hij met onze jeugd?’ Kids zijn altijd een mysterie voor hun ouders”. Toch hadden sommige ouders hem verteld dat ze door zijn programma voor het eerst iets van de voorkeur van hun kinderen voor de nieuwe rock & roll waren gaan begrijpen.

Amerika is een groot land. Artiesten die vanuit Philadelphia opereerden hadden een relatief makkelijke entree bij American Bandstand. Ze waren op oproep beschikbaar. Tal van platenmaatschappijen schoten in de stad omhoog aan het einde van de jaren vijftig. Cameo-Parkway deed het goed met Charlie Gracie, de Rays, John Zacherle en Bobby Rydell. Chancellor met Frankie Avalon en Fabian. Swan had Billie & Lillie en Freddy Cannon. Jamie Records maakte hits met Duane Eddy, een gitarist die in Arizona en Californië zijn thuis had. De artiesten braken dus niet door omdat ze zo goed waren tijdens popconcerten, maar omdat ze de kans kregen zich in een veel-bekeken tv-programma te vertonen. Ze werden gedwongen te playbacken. Iemand als Chuck Berry had daar de grootste moeite mee.
  
Dick Clark had aardig wat financiële belangen. Bij het grote payola-schandaal in die tijd wist hij de dans echter te ontspringen. Alan Freed (1921-1965) ging wél voor de bijl en kwam op 43-jarige leeftijd te overlijden.

 

 

 

Co de Kloet

 

In het begin van de jaren zestig schreef Co de Kloet, producer van het wekelijkse radioprogramma ‘Tijd voor teenagers’ (Vara) een aantal boekjes onder de titel ‘Teenager Parade’. Op de omslag stond gedrukt: “Teenagers, dit is jullie tijd. Een aantal jaren geleden werd het plotseling duidelijk dat de teenagers een eigen smaak ontwikkeld hadden. De invloed van de teenagers deed zich gelden, vooral op het gebied van de populaire muziek. Zo ontstond door onbekende oorzaken in Amerika de rock and roll. Dat is pas muziek riepen de Amerikaanse teenagers en zij kochten de eerste platen bij miljoenen.
  
Al gauw gaf heel Amerika zich gewonnen aan de teenager-muziek en Europa volgde. Nog steeds viert de teenager-muziek in al haar facetten hoogtij. De invloed van de teenager-sterren op de hedendaagse populaire muziek is niet weg te cijferen”.

In Nederland kon je de programma’s van Dick Clark niet op de televisie bekijken. Ook Co de Kloet kon dat niet. Nederlandse popliefhebbers moesten in die tijd naar buitenlandse radiozenders luisteren om nieuwe platen en artiesten te horen. Voor De Kloet, producer van een radio-programma, was dat waarschijnlijk een stuk makkelijker. Hij zal ongetwijfeld vakbladen gelezen hebben, onderhield contacten met Nederlandse platenmaatschappijen en werd, neem ik aan, voorzien van eenvoudige biografieën en exemplaren van nieuwe releases. Op basis van die beperkte informatie schreef hij een verhaal over Bobby Rydell, één van de pop-artiesten die door Dick Clark aan de man gebracht werden. Op een manier zoals rond 1960 gebruikelijk was. Met veel ‘fantasie’.
   De Kloet had kritiek op de muziekbladen in die tijd. (zie het artikel over Barend Toet). Maar wat hij zelf in zijn boekjes schreef verschilde daar niet van.

 

Bobby Rydell bij Paul Whiteman op de televisie

 

Bobby Rydell (Robert Louis Ridarelli) werd op 26 april 1942 geboren in Philadelphia. De familie was van Italiaanse afkomst. Toen Bobby zeven jaar was, aldus De Kloet, probeerde hij een beetje langer op te blijven omdat het zaterdagavond was. “Het televiestoestel ging aan. Jerry Lewis, de beroemde komiek was op tv. Bobby was stapelgek op hem. Hij had bijna al zijn films en tv-shows gezien. Die avond was de show beter dan ooit. Bobby zou wel willen dat het de hele avond duurde. Toen het laatste beeld van de Jerry Lewis-show van het scherm verdwenen was, draaide vader Ridarelli het tv-toestel af. Moeder zei: ‘Kom Bobby, naar bed. Het is hoog tijd’”.
   
Bobby probeerde de tijd nog wat te rekken. Hij wist zijn ouders zo ver te krijgen dat hij Lewis nog even mocht nadoen. “Bobby gaf een nummertje weg. Vader en moeder keken vol bewondering toe. Ze vonden dat Bobby het geweldig deed. Moeder, die eerst bedenkelijk had gekeken kon haar gezicht niet in de plooi houden. Want het was werkelijk heel leuk wat die kleine Bobby daar presteerde. En na Jerry Lewis imiteerde hij ook Louis Prima nog. Eindelijk ging hij naar bed”.
  
Op een goede dag zat Ridarelli in Philadelphia naar de tv te kijken. “Er was een uitzending van de TV-teenclub van niemand minder dan Paul Whiteman. Een serie-programma waarin veel jong talent optrad, zelfs zeer jong talent. Bobby was intussen negen jaar geworden. ‘Zullen wij eens naar meneer Whiteman gaan?’ stelde hij zijn zoontje voor.
  
Bobby vond het best. Z’n moeder was het er niet helemaal mee eens. Ze bedacht allerlei bezwaren omdat ze niet geloofde dat haar zoon een kans had. Maar vader zette door. Samen verschenen ze bij een van de audities die geregeld gehouden werden”. Omdat ze in Philadelphia woonden was dat niet zo moeilijk.
  
“Meneer Whiteman was bijzonder vriendelijk. Vader vertelde honderduit over zijn Bobby die volgens hem zo’n begaafde jongen was. Hij vertelde dat Bobby succes had bij de vrienden en vriendinnen van het gezin Ridarelli en dat hij nu de stoute schoenen maar eens aangetrokken had en naar de auditie was gekomen. Natuurlijk moest Bobby iets voordoen. Zonder blikken of blozen draaide deze zijn hele programma af”.

De voormalige ‘king of jazz’ zag meteen dat Bobby talent had. “Hij had daar een fijne neus voor. Geen wonder voor een man die al zolang in de showbusiness zat. Bepaalde imitaties liet hij Bobby nog eens overdoen. Nog diezelfde middag besloot hij hem in een van de komende uitzendingen te laten optreden. Bobby’s naam moest wel veranderd worden. Vader voelde daar niet voor maar volgens meneer Whiteman was dat beslist noodzakelijk. Hij bedacht de naam Bobby Rydell”.
  
Toen het zover was waren de ouders zenuwachtiger dan het jongetje. “Het optreden sloeg in. Iedereen die iets met het programma te maken had was tevreden en Paul Whiteman in het bijzonder. Dat had voor Bobby prettige gevolgen. Een jaar lang werd hij een regelmatige verschijning in de teen-club”.

 

In de popmuziek

 

Met zijn imitaties van artiesten als Johnnie Ray, Louis Prima, Jerry Lewis, Sammy Davis en Red Skelton trad de jonge Ridarelli (Rydell) bovendien op in Philadelphia. Bobby ging ook gewoon zingen. De eerste groep waar hij in zong was de Skylarks.
  
De Kloet: “De rock & roll kreeg vat op hem. Heel Amerika beleefde die rage. Bobby ontmoette een rock & roll-groep die Rocco and the Saints heette en ook al plaatselijke bekendheid genoot. Het waren allemaal jongens uit Philadelphia, een groepje hechte vrienden die vooral op zaterdagavonden hun ritmische geluiden vanaf het podium lieten horen. In de groep zat een jonge trompettist die ook zo af en toe zong. Zijn naam was Frankie Avalon”. Frankie en Bobby gingen samenwerken.

Bobby was vijftien toen hij al een echte manager had. Co de Kloet in 1961: “Vanaf dat moment begon zijn carrière pas goed. Managers zijn vooral voor jonge artiesten enorm belangrijk. Ze kennen de weg. En wie de weg kent in het doolhof van de showbusiness weet hoe je iets kunt bereiken. Wat zouden Frankie Avalon en Fabian bijvoorbeeld geworden zijn zonder hun manager Bob Marcucci. Wat zou er van Elvis terecht gekomen zijn zonder de bijzonder uitgeslapen Colonel Parker, die nog altijd geldt als een van de beste managers in Amerika. Talent alleen is niet voldoende. Er zijn vele artiesten met talent mislukt, en vele anderen met wat minder talent geslaagd omdat ze de weg kenden die naar het doel leidde”.
  
Frankie Day was muzikant. Hij speelde basgitaar in de groep Dave Appell en de Applejacks. Day zag Bobby Rydell helemaal zitten, aldus De Kloet. “Maar er moest nog heel wat geleerd en bijgeschaafd worden. Daar waren in de allereerste plaats de zanglessen. Die had Bobby nooit gehad. Bobby leerde ook dansen, gitaar- en drumspelen en hij kreeg toneel-lessen. Bobby wilde beroepszanger worden en had al dat harde werken er graag voor over”.

 131 - 3 Rydell, Frankie Day

Bobby Rydell en Frankie Day

In werkelijkheid werd Frankie Day manager van Rocco & The Saints. Maar Bobby zag hij ook wel solo zitten. Vergeefs benaderde Day verscheidene plarenmaatschappijen. Ondanks het feit dat de groep Frankie Avalon op zijn eerste platen begeleidde kreeg hij dat niet voor elkaar. Eind 1958 ging het helemaal mis. Bobby Rydell nam het liedje ‘Fatty Fatty’ op voor Veko Records in Baltimore. De vader van Bobby Rydell, die violist was, betaalde de opnamekosten. Maar er gebeurde niets en de memsen van Veko gingen er met de opname-band vandoor.
  
Co de Kloet in 1961: “Je moet niet denken dat de eerste plaat de volgende week al werd opgenomen. In die tijd van voorbereiding kreeg hij al een contract van een platenmaatschappij die bereid was om meteen een plaat te maken. Maar manager Frankie Day dacht daar anders over. Bobby was nog niet klaar. De eerste plaat kwam eerst nadat Frankie het juiste ogenblik gekomen achtte”.

 

Rydell bij Cameo Records

 

Bobby Rydell kreeg de wind pas een beetje mee toen Frankie Day zijn artiest onder wist te brengen bij Cameo Records in Philadelphia. De jonge zanger kwam nu terecht bij platenmensen met ruime ervaring.
  
Eigenaar Bernie Lowe (1917-1993) schreef samen met zijn partner Kal Mann (1917-2001) de song ‘Teddy Bear’ voor Elvis Presley. Andere succesvolle liedjes van het tweetal waren o.a. ‘Remember you’re mine’ van Pat Boone (1957) en ‘Butterfly’ (Charlie Gracie, Andy Williams, 1957). Lowe was orkestleider bij het tv-programma van Paul Whiteman. Een stille partner in Cameo was niemand minder dan Dick Clark, de man die bepaalde welke artiesten mochten optreden in het top-programma American Bandstand.
  
Muzikaal leider van het huis-orkest van Cameo was Dave Appell (geb. 1922). Deze had eerder gewerkt voor Earl Hines en Benny Carter. In de jaren vijftig trad hij met zijn groep op in de film ‘Don’t Knock the Rock’, met o.a. Bill Haley en Little Richard. In 1958 scoorde Appell met ‘Mexican Hat Rock’ een top 20-hit.
 

 

131 - 4 Kal Mann & Dave Appell Kal Mann en Dave Appell

 

Ondanks al die ervaren rotten om zich heen waren de eerste twee singles van Bobby Rydell voor Cameo geen succes. ‘Please don’t be mad’ en ‘All I want for you’ wisten de hitlijsten niet te bereiken.
  
Co de Kloet in 1961: “De verkoop van ‘Please don’t be mad’ was niet bijzonder groot maar bevredigend, zeker voor zo’n jonge ster. Bovendien was de concurrentie erg zwaar en dat was een omstandigheid waarmee de platenmaatschappij terdege rekening hield. Bobby ging gewoon door. Met zijn zang- en gitaar-lessen en met alles wat Frankie Day hem voorschreef. Al spoedig verscheen de tweede plaat, ‘All I want is you’ – een schot midden in de roos. De plaat werd in geheel Amerika en trouwens ook in Europa en andere delen van de wereld uistekend verkocht. Bobby werd bij de teenagers ’n bekende ster”.
  
In werkelijkheid had Bobby Rydell alleen nog maar flops. De verkoop van zijn platen was nagenoeg nihil.

 

Doorbraak met ‘Kissin’ Time’

 

In een interview met Peter Proko in 2011 werd Bobby Rydell gevraagd naar zijn meest opwindende ervaring. Het antwoord liet aan duidelijkheid niets te wensen over: “I was playing ball with some buddies on a summer day and a neighbor came running to my grandmother telling her that they were playing my record ‘Kissin’ Time’ on the radio. It was an exciting moment”.
  
Na jarenlang ploeteren had Bobby Rydell (17) eindelijk zijn eerste hit te pakken. ‘Kissin’ Time’, geschreven door Bernie Lowe en Kal Mann, sloeg aan en bereikte nummer 11 in de Billboard top 100. De single werd in American Bandstand nadrukkelijk onder de aandacht gebracht door Dick Clark, die persoonlijk financiële belangen had in het succes.
  
Co de Kloet: “Na ‘All I want is you’ kreeg Bobby het druk met het nakomen van zijn contracten en met het maken van nog meer platen. ‘Kissin’ Time’ werd in die beginperiode wel de bekendste. Het nummer kwam hoog op de hitparade”.

Cameo Records en Dick Clark hadden een teenager-idool in handen. Het succes moest uitgebaat en gecontinueerd worden. De Kloet: “En dan gaat het met Bobby als met andere sterren. Hij komt in de belangstelling, hij treedt op in bekende gelegenheden en zit om publiciteit niet verlegen. Er zijn zoveel teenagerbladen die gevuld moeten worden, er zijn zoveel teenagers die platen kopen, er zijn zoveel foto-bureaus die graag een goed plaatje schieten. En in het koor van publicisten blaast ook de platenmaatschappij graag haar partijtje mee”.
  
Bobby Rydell werd een van de artiesten die door Dick Clark naar voren geschoven werden. Zoiets was niet vrijblijvend is bijvoorbeeld te lezen in het boek Sh-Boom van Clay Cole. Tijdens het payola-schandaal, ’it was disclosed that Clark had partial copyrights to one hundred and fifty songs, many of them played on Bandstand, and thirty three related businesses, including record labels, pressing plants, distribution, publishing and artists’ management companies. Clark admitted to having his finger in publishing, management contracts and an interest in Cameo-Parkway Records’.

Voor een flink gedeelte bestond de uitbouw van de carrière van iemand als Bobby Rydell uit optredens in de VS. Een groep van die jonge artiesten met recente hits werd steeds per bus rondgereden. Dick Clark liet het onder zijn naam organiseren. Volgens velen, inclusief Clay Cole, was Clark degene die er geweldig aan verdiende. De artiesten, die wel mee moesten doen, waren met handen en voeten aan hem gebonden en hielden er niet meer dan een grijpstuiver aan over.
  
In interviews ontkenden ze (moesten ze dat ontkennen?) dat ze uitgebuit werden.

In 1978 stelde Gary James dat artiesten tijdens zo’n toernee niet meer dan 200 dollar per week verdienden terwijl Clark per show, soms drie keer per dag, 2,500 dollar ontving. Profiteerde Clark niet van de door hem gemaakte idolen?
  
Rydell was het niet met hem eens. “No, he didn’t. He paid me a pretty good salary. I forget what it was. Dick Clark wouldn’t play a record on Bandstand unless the record was doing something elsewhere”.
  
Rydell had alleen maar goede herinneringen aan die toernees per bus, zei hij. “It was absolutely tremendous. There was constant screaming. You didn’t even have to sing, just open your mouth. I’d spend 6 1/2 weeks traveling on a bus. You’d drive to the concert, check in at the hotel, eat, perform, back to the hotel, get up the next day, and travel to the next town”.

 131 - 5 Rydell, Domenico Modugno

Bobby Rydell en Domenico Modugno

Co de Kloet in 1961: “In zeer korte tijd werd Bobby Rydell een gevierde ster, tot grote vreugde van hemzelf en van zijn vader, die zijn vroegere veronderstellingen bewaarheid zag worden. Bobby reisde heel Amerika door en werd overal met daverend gejuich ontvangen. Hij zong zijn liedjes en verschillende van zijn songs werden hits. ‘Wild One’ bijvoorbeeld en ‘We Got Love’ die hem een gouden plaat opleverden. En later nog ‘Volare’, ‘Sway’ en ‘Good Time Baby’, die allemaal op de Amerikaanse hitparade verschenen en met duizenden tegelijk naar andere landen werden verzonden”.

In 1966 bevestigde Joseph Murrells in zijn gouden platen-boek hoe goed de singles van Bobby Rydell verkochten. Maar liefst vijf keer in een paar jaar tijd was hij over het miljoen gegaan. Een bijzonder succes was ‘Volare (Nel blu dipinto di blu)’. Dat was een Italiaans liedje. Domenico Modugno (1928-1994) had het in 1958 gezongen tijdens het Eurovisie-songfestival. Rydell vertelde Gary James dat hij een heel album met dat soort liedjes had opgenomen. Cameo zag de elpee niet zitten. Maar de moeder van Bobby vond ‘Volare’ een hit. Ze bleek gelijk te hebben. Als altijd mocht de zanger van Italiaanse afkomst zijn liedje in het programma American Bandstand playbacken. Met resultaat. ‘Volare’ kwam op 4 in de VS, bijna even hoog als zijn grootste hit ‘Wild One’.

Bij Cameo was je overigens nooit zeker van het uitbetalen van royalties. Charlie Gracie die in 1957 meer dan een miljoen exemplaren verkocht van ‘Butterfly’ procedeerde tegen zijn platenmaatschappij omdat hij niet kreeg wat hem toekwam. De artiest besefte niet dat Dick Clark een van de aandeelhouders van zijn platenmaatschappij was. “I was dependable”, vertelde hij in 2009 aan Clay Cole. “I was the first one to get screwed by Cameo. I sued for my royalties, settled for $40,000 and left, but I never got on Bandstand again. Dick Clark, a silent partner at Cameo-Parkway, was none too pleased. Clark was part of this little conglomeration. I was told. ‘you will never have another hit as long as you live’.
  
You know what? They were right. They figured this guy Gracie is stirring up the pot. If everybody does what he does, we’ll be in trouble, so we have to get rid of him. So the playing of my records gets diminished. I never got it all from ‘Butterfly’. I got a hunk of it. It sold over two million records man. I thought I was being cheated”.

 

Bobby Rydell in Nederland

 

In tegenstelling tot Elvis Presley en andere pop-idolen in die tijd reisde Bobby Rydell de hele wereld door. Cameo Records deed er aan mee. Toen hij op toernee ging door Australië maakte Bernie Lowe een speciale versie van ‘Kissin’ Time’. “They’re kissin’ in Cleveland’ werd veranderd in ‘They’re kissin’ in Sydney”.

Tijdens een serie Europese optredens begin 1961 deed Bobby Rydell (19 jaar) samen met zijn manager op 28 februari ook Nederland aan. “Veldslag om 17-jarige rock & roll-zanger op Schiphol” was de volgende dag in de krant te lezen. “Op Schiphol heeft gisteravond een ware veldslag gewoed. Bijna 200 teenagers bestormden hun idool na diens aankomst op het vliegveld. Zij maakten het voor de aankomende passagiers onmogelijk zich een weg naar buiten te banen. De Amerikaanse jongen dreigde te bezwijken onder het vurige enthousiasme van zijn bewonderaars. Door de politie werd hij met waar meesterschap ontzet. Na een uur was het enthousiasme wat bekoeld. Het gezelschap begaf zich naar restaurant Heck. Bobby gaf er een voorstelling”.

 

 131 - 6 Kloet Ko (met pickup)

Co de Kloet

 

Het was de bedoeling, aldus Co de Kloet in 1961, dat Bobby Rydell in Nederland voor de televisie zou optreden. Maar dat ging niet door. De omroepmedewerker gaf de schuld aan het kapitaal, de Nederlandse vertegenwoordiging van Cameo. “Wanneer de platenmaatschappij niet bijspringt in de kosten, is een tv-optreden van een ster als Bobby Rydell nauwelijks te betalen. Er werd voor zijn komst druk overleg gepleegd tussen ’n platenfirma en de televisie. Maar zonder veel resultaat”.
  
Bobby vloog toch naar Nederland. “En nog wel zonder commerciële bijbedoelingen. Hij kwam alleen omdat hij graag even Amsterdam wilde zien. Hij had er in het verre Amerika al veel over gehoord, wist dat niet alle Nederlanders op klompen en in Volendammer kostuums liepen, maar wilde zich er toch even graag goed van overtuigen”.

In zijn boekje bevestigde De Kloet wat je ook in de krant kon lezen. Hij voegde eraan toe dat de Blue Diamonds zich eveneens op Schiphol bevonden kort voor het Amerikaanse popidool landde. “De Blue Diamonds hadden alle gelegenheid om foto’s uit te delen en handtekeningen te zetten. Ze kregen er druk werk aan, want de op Bobby wachtende meisjes en jongens namen dit buitenkansje graag waar”. Even later deed Bobby hetzelfde. “Iedereen kreeg waar hij of zij om vroeg. Foto’s, een handtekening in de agenda, het schoolschrift of poëzie-album. De agenten, aangestoken door de handtekeningendrift, vroegen er ook eentje voor hun kinderen thuis”.
  
Op Schiphol deed hij een interview voor radio Veronica. Ton de Vletter liet hem voor ‘Tijd voor Teenagers’ een paar imitaties weggeven. Om een uur of negen arriveerde het idool in Heck. “Het was er niet druk, want niemand wist het. Er waren een paar teenagers die de laatste editie van de krant gelezen hadden. Naarmate de avond vorderde kwamen er meer. Frankie Day wilde niet dat Bobby met het orkest zong”. Op foto’s zie je de zanger bij een strijkje, bestaande uit muzikanten op leeftijd.
  
“Rydell zong een paar van zijn laatste toppers (‘Sway’, ‘Good Time Baby’) met begeleiding van de plaat. Bobby zong zonder zonder dat zijn stem in de zaal doordrong en hij zong volkomen gelijk met de plaat. Hieruit bleek dat hij een beste vakman was. Iedereen die dergelijke experimenten voor de televisie heeft gezien, weet hoe moeilijk het is. Later zong hij toch met het orkest. De band viel Frankie erg mee en het ging best. Het volle restaurant bracht hem een daverende ovatie”.


 
131 -9 Rydell en violist

Bobby Rydell in Nederland

Aan het einde van zijn hoofdstuk schreef Co de Kloet: “Bobby Rydell is een zanger die uitgroeide boven het woud van middelmatig talent in de States. Door zijn nauwgezet en hard werken heeft hij daar zelf zoveel mogelijk aan meegeholpen. Hij teert niet op zijn successen maar probeert steeds zijn kwaliteiten te verbeteren. Daarom is het waarschijnlijk dat hij nog heel veel zal bereiken”.

 

Het vervolg

 

Op 22 juni 1961 liet Bobby Rydell zien dat hij meer kon dan zijn liedjes playbacken. Die avond trad hij op in de Copacabana (New York). De recensenten waren lyrisch over zijn prestaties op de bühne. Een verslaggever schreef in de Music Reporter: “Holding the audience spellbound he sang his way thru and into the hearts of a packed room who refused to let him off stage. Rydell left the stage amidst a standing ovation, something rarely given by this hard-bitten New York crowd... and received the same ovation all the way up to his dressing room, from the employees of the club and just about everyone he passed”.
  
Het toonaangevende blad Variety meldde: “Frankie Day, his manager, is steering him in the right direction. Bobby Rydell, a bright, cleancut 19-year old, has that sense of career and should develop importantly in the variety media in years to come”.

 

 131 - 8 Rydell Vietnam 1966

Bobby Rydell treedt op in Vietnam

 

Het pakte anders uit. De hitmachine begon wat te haperen. Een paar jaar later kwamen de sterren vooral uit Engeland. John Lennon en Paul McCartney lieten zich in 1963 bij het schrijven van hun eerste grote hit ‘She loves you’ nog inspireren door ‘Forget Him’ van Bobby Rydell. Bovendien werd Bobby opgeroepen voor militaire dienst. In tegenstelling tot Britse artiesten en Amerikaanse zangeressen werden jongens als Bobby Rydell uit hun carrière ‘weggerukt’. Bobby trad voor de Amerikaanse troepen op in Danang (Vietnam).
  
Samen met stadgenoten Fabian en Frankie Avalon kwam hij in het oldies-circuit terecht. Privé ging het niet altijd even goed. In 2003 overleed zijn (eerste) vrouw aan borst-kanker. Bobby raakte stevig aan de fles. Met alle gevolgen van dien. Op sterven na was hij dood. Dankzij een transplantatie van zijn lever én een nier tegelijk (juli 2012) is het vroegere teenager-idool in leven gebleven.

Op 27 september, drie maanden geleden, vroeg Pat Gallagher (Huffington Post) hem of hij een advies had voor nieuwe tieneridolen, Justin Bieber bijvoorbeeld.
  
Dit was zijn antwoord:
  
“All of a sudden, you see these people and from nothing to like overnight becoming like a superstar – that’s hard to handle when you’re like, 15 years old? I was lucky, and I think the majority of the artists from the time I started recording, paid what we call dues. You went around, you did clubs, you sang, you auditioned, you did things in front of people. You’d get: ‘Thank you very much, we’ll get in touch with you’. So, it’s gotta be hard for the kids -- a guy or a girl -- to handle that overnight success. And the money factor, overnight you become a multimillionaire. That’s got to be hard. What can I say? I just wish those kids a lot of luck. Hopefully they can keep their heads together and stay on the right path”.

Harry Knipschild
27 december 2012


Clips


Literatuur

John P. Shanley, ‘Dick Clark – new rage of the teenagers’, New York Times, 16 maart 1958
‘Veldslag om 17-jarige rock & roll-zanger op Schiphol’, Leidse Courant, 1 maart 1961
Co de Kloet, ‘Bobby Rydell’, Teenager Parade, Helmond z.j. (1961)
‘Rydell a smash at New York Copa opening’, Music Reporter, juni 1961
Gros, ‘New Acts, Bobby Rydell, Songs, Copacabana, New York’, Variety, juni 1961
Frank Quinn, ‘Copa awards Rydell its summer cum laude’, New York Mirror, juni 1961
Joseph Murrells, Daily Mail Book of Golden Discs, Londen 1966
Gary James, ‘Interview with Bobby Rydell’, 1978, website Gary James
Charlie Gillett, The Sound of the City, Londen 1983 (1970)
James Miller, Flowers in the Dustbin. The Rise of Rock and Roll 1947-1977, New York 1999
Kees Wouters, Ongewenschte muziek, Den Haag 1999
Clay Cole, Sh-Boom. The Explosion of Rock ‘n’ Roll, 1953-1968, Garden City 2009
Peter Proko, ‘Juke Box Hero’, South Jersey Magazine, juni 2011
‘60s singer Rydell gets 2 organ transplants in Pa.’, Associated Press, 18 juli 2012
Pat Gallagher, ‘1960s Teen Idol Bobby Rydell On His New Lease On Life’, Huffington Post, 27 september 2012